Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR1323

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
AWB 11-1535
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Wijziging gebruik. In geschil is de vraag of een vergunning van rechtswege is verleend omdat, naar eiseres stelt, de reguliere procedure van toepassing is. De aanvraag valt niet onder artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a, sub 1° en 2°, van de Wabo zodat de gevraagde omgevingsvergunning slechts kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° van de Wabo. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan (…) en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of artikel 2.12, tweede lid, Wabo. In het vierde lid, aanhef en onder b, is bepaald dat indien op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning afdeling 3.4, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is, paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing is. Hieruit volgt dat op de aanvraag van eiseres de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en dat dit nimmer kan leiden tot een van rechtswege verleende vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1798
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 1535

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2011

in de zaak van:

Besloten Vennootschap Vunderink Investments B.V.,

gevestigd te [plaatsnaam],

eiseres,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 20 december 2010 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van een bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan voor het wonen met aan huis gebonden beroep of woon/werk object op het perceel [perceel].

Eiseres heeft bij brief van 14 februari 2011, door de rechtbank ontvangen op 16 maart 2011, beroep ingesteld tegen de fictieve weigering van verweerder de op 19 februari 2011 van rechtswege verleende beschikking binnen twee weken bekend te maken, te publiceren en af te geven. Eiseres heeft voorts verzocht een dwangsom op te leggen voor elke dag dat verweerder weigert en om schorsende werking met betrekking tot de bezwaarfase, de beroepstermijn na beslissing op bezwaar en beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 7 maart 2011 en 19 mei aanvullende stukken toegezonden.

Verweerder heeft op 4 mei 2011 en 19 mei 2011 aanvullende stukken toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 mei 2011, alwaar namens eiseres is verschenen [naam], vennoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.P. Brouwer en S. Couwenhoven, beiden werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is eigenaresse van het in 2004/2005 gerealiseerde bedrijfspand [perceel]. Het pand heeft de bestemming kantoor met werkplaats en opslag. Eiseres wil het pand gebruiken voor de combinatie wonen-werken en heeft daartoe op 22 december 2010 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit gebruiken van een bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan voor wonen met aan huis gebonden beroep of woon/werk object. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Westzanerdijk’, Uitwerkingsplan ‘Westzanerdijk-Oost’, deel B. heeft het perceel de bestemming ‘Bedrijven(B)’. Deze gronden zijn bestemd voor het bouwen van bouwwerken voor instellingen en bedrijven die functies uitoefenen die worden genoemd in de bij artikel 11 van het uitwerkingsplan behorende functielijst en de aanleg van de bij die bedrijven behorende verkeers- en groenvoorzieningen. Voorts mag per bedrijf één dienstwoning worden gebouwd met een maximale inhoud van 400 m³. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder ‘dienstwoning’ verstaan: een woning die behoort bij en waarvan de bewoning noodzakelijk is voor en verband houdt met de bedrijfsuitoefening in of het beheer van het bedrijf of instelling op het perceel waarop de woning zich bevindt.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag aangemerkt als een aanvraag voor een project dat bestaat uit de activiteit bouwen en de activiteit gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft vastgesteld dat in de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan geen ontheffingsmogelijkheden zijn opgenomen. Het plan past niet in artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omdat het aantal woningen door de aanvraag zal wijzigen. Daarom kan de gevraagde omgevingsvergunning slechts worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a, sub 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Verweerder concludeert dat de aanvraag ingevolge artikel 3.10, eerste lid en onder a, van de Wabo volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden afgehandeld. Dat betekent dat van een van rechtswege verleende vergunning geen sprake kan zijn.

2.3 Eiseres stelt zich op het standpunt dat op de aanvraag de reguliere procedure van toepassing is en dat daarom op 19 februari 2011 van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend. Zij heeft aangevoerd dat, gelet op de toezeggingen en verkregen informatie van een ambtenaar van de gemeente, zij erop mocht vertrouwen dat de reguliere procedure van toepassing was. Voorts heeft zij aangevoerd dat is verzocht om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1° en 2°, van de Wabo waarop de reguliere procedure van toepassing is. Uit artikel 3.10 van de Wabo is op te maken dat een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan, waarbij slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a en onder 3°, van de Wabo de uitgebreide procedure moet worden gevolgd. Omdat artikel 2.12, eerste lid, sub a en onder 1° en 2°, van de Wabo niet in artikel 3.10 van de Wabo worden genoemd, betekent dit dat deze planologische afwijkingsmogelijkheden onder de reguliere procedure vallen, aldus eiseres. Zij wijst voorts op artikel 4, aanhef en onder 9, van Bijlage II bij het Bor.

2.4 De door eiseres gevraagde omgevingsvergunning ziet slechts op een gebruikswijziging van het bedrijfspand en niet op het verrichten van inpandige, dan wel externe bouwactiviteiten.

2.5 In artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

2.6 De rechtbank volgt niet de stelling van eiseres dat zij op grond van verkregen informatie van een gemeenteambtenaar er op mocht vertrouwen dat de reguliere procedure van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er namens verweerder concrete toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van de te volgen procedure. De rechtbank overweegt daarbij dat een gemeenteambtenaar niet bevoegd is om besluiten met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning te nemen. De ambtenaar kan slechts een advies uitbrengen hetgeen niet wil zeggen dat dit advies als een toezegging kan worden aangemerkt.

2.7 Niet in geschil is tussen partijen dat sprake is van gebruik van een bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan. Voorts is niet in geschil dat eiseres geen aanvraag voor een dienstwoning heeft gedaan. De omgevingsvergunning kan dan ook uitsluitend worden verleend in afwijking van in het bestemmingsplan opgenomen regels, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen dan wel op basis van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.8 De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat in de bestemmingsplanvoorschriften geen aanvullende bepalingen zijn opgenomen om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan. Vervolgens heeft verweerder onderzocht of het mogelijk was af te wijken op grond van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

2.9 Ingevolge artikel 2.7, van het Bor (zijnde de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2,12, eerste lid, van de wet aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

2.10 Krachtens artikel 4 aanhef en onder 9, van Bijlage II bij het Bor, voor zover hier van belang, komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits binnen de bebouwde kom en de oppervlakte niet meer dan 1500 m² bedraagt.

In artikel 5, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor is bepaald dat bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 het aantal woningen gelijk blijft.

2.11 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet past in artikel 4, van bijlage II bij het Bor omdat het aantal woningen door de aanvraag zal wijzigen. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting gesteld dat sprake is van toename van het aantal woningen omdat op dit moment op het perceel geen woonbestemming rust en dat indien, overeenkomstig de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, wel een dienstwoning zou zijn gerealiseerd dit het niet anders maakt. Een dienstwoning kan planologisch gezien namelijk niet gelijkgesteld worden met een woning, zodat ook wanneer er een dienstwoning zou zijn, nog steeds sprake is van een toename van het aantal woningen, waardoor op grond van artikel 5, eerste lid, van het Bor, artikel 4 van Bijlage II niet van toepassing is. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (o.a. de uitspraak van 20 februari 2008 LJN: BC4681) kan een dienstwoning niet worden gelijkgesteld met een (burger)woning. Wijziging van het gebruik van het bedrijfspand (met mogelijkheid tot het realiseren van een dienstwoning) tot wonen met aan huis gebonden beroep of woon/werk object leidt derhalve tot een toename van het aantal (burger)woningen hetgeen ingevolge het bestemmingsplan niet is toegestaan. Hieruit volgt dat de aanvraag niet valt onder artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a, sub 1° en 2°, van de Wabo en dat de gevraagde omgevingsvergunning slechts kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° van de Wabo.

2.12 Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan (…) en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of artikel 2.12, tweede lid, Wabo.

In het vierde lid, aanhef en onder b, is bepaald dat indien op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning afdeling 3.4, van de Awb van toepassing is, paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing is.

2.13 Hieruit volgt dat op de aanvraag van eiseres de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en dat dit nimmer leidt tot een van rechtswege verleende vergunning. De grond van eiseres dat op 19 februari 2011 van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend, faalt derhalve.

2.14 De omstandigheid dat verweerder de brieven met betrekking tot de aanvraag en de te volgen procedure per abuis naar het (leegstaande) bedrijfspand van eiseres heeft verzonden, maakt dit niet anders, nu dit, gelet op het vorenstaande, in dit geval niet bepalend is voor het al of niet ontstaan van een van rechtswege verleende vergunning.

2.15 Het beroep is ongegrond. De overige gronden behoeven geen bespreking. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.