Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR1330

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
10-580
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag en boete vanwege te laag aangegeven winstbedrag. Kwade trouw doordat eiser wist dat de aangifte tot een te lage aanslag zou leiden en dit willens en wetens niet heeft hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1842
FutD 2011-1714
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 10/580 en 10/581

Uitspraakdatum: 7 april 2011

Uitspraak in de gedingen tussen:

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 12 december 2008 voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag (aanslagnummer 0000.00.000.H.47) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen van € 43.979 opgelegd, alsmede een navorderingsaanslag (aanslagnummer 0000.00.000.S.47) premie Ziekenfondsverzekering (hierna: ZFW). Gelijktijdig met beide navorderingsaanslagen zijn beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen opgelegd van respectievelijk € 5.455 en € 88.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 21 december 2009 de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 en de daarbij behorende boete- en heffingsrentebeschikkingen gehandhaafd. Voorts zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 21 december 2009 de navorderingsaanslag ZFW en de daarbij behorende beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken beroepen ingesteld. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is Q verschenen. De beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de zaken met nummers AWB 10/578 en AWB 10/579 van Y.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser had in 2004 tezamen met Y in de vorm van een maatschap een administratiekantoor en belastingadviesbureau onder de naam X-Y.

2.2. Eiser heeft in zijn aangifte IB/PVV 2004 een winst uit onderneming van € 25.000 en een belastbare winst van € 19.642 aangegeven. De definitieve aanslag is conform de aangifte opgelegd.

2.3. Naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 2005 ontstond bij verweerder het vermoeden dat de winst zoals vermeld in de aangifte IB/PVV 2004 niet juist was.

2.4. Op 28 februari 2008 heeft verweerder aan Y verzocht om de aanvulling op diens aangifte IB/PVV 2004 toe te zenden. In zijn brief van 14 april 2008 heeft Y als volgt geantwoord:

“(…)

Gezien het feit dat ik gedagtekend 22 november 2006 de H.46 heb ontvangen, was de fiscus kennelijk

de mening toegedaan al het benodigde reeds te hebben ontvangen.

Ik kan daar in ieder geval niets meer aan toevoegen, dunkt mij.

(…)”

2.5. Bij brief van 4 juni 2008 heeft eiser aan verweerder het volgende geschreven:

“(…)

Belastingplichtigen: Y en X

(…)

Met referte aan onze telefonische contacten van 19 en 20 mei jl. laat ik u weten de beantwoording van uw vragen aan mijn collega te hebben overgenomen.

(…)

In de aangiftebiljetten IB 2004 is, zoals u in uw schrijven van 28 februari jl. laat weten, met een duidelijke toelichting niet volledig aangifte gedaan. Er is melding gemaakt van een afgerond bedrag aan winst van € 25.000,00.

De complete gegevens met betrekking tot deze aangiftebiljetten treft u op een bijlage aan.

(…)”

2.6. Op 6 juli 2008 heeft de belastingdienst een onderzoek gedaan naar de administratie van de maatschap X-Y. Op basis van dit onderzoek concludeerde verweerder dat de administratie wordt verwerkt in een tabellarisch kas-bank boek en dat op basis van die administratie over het jaar 2004 een winst van € 124.919 had kunnen worden genomen. Hiervan zou € 62.459 aan ieder van de maten kunnen worden toegerekend.

2.7. Op 6 november 2008 heeft verweerder de kennisgeving van de navorderingsaanslagen en de boetes aan eiser gestuurd. De mededeling van de boetes is op 28 november 2008 toegezonden.

3. Geschil

3.1. In geschil is of terecht aan eiser navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen alsmede heffingsrentebeschikkingen zijn opgelegd. Zo ja, dan is voorts in geschil of de boetes op een juist bedrag zijn vastgesteld.

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen, de boetbeschikkingen en de heffingsrentebeschikkingen.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald:

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten

of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering,

ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de

inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende

heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen

zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige

ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2. Niet in geschil is dat de definitieve aanslagen IB/PVV en ZFW voor 2004 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld zodat verweerder in beginsel de te weinig geheven belasting kan navorderen. Eiser stelt evenwel dat verweerder met die omstandigheid bekend was dan wel bekend had kunnen zijn. Daartoe stelt eiser dat in zijn aangifte onder het kopje “specificaties winstberekening” de volgende toelichting is gegeven:

“Door tijdsdruk is de aangifte onvolledig ingediend en zijn tevens de gegevens nog niet geheel correct. Op korte termijn zal een aanvulling in de vorm van het opnieuw elektronisch inzenden van de aangifte plaatsvinden.”

4.3. Verweerder heeft, na daartoe gedane interne navraag bij het kantoor te R, betwist dat in eisers aangifte voornoemde passage was opgenomen.

4.4. Gelet op hetgeen partijen hierover ter zitting hebben verklaard en de omstandigheid dat in de aangifte van eisers collega, Y – welke aangifte eveneens door eiser is ingevuld – de betreffende passage wel voorkomt, acht de rechtbank aannemelijk dat ook in de aangifte van eiser zelf de voornoemde opmerking was vermeld.

4.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van de aangifte nu de betreffende passage is ingevuld in een rubriek die daarvoor niet is bedoeld en de aangifte afkomstig was van een betrouwbare en te goeder trouw bekend staande belastingadviseur. Volgens verweerder is sprake van een nieuw feit dan wel van kwade trouw aan de kant van eiser.

4.6. Het meest verstrekkende argument van verweerder is dat eiser te kwader trouw is. Dit argument zal de rechtbank als eerste behandelen. Van kwade trouw is sprake als eiser aan verweerder opzettelijk juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.

4.7. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de in de aangifte opgenomen opmerking van eiser blijkt dat hij zich ten tijde van het doen van aangifte bewust was van de omstandigheid dat het in de aangifte vermelde bedrag aan winst uit onderneming van € 25.000 niet juist was zodat eiser wist dan wel had moeten weten dat zijn aangifte niet alle informatie bevatte die nodig was om een juiste aanslag op te leggen.

4.8. Eiser heeft de in de aangifte gedane toezegging dat hij op korte termijn een juiste aangifte zou indienen, niet gestand gedaan. Bovendien heeft hij, nadat hij kennis had genomen van de brief van verweerder van 28 februari 2008 waarin verweerder aan Y om nadere informatie vraagt, geen actie ondernomen. Pas op 4 juni 2008 heeft eiser stukken aan verweerder gezonden. Dat is ruim na vaststelling van de definitieve aanslag en kennelijk onder de dreiging van een boekenonderzoek. De rechtbank leidt hieruit af dat het geenszins eisers bedoeling is het materieel verschuldigde bedrag aan belasting ook daadwerkelijk te voldoen.

4.9. Verder overweegt de rechtbank dat het door eiser bijgehouden kasboek compleet was en dat op het moment van het doen van aangifte daaruit de juiste winstbedragen konden worden afgeleid. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het kasboek nog moest worden opgeteld en dat daarvoor geen tijd was.

4.10. Uit deze combinatie van omstandigheden concludeert de rechtbank dat eiser op het moment van het doen van aangifte wist dat die aangifte tot een te lage aanslag zou leiden en dat eiser in een later stadium dit willens en wetens niet heeft hersteld. Dat de letterlijke tekst van de toezegging van eiser in de aangifte duidt op de wil alle benodigde informatie te verstrekken doet er niet aan af dat de feitelijke gang van zaken anders is geweest. Daarmee is kwade trouw van eiser gegeven.

4.11. Ten slotte heeft eiser gesteld dat hij ten tijde van het doen van aangifte onder grote emotionele druk stond ten gevolge van diverse sterfgevallen in zijn familie- en vriendenkring. Uitgaande van de juistheid van eisers stelling, oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat die emotionele druk het eiser onmogelijk maakte om een juiste aangifte te doen, te laten doen of de onjuiste aangifte op een later moment aan te vullen of te herstellen.

4.12. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het door eiser opzettelijk vermelden van onjuiste omzet- en winstbedragen kan worden aangemerkt als het opzettelijk onthouden van de juiste inlichtingen aan verweerder. Nu voorts niet in geschil is dat de navorderingsaanslagen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. De overige stellingen van verweerder behoeven geen bespreking.

4.13. Ten aanzien van de boetes heeft eiser aangevoerd dat hij geheel te goeder trouw is geweest bij het indienen van de aangifte omdat hij duidelijke informatie over de onjuistheid van de aangifte heeft gegeven. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank echter aannemelijk gemaakt dat eiser bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Voorwaardelijk opzet acht de rechtbank dan ook bewezen. Anderzijds is gebleken dat de administratie van eiser geen gebreken vertoont. In verhouding tot de ernst van het feit en het bedrag van de navorderingsaanslag acht de rechtbank, anders dan verweerder, boetes van 25% uit een oogpunt van normhandhaving passend en geboden.

4.14. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat verweerder met een brief van 6 november 2008 aan eiser een kennisgeving heeft gedaan van zijn voornemen de onderhavige boetes op te leggen. Thans wordt meer dan twee jaar na voormelde kennisgeving uitspraak gedaan. Nu voorts uit de gedingstukken niet blijkt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een zo lange duur van de behandeling van de zaak rechtvaardigen, heeft de behandeling van de zaak niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De rechtbank zal daarom de naar aanleiding van de navorderingsaanslag IB/PVV opgelegde boete verder verminderen met 20%. Aangezien de naar aanleiding van de navorderingsaanslag ZFW opgelegde boete minder dan € 200 bedraagt, zal hierop geen vermindering worden verleend en volstaat de rechtbank met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, EVRM.

4.15. De slotsom met betrekking tot de boetes luidt dat de boete met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV dient te worden verminderd tot een bedrag van € 2.182 en die met betrekking tot de navorderingsaanslag ZFW tot een bedrag van € 44.

4.16. Het beroep tegen de beschikking heffingsrente heeft eiser niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de navorderingsaanslagen geen doel treffen, zal het beroep tegen de beschikkingen heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.

4.17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van de beroepen redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Voor vergoeding komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse die eiser heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen. De rechtbank stelt deze kosten op € 22.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de opgelegde boetes betreft;

- vermindert de naar aanleiding van de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 opgelegde boete tot € 2.182 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de naar aanleiding van de navorderingsaanslag ZFW 2004 opgelegde boete tot € 44 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde

besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 22;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koole, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. M. Mees, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.