Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR1162

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
10/451
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft ter zitting erkend dat geen sprake was van een fictieve dienstbetrekking tussen eiseres en har bestuursleden. De rechtbank heeft geen reden verweerder hierin niet te volgen. Voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten is geen reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1915
V-N 2011/44.18.5
FutD 2011-1770
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/451

Uitspraakdatum: 12 juli 2011

Uitspraak in het geding tussen

X B.V. te Z, eiseres

gemachtigde: mr. A

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan (de rechtsvoorganger van) eiseres met dagtekening 12 december 2007 over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag loonbelasting/premies volksverzekeringen (LB/PVV) opgelegd ten bedrage van € 728.749. Bij deze naheffingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 99.783 en een boete van € 4.537 opgelegd.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 januari 2010 de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011.

Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, B en drs. C. Tevens is verschenen D, (middellijk) bestuurder van eiseres. Namens verweerder zijn verschenen mr. E en mr. F. Ter zitting heeft eiseres een pleitnota aan de rechtbank overgelegd. Een kopie daarvan is aan de wederpartij verstrekt.

1.5. Tevens zijn ter zitting behandeld de beroepen van DY (kenmerknummers 10/5276 en 10/5277) en de beroepen van D (kenmerknummers 10/5278 en 10/5279).

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is opgericht op 6 mei 1996 als stichting en heeft op 9 februari 2006 X B.V. opgericht. Zij had vanaf de oprichting als statutaire doelstelling het ontwikkelen en bevorderen van de privatisering van de sociaal-maatschappelijke dienstverlening. Sinds de oprichting van X B.V. in 2006 luidt de bedrijfsomschrijving kort samengevat: het verlenen van diensten en taken in de thuiszorg. Het bestuur bestaat sinds de oprichting van eiseres tot de oprichting van X B.V uit de volgende personen:

G, voorzitter;

D-Y, secretaris;

D, penningmeester.

2.2. Op 29 december 1999 heeft verweerder een faxbericht ontvangen van X, ondertekend door D, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Hierbij verzoek ik u vriendelijk de stichting een loonbelastingnr te willen toekennen. Met onze accountant (M&Y) bekijken we momenteel of er te rekenen vanaf 1 juli ’99 2 à 3 mensen op de loonlijst gezet kunnen worden. Het kan ook zo zijn natuurlijk dat het pas zal kunnen ingaan per 1/1/2000. (…)”

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil was of de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil was primair toegespitst op de vraag of met ingang van 2000 sprake is van een fictieve dienstbetrekking in de zin van artikel 4, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) tussen eiseres enerzijds en D en D-Y anderzijds (het zogeheten pseudowerknemerschap).

3.2. Eiseres voert aan dat geen sprake kan zijn van loonheffing omdat er geen sprake was van een dienstbetrekking tussen de bestuursleden en de (toenmalige) stichting. Van pseudowerknemerschap kon evenmin sprake zijn nu daarvoor tot en met 2000 gold dat de beoogde inhoudingsplichtige en de beoogde werknemers hiertoe een gezamenlijk schriftelijk verzoek bij de inspecteur moesten indienen en verweerder daarop ingevolge artikel 2g, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (Uitv. Besl. LB) (tekst tot en met 2000) bij voor bezwaar vatbare beschikking diende te beslissen. Een dergelijk verzoek is niet ingediend. De brief van 29 december 1999 kan niet als een dergelijk verzoek worden aangemerkt. Verweerder heeft ter zake bovendien geen voor bezwaar vatbare beschikking afgegeven, aldus eiseres.

3.3. Verweerder heeft zich ter zitting bij het standpunt van eiseres aangesloten en alsnog erkend, dat geen sprake is van pseudowerknemerschap en de naheffingsaanslag derhalve ten onrechte is opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

Dienstbetrekking

4.1. Verweerder heeft erkend dat geen sprake is van een dienstbetrekking in de zin van de Wet LB tussen eiseres en de bestuursleden D-Y en D. De rechtbank heeft geen aanleiding partijen in hun eensluidend standpunt niet te volgen. Dit betekent dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard.

Heffingsrente

4.2. Aangezien de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, slaagt ook het beroep tegen de beschikking heffingsrente. De rechtbank zal die beschikking ook vernietigen.

5. Proceskosten

5.1. Nu het beroep gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van het forfaitaire tarief af te wijken. Eiseres heeft verzocht om toekenning van de integrale proceskosten zowel voor de bezwaarfase als voor de beroepsfase en voert daartoe aan dat de definitieve standpuntbepaling van de Belastingdienst omtrent de (on)zuiverheid van de pensioenregeling, die eiseres aan de bestuursleden heeft toegekend en die aanleiding vormde voor de naheffing, onevenredig lang heeft geduurd en voorts dat de beslistermijn van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is overschreden.

5.2. In beroep is bij de beoordeling of een partij recht heeft op vergoeding van kosten op grond van artikel 8.75, eerste lid van de Awb, artikel 7.15, tweede tot en met het vierde lid, van de Awb van toepassing.

Met betrekking tot de kosten van de bezwaarfase geldt dan dat op grond van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek dient te worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaarschrift heeft beslist. Eiseres heeft in de bezwaarfase niet om vergoeding van de gemaakte kosten verzocht. Reeds daarom heeft eiseres geen recht op vergoeding van proceskosten voor de bezwaarfase, wat er ook zij van de stellingen van eiseres dat de standpuntbepaling van verweerder omtrent de (on)zuiverheid van de pensioenregeling tot aan de uitspraak op bezwaar onevenredig lang heeft geduurd en verweerder de termijn genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb zou hebben overschreden.

5.3. Ten aanzien van de proceskosten voor de beroepsfase overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres heeft geen argumenten aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat in casu sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase derhalve een forfaitaire kostenvergoeding zal worden toegekend.

Deze kosten zijn op de voet van het Besluit vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse die de heer D, in zijn hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van eiseres, heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen. De rechtbank stelt deze kosten op € 23.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 897;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. S.K.A. Efstratiades, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.