Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR1505

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
15-700770-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige; toerekeningsvatbaarheid.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens ontucht met een zesjarig kind. Verdachte, die als zeer goede vriend al 25 jaar wekelijks bij de familie van het slachtoffer over de vloer kwam, heeft misbruik gemaakt van zijn positie als volwassene en vertrouweling door op enig moment de penis van het zesjarige zoontje van het gezin tot drie maal toe in zijn mond te nemen en uit te blazen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij in ernstige mate inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van een nog zeer jong kind, dat verdachte bovendien als zijn grote vriend en voorbeeld zag. Gelet op verdachtes persoonlijkheidsstoornis wordt verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700770-10

Uitspraakdatum: 6 juli 2011

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juni 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 06 oktober 2010 te Heemskerk, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) één of meermalen

- vastpakken door verdachte van de penis van die [slachtoffer] en/of

- in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [slachtoffer] en/of

- likken en/of betasten van de penis van die [slachtoffer] en/of

- op en neer bewegen van verdachtes tong over en/of het blazen op de penis van die [slachtoffer].

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en heeft gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van drie jaren en de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, ook indien dit inhoudt dat verdachte een behandeling zal volgen bij de Waag, alsmede

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte zal worden opgeheven.

4.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op een tijdstip in de periode van 1 januari 2010 tot en met 6 oktober 2010 te Heemskerk met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [slachtoffer].

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

In het over verdachte uitgebrachte psychologische rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie (NIFP), in de persoon van drs. P.C. Dalebout, gezondheidszorgpsycholoog, van 11 maart 2011 staat beschreven dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven. Ter onderbouwing van deze diagnose is het volgende beschreven.

Verdachte maakt qua persoonlijkheidsontwikkeling een nog onrijpe indruk en heeft in sociaal opzicht nog geen volwassen positie in het leven weten te bereiken. Uit onderzoek is tevens de indruk ontstaan dat bij verdachte nog steeds sprake is van vragen met betrekking tot zijn seksuele identiteit. In sociale contacten, met name in contacten met jonge jongens, kan verdachte zichzelf niet goed afgrenzen en blijkt afstand en nabijheid een terugkerend probleem.

Bovendien maakt verdachte een egocentrische en weinig empathische indruk. Hij lijkt in het algemeen veel vanuit zijn eigen behoeften te reageren en slechts in betrekkelijk geringe mate oog te hebben voor de behoeften en grenzen van de ander. Gevoelens van schuld en schaamte worden in het contact nauwelijks waargenomen en de gewetensontwikkeling imponeert als gebrekkig. De gediagnosticeerde stoornis was volgens rapporteur aanwezig ten tijde van het bewezenverklaarde en stuurde het gedrag in zodanige mate dat het bewezenverklaarde daaruit ten dele is te verklaren. Concluderend heeft rapporteur de rechtbank in overweging gegeven verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare. Er is echter geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken voornoemde psychologisch rapport van drs. P.C. Dalebout, gezondheidszorgpsycholoog, van 11 maart 2011 en het eveneens aldaar besproken voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 26 april 2011.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte, die als zeer goede vriend al 25 jaar wekelijks bij de familie van het slachtoffer over de vloer kwam, heeft misbruik gemaakt van zijn positie als volwassene en vertrouweling door op enig moment de penis van het zesjarige zoontje van het gezin tot drie maal toe in zijn mond te nemen en uit te blazen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij in ernstige mate inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van een nog zeer jong kind, dat verdachte bovendien als zijn grote vriend en voorbeeld zag. Hoewel het thans goed lijkt te gaan met het slachtoffer, kunnen jeugdige slachtoffers van ontucht, naar de ervaring leert, hiervan op latere leeftijd ernstig nadelige gevolgen ondervinden. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij dit het slachtoffer heeft aangedaan. Wel houdt de rechtbank bij zijn strafoplegging rekening met het feit dat verdachte voor het bewezenverklaarde handelen licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Verdachte heeft blijkens voornoemd psychologisch rapport aangegeven dat naar zijn mening geen sprake is van problematiek waarvoor behandeling of begeleiding nodig is. De intrinsieke motivatie voor een dergelijk contact ontbreekt dan ook in belangrijke mate, hetgeen de rechtbank ook ter terechtzitting heeft waargenomen.

Rapporteur Dalebout meent echter dat een vorm van begeleiding of behandeling wel degelijk noodzakelijk is om de kans op herhaling in voldoende mate te kunnen reduceren. Volgens rapporteur dient verdachte zich meer bewust te worden van zijn eigen gedrag en drijfveren en van de consequenties die zijn gedrag kan hebben op zijn sociale omgeving. Daarbij lijkt het volgens rapporteur met name belangrijk dat in de behandeling aandacht geschonken wordt aan de gesignaleerde (seksuele) identiteitsproblematiek en de ambivalentie die op dat gebied nog lijkt te bestaan. Rapporteur meent dat de behandeling voor de problematiek kan plaatsvinden bij De Waag en adviseert een en ander op te leggen in de vorm van een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact.

Het op 26 april 2011 opgemaakte rapport van Reclassering Nederland ondersteunt dit advies, mede gezien het feit dat verdachte in het gesprek de neiging heeft zaken “kleiner” te maken zodat zij minder erg lijken of minder beladen zijn. Het bewezenverklaarde “overkwam” hem naar eigen zeggen gewoon, hetgeen erop duidt dat bij verdachte geen sprake is van daadwerkelijk besef van het strafwaardige van zijn gedrag. Ook deze houding van verdachte heeft de rechtbank ter terechtzitting waargenomen. Deze omstandigheid sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat behandeling van verdachtes problematiek aangewezen is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd, alsmede een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur. De rechtbank zal echter bepalen dat deze vrijheidsbenemende straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan, op advies van Reclassering Nederland, een proeftijd verbinden voor de duur van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met Reclassering Nederland noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het volgende feit oplevert: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 100 (honderd) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt dat verdachte (een) behandeling(en) zal volgen bij De Waag.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.A.F. Jansen, voorzitter,

mrs. M.J.A. Plaisier en J.H. Crijns, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. P. de Mos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juli 2011.