Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR1353

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
499514 \ CV EXPL 11-2257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur. Bevrijdende betaling. Ambtshalve aanvulling rechtsgronden. Kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid hun stellingen aan te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 499514 \ CV EXPL 11-2257

datum uitspraak: 22 juni 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[A.]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [A.]

gemachtigde mr. E. Hoekstra

tegen

1. [Y.]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [Y.]

gemachtigde mr. M.R. van Buiten

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Demarol Retail Nederland B.V.

te Harderwijk

gedaagde partij

hierna te noemen Demarol

gemachtigde mr. F.F.P.M. Vermeer

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken:

- de dagvaardingen van 7 februari 2011 (van Zijl) respectievelijk 8 februari 2011 (Demarol),

- de akte overlegging producties van [A.],

- de conclusie van antwoord van [Y.],

- de conclusie van antwoord van Demarol, met producties,

- het door de kantonrechter tussen partijen gewe¬zen en op 27 april 2011 uitgesproken tussenvonnis,

- de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 25 mei 2011 gehouden comparitie van partijen en de met het oog op die zitting door de gemachtigde van [Y.] aan de kantonrechter en de wederpartij gezonden producties.

Ter comparitie is met partijen [A.] en [Y.] de vraag besproken of de kantonrechter bevoegd is van de vordering tegen [Y.] kennis te nemen. Na die bespreking en na beraad aan de zijde van [Y.] hebben beide partijen ermee ingestemd dat de kantonrechter een beslissing in het tussen hen bestaande geschil neemt op de voet van artikel 96 Rv.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. [Y.] had aan Demarol verhuurd het registergoed: tankstation met ondergrond en verdere aanhorigheden, plaatselijk bekend [Naam], hierna te noemen: het tankstation.

b. Op 1 september 2010 heeft [Y.] het tankstation verkocht aan [A.]. De levering heeft plaatsgevonden bij notariële akte op 17 september 2010.

c. Op 15 september 2010 heeft Demarol de huur over het 4e kwartaal van 2010 aan [Y.] betaald.

d. Bij brief van 22 september 2010 heeft [Y.] het volgende aan Demarol geschreven:

“Het door u gehuurde tankstation aan [adres] hebben wij verkocht. De nieuwe eigenaar is:

Dhr. [A.]

[adres + telefoonnummer]

De huur voor wat betreft derde kwartaal 2010 is verrekend in de koopprijs.”

e. Bij brief van 28 september 20010 heeft [A.] Demarol verzocht de huur voor het 4e kwartaal 2010 ten bedrage van €20.896,86 aan hem over te maken.

f. In antwoord op de onder e genoemde brief heeft Demarol bij brief van 4 oktober 2010 het volgende aan [A.] geschreven:

“Aangezien de door u berekende huur voor het 4e kwartaal al door TinQ is betaald aan de vorige verhuurder sturen wij u de factuur retour. (…)”

g. Bij brief van 13 oktober 2010 heeft [A.] Demarol in gebreke gesteld met betrekking tot de betaling van de huur over het 4e kwartaal 2010.

h. In antwoord op die ingebrekestelling heeft Demarol bij brief van 18 oktober 2010 het volgende aan [A.] geschreven:

“Hierbij willen wij aangeven dat uw standpunt van de ingebrekestelling niet juist is. Wij hebben namelijk al reeds op 15 september 2010 de huurpenningen voor het 4e kwartaal voldaan aan de toenmalige eigenaar/verhuurder. (…)

Wij waren op het moment van de overboeking van de huurpenningen van het 4e kwartaal 2010 niet op de hoogte van deze onroerendgoedtransactie en kunnen hiervoor dan ook niet verantwoordelijk worden gehouden.”

i. [Y.] heeft aan huur voor het 4e kwartaal 2010 een bedrag van €20.498,27 van Demarol ontvangen. Hij heeft een deel van dit bedrag aan Demarol terugbetaald met verrekening van €9.615,85 wegens incassokosten.

De vordering

[A.] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. Demarol zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A.] te voldoen €20.896,86, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 oktober 2010 tot de dag der complete voldoening, althans de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2011 tot de dag der complete voldoening.

II. Demarol zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van buitengerechtelijke incassokosten aan [A.] te voldoen €800,00, althans subsidiair een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2011 tot de dag der complete voldoening.

III. Demarol zal veroordelen in de kosten van de procedure.

Subsidiair:

I. [Y.] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A.] te voldoen €20.896,86, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 oktober 2010 tot de dag der complete voldoening, althans de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2011 tot de dag der complete voldoening.

II. [Y.] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van buitengerechtelijke incassokosten aan [A.] te voldoen €800,00, althans subsidiair een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2011 tot de dag der complete voldoening.

III. [Y.] zal veroordelen in de kosten van de procedure.

[A.] heeft het volgende aan de vordering ten grond¬slag gelegd:

Ten aanzien van Demarol:

Demarol heeft na 1 oktober 2010 het huurgenot ervaren van het gehuurde. Demarol is daarom gehouden de huurpenningen vanaf 1 oktober 2010 aan [A.] te voldoen.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft Demarol [A.] genoodzaakt de vordering ter incasso uit handen te geven. [A.] heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van €800,00. Demarol dient deze kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan [A.] te voldoen.

Voorts is Demarol de wettelijke handelsrente verschuldigd geworden.

Ten aanzien van [Y.]:

[Y.] is uit hoofde van onrechtmatigde daad c.q. ongerechtvaardigde verrijking verplicht het verschuldigde bedrag aan [A.] te voldoen.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [Y.] [A.] genoodzaakt de vordering ter incasso uit handen te geven. [A.] heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van €800,00. [Y.] dient deze kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan [A.] te voldoen.

Voorts is [Y.] de wettelijke handelsrente verschuldigd geworden.

Het verweer

Demarol betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan:

Demarol heeft haar betaling op 15 september 2010 aan de juiste contractspartij gedaan.

De betaling vond plaats op 15 september 2010, terwijl Demarol pas op 22 september 2010 bericht ontving van de zijde van [Y.] dat [A.] de nieuwe verhuurder was.

Op 20 oktober 2010 heeft [Y.] €10.882,42 teruggestort op de rekening van Demarol. Demarol is bereid dit bedrag onder haar te houden tot nadere instructie.

[Y.] betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan:

Demarol heeft inderdaad het huurbedrag voor het 4e kwartaal aan [Y.] overgemaakt. Dit bedrag is echter als onverschuldigd betaald gerestitueerd met verrekening van een vordering van [Y.] op Demarol. [A.] heeft niets van [Y.] te vorderen.

De beoordeling van het geschil

De primaire vordering tegen Demarol:

1. Demarol beroept zich erop dat zij bevrijdend aan [Y.] heeft betaald, zoals bedoeld in artikel 6:34 BW.

2. Tussen partijen staat vast dat de betaling door Demarol aan [Y.] op 15 september 2010 is gedaan. Eveneens staat vast dat [Y.] Demoral eerst bij brief van 22 september 2010 ervan in kennis heeft gesteld dat [A.] de nieuwe eigenaar/huurder van het tankstation is.

3. Nu niet gesteld of gebleken is dat Demarol ook al vóór 15 september 2010 bekend was met de verkoop van het tankstation door [Y.] aan [A.], slaagt dit beroep van Demarol op de bevrijdende betaling.

4. Op grond van het vorenstaande zal de vordering tegen Demarol worden afgewezen.

5. [A.] zal, als de ten aanzien van Demarol in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De subsidiaire vordering tegen [Y.]:

6. Uit de vaststaande feiten vloeit voort dat [Y.] op het moment dat hij de huurtbetaling van Demarol voor het 4e kwartaal 2010 ontving, niet langer de eigenaar/verhuurder van het tankstation was.

7. [Y.] had derhalve niet meer het recht de huurpenningen voor het 4e kwartaal 2001 te ontvangen.

8. Met betrekking tot de primaire vordering tegen Demarol is al overwogen dat zij bevrijdend heeft betaald in de zin van artikel 6:34 BW.

9. Het vorenstaande brengt met zich dat op grond van het bepaalde bij artikel 6:36 BW [A.] gerechtigd is verhaal te halen op [Y.].

10. Partijen hebben deze bepaling niet in hun debat betrokken, zodat de kantonrechter, gelet op het bepaalde bij artikel 26 Rv, de rechtsgronden dient aan te vullen.

11. Ter comparitie is geen gelegenheid geweest om deze aanvulling met partijen te bespreken. Om die reden zal de kantonrechter partijen alsnog in de gelegenheid stellen zich over die ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden uit te laten en desgewenst hun stellingen daaraan aan te passen.

12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

De primaire vordering tegen Demarol:

Wijst de vordering tegen Demarol af.

Veroordeelt [A.] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van Demarol begroot op €800,00 aan salaris gemachtigde.

De subsidiaire vordering tegen [Y.]:

Verwijst de zaak naar de rolzitting van:

WOENSDAG 20 JULI 2011 TE 09.00 UUR

voor akte uitlating aan de zijde van [A.] zoals hierboven onder 11 vermeld.

Bepaalt dat [Y.] daarna de gelegenheid zal krijgen zich bij antwoordakte uit te laten.

Houdt iedere verdere beslissing op de subsidiaire vordering aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.