Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR0252

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
498531 / CV EXPL 11-1913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering wegens nietig ontslag. Dringende reden? Geen bewijsopdracht met betrekking tot de precieze gang van zaken. De vordering wordt toegewezen, nu de gedragingen van eiser, gelet op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, niet de sanctie van ontslag op staande voet rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0564
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.:498531 / CV EXPL 11-1913

datum uitspraak: 30 juni 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTE[eiser]

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser in conventie

gedaagde in voorwaardelijke reconventie

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. A. van Deuzen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] B.V.

te Obdam

gedaagde in conventie

eiseres in voorwaardelijke reconventie

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde: mr A. Oonk

De procedure

[eiser] heef [gedaagde] gedagvaard op 25 januari 2011. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld. [eiser] heeft daarop schriftelijk geantwoord. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 21 april 2011 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 30 mei 2011. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

a [Gedaagde] is een onderneming die zich bezighoudt met de fabricage van en groothandel in rolluiken en zonweringen.

b. [eiser], 46 jaar oud, is op 3 april 2002 bij [gedaagde] in dienst getreden. Hij was werkzaam als productiemedewerker voor een salaris van € 1.805,75 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

c. Op 27 september 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de directeur van [gedaagde], [[XXX], en [eiser]. In dat gesprek is de verhouding tussen [eiser] en de productieleider[YYY] aan de orde geweest.

d. Bij aangetekende brief van 1 oktober 2010 heef [gedaagde] aan [eiser] het volgende geschreven: ‘Vandaag heeft mijn productieleider, de [YYY], u gevraagd om werkzaamheden te gaan verrichten op de afdeling rolluiken. Dit in verband met het onvoldoende voorhanden zijn van werkzaamheden op de afdeling screens, waar u werkzaam was. Hij heeft u dit meermaals gevraagd, te weten om 7.50 uur en om 8.20 en om 9.30. U weigerde gehoor te geven aan zijn oproep, werd zelfs agressief en bejegende hem onheus. Ik kan uw gedrag in dezen niet accepteren. U krijgt hierbij een officiële waarschuwing in verband met werkweigering en wij zullen de loondoorbetaling met onmiddellijke ingang stopzetten. Ik maan u hierbij om uw werkzaamheden per aanstaande maandag te hervatten. Doet u dit niet dan zijn wij genoodzaakt zwaardere maatregelen te treffen, waarbij ontslag op staande voet niet uitgesloten moet worden.’

e. Bij brief van 4 oktober 2010 heef [gedaagde] aan [eiser] het volgende geschreven: ‘U heeft hiervoor afgelopen vrijdag een brief ontvangen waarin wij aangaven de loondoorbetaling stop te zetten in verband met werkweigering. Daarnaast hebben wij aangegeven dat als u vandaag, 4 oktober, uw werkzaamheden niet zou hervatten wij genoodzaakt waren tot ontslag op staande voet. De inhoud van deze brief met de mogelijke consequenties heb ik vanochtend in een gesprek om 08.45 uur met u besproken. Vandaag 4 oktober heb ik moeten constateren dat u wederom weigert orders van de heer [YYY] en van de voorman rolluiken aan te nemen en uit te voeren. Daarmee weigert u wederom werk. In een nieuw gesprek om 10.30 uur vandaag heb ik u mondeling wederom gewezen op de consequenties van dit gedrag. U blijft echter weigeren te luisteren naar de heer [YYY] en de voorman rolluiken. Zoals vanochtend met u besproken rest ons dan ook slechts een maatregel namelijk ontslag op staande voet met onmiddellijke ingang. Dat betekent dat uw arbeidsovereenkomst eindigt per 4 oktober 2010.’

f. Bij brief van 15 oktober 2010 heeft de gemachtigde van [eiser] de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

g. Op 6 april 2011 heeft [ZZZ], productiemedewerker, het volgende verklaard: ‘Om kwart voor acht ongeveer kwamen de productieleider en zijn plaatsvervanger aan de tafel staan van [eiser], waarna [eiser] direct begon te schreeuwen dat ie weg moest gaan. De productieleider vroeg hem of hij op een andere afdeling wou gaan werken. (…) En toen ging hij heel dicht bij de productieleider staan en fluisterde iets in zijn oor en gaf hem hierna een duw waarna de productieleider viel’.

h. Op 6 april 2011 heeft [AAA], productiemedewerker, het volgende verklaard: ‘Om even voor achten zijn [YYY] en [BBB] naar [eiser] toe gelopen waarop [eiser] gelijk zei dat [YYY] weg moest gaan. [YYY] vroeg hem of hij een andere afdeling wilde gaan werken en probeerde dit meerdere keren. Waarna [eiser], [YYY] voor meerdere dingen uitmaakten zoals dat hij niets te vertellen heeft. Kort daarna is [eiser] heel dicht tegen [YYY] aan gaan staan en fluisterde iets in zijn oor. (…) Op dat moment gaf [eiser] [YYY] een duw waarna [YYY] viel.’

i. Op 6 april 2011 [BBB]] magazijnmedewerker en plaatsvervangend productieleider, het volgende verklaard: ‘Om 07.45 wordt ik verzocht door de productieleider om met hem mee te lopen naar [eiser]. Dit in verband met eventuele getuigen verklaringen omdat hem gevraagd zou worden om op een andere werkplek in de productie hal te gaan staan. (…) [eiser] laat merken dat hij niet gecharmeerd is van de aanwezigheid van de productieleider in zijn gebied. (…) [eiser] (…) ging naar zijn oor toe en fluisterde iets wat ik niet kon verstaan waarna hij de PL een duw gaf en hij op de grond viel’.

j. Op 6 april 2011 heeft [YYY] (hierna: [YYY]), productieleider, het volgende verklaard: ´Om 7.45 ben ik samen met mijn plaatsvervanger naar de heer [eiser] gegaan om hem te vragen of hij op de afdeling rolluiken wilde gaan werken IVM geen werkzaamheden in de afdeling screens. Voor ik überhaupt iets kon zeggen begon de heer [eiser] al heel agressief WEG WEG WEG meerdere malen te roepen (…) Na dit moment is de heer [eiser] naar mij toe gelopen en te dicht voor mij gaan staan. Hij heeft alles nogmaals herhaald in mijn oor en voegde nog toe, en ik citeer ‘wil je me pijpen’ (…) Op dat moment geeft de heer [eiser] mij een duw en viel ik op de grond.’

h. Op verzoek van partijen heeft op 31 mei 2010 voorafgaand aan de comparitie van partijen tevens de mondelinge behandeling van het door [gedaagde] ingediende verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst plaatsgevonden. Bij beschikking van 8 juni 2011 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden met ingang van 15 juni 2011en aan [eiser] een vergoeding van € 7.000,-- toegekend.

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) veroordeling va [gedaagde] tot betaling van het salaris ter hoogte van € 1.805,75 bruto per maand vanaf 4 oktober 2010 totdat rechtsgeldig een einde zal zijn gekomen aan de arbeidsovereenkomst, alsmede veroordeling va [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging van artikel 7: 625 BW ter hoogte van 50%, de wettelijke rente over het salaris en de wettelijke verhoging, en veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[eiser] stelt dat aan het ontslag op staande voet van 4 oktober 2010 geen dringende reden ten grondslag ligt. [eiser] stelt dat hij op 27 september 2010 met de directeur van [gedaagde] heeft afgesproken dat hij geen instructies van [YYY] zou krijgen. Desondanks heeft [YYY] hem op 1 oktober 2010 een aantal malen benaderd en hem instructies gegeven. [eiser] wilde daarvan niet weten. [eiser] betwist dat hij [YYY] onheus heeft bejegend en dat hij [YYY] heeft geduwd. Op 4 oktober 2010 heeft directeur [XXX] [eiser] gezegd dat hij instructies van [YYY] moest opvolgen. [eiser] heeft zich toen wederom beroepen op de afspraak die hij met [XXX] had gemaakt. [eiser] is vervolgens naar buiten gestuurd. In het vervolggesprek is [eiser] op staande voet ontslagen.

Het verweer en de voorwaardelijke vordering in reconventie. [Gedaagde] betwist de vordering. Zij erkent dat [eiser] op 27 september 2010 na een periode van arbeidsongeschiktheid aan directeur [XXX] kenbaar heeft gemaakt dat hij alleen nog via zijn collega’s met zijn direct leidinggevende [YYY] wilde communiceren. [gedaagde] betwist evenwel dat partijen hieromtrent een afspraak hebben gemaakt. Op

1 oktober 2010 heeft [eiser] zonder deugdelijke reden geweigerd gehoor te geven aan het verzoek van zijn leidinggevende [YYY] om op een andere afdeling te werken. Vervolgens heeft [eiser] [YYY] agressief bejegend, waarbij hij [YYY] heeft geduwd waardoor [YYY] ten val is gekomen. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde] naar de hierboven weergegeven verklaringen van de medewerkers. [gedaagde] heeft de gebeurtenissen van die dag schriftelijk aan [eiser] bevestigd. [Gedaagde] heeft [eiser] de rest van de dag vrij gegeven.

Op (maandag) 4 oktober 2010 heeft [eiser] zich wederom gemeld bij [gedaagde]. Op die dag heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [XXX]. [XXX] heeft [eiser] gezegd dat hij instructies van [YYY] moest opvolgen en dat als hij dat niet zou doen, ontslag op staande voet zou volgen. Vervolgens heeft [XXX] het gesprek geschorst. Even later is de bespreking met [YYY] erbij hervat. In dat gesprek heeft [eiser], aldus [gedaagde], opnieuw aangegeven dat hij geen instructies van [YYY] wilde ontvangen. Vervolgens heeft [gedaagde] [eiser] op staande voet ontslagen wegens werkweigering en het onheus bejegenen van zijn leidinggevende.

Omdat [gedaagde] van oordeel is dat er een dringende reden is voor het ontslag op staande voet op 4 oktober 2010 is [eiser] jegens [gedaagde] op grond van artikel 7:677 BW jo 7:680 BW schadeplichtig. [Gedaagde] vordert dan ook in voorwaardelijke reconventie een totaalbedrag van € 3.899,94 aan gefixeerde schadeloosstelling.

Het verweer in voorwaardelijke reconventie

[eiser] heeft als primair verweer aangevoerd dat de vordering van [gedaagde] verjaard is, omdat [gedaagde] haar beroep op de gefixeerde schadevergoeding niet binnen zes maanden heeft gedaan. Subsidiair voert [eiser] aan dat het ontslag op staande voet nietig is, zodat op [gedaagde] een loondoorbetalingsverplichting rust en aldus niet aan de gefixeerde schadeloosstelling kan worden toegekomen.

De beoordeling

1. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of aan het ontslag van [eiser] op 4 oktober 2010 door [gedaagde] een dringende reden ten grondslag ligt. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden voor de werkgever sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij dient te worden betrokken de aard en de ernst van wat de werkgever als dringende reden aanmerkt, de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

2. Voorop oordeelt de kantonrechter dat partijen van mening verschillen over wat zich precies heeft voorgedaan op 1 en 4 oktober 2010, alsmede over de vraag of een afspraak bestaat tussen [eiser] en [gedaagde] dat [eiser] geen instructies van [YYY] zou krijgen. De kantonrechter zal ten einde duidelijkheid te verkrijgen evenwel geen bewijs aan een van partijen opdragen met betrekking tot de gebeurtenissen op 1 en 4 oktober 2010 en het bestaan van‘de afspraak’. De kantonrechter is van oordeel dat, ook al zou vast komen staan dat de weergave van [gedaagde] de juiste is en eveneens dat ‘de afspraak’, zoals [gedaagde] heeft betoogd, niet bestaat, het middel van ontslag op staande voet dat [gedaagde] heeft gehanteerd in het voorliggende geval een te zwaar middel is.

3. Als de visie van [gedaagde] wordt gevolgd, dan heeft [eiser] op 1 oktober 2010 geweigerd naar zijn leidinggevende, [YYY], te luisteren, in welke weigering hij op

4 oktober 2010 heeft volhard, dan heeft [eiser] op 1 oktober 2010 ‘iets (lelijks)’ in het oor van [YYY] gefluisterd en heeft [eiser] [YYY] op 1 oktober 2010 een duw gegeven.

4. Deze daden en gedragingen van [eiser] zijn dan weliswaar niet netjes, maar kwalificeren naar het oordeel van de kantonrechter niet als dringende redenen die tot gevolg hebben dat van [gedaagde] niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. De gedragingen op zich zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet ernstig genoeg en bovendien gedeeltelijk incidenteel. Mede van belang is dat [eiser] sinds

3 april 2002 bij [gedaagde] in dienst is en dat niet gesteld of gebleken is dat [eiser] tot de gebeurtenissen op 1 oktober 2010 niet goed heeft gefunctioneerd of dat zich in de loop van het dienstverband vergelijkbare incidenten hebben voorgedaan.

5. Tevens speelt een rol dat [eiser] op 27 september 2010 na een (langere) periode van arbeidsongeschiktheid weer aan het werk is gegaan en dat hij op die dag met directeur [XXX] heeft gesproken over zijn verhouding met [YYY]. [Gedaagde] wist aldus dat de verhouding tussen [eiser] en [YYY] lastig was en dat deze verhouding mogelijk tot problemen zou leiden.[YYY]aagde] heeft er toen niet voor gekozen op dat moment aan een constructieve oplossing te werken, maar heeft het er - overigens net als [eiser] - op aan laten komen. [YYY] nam immers op 1 oktober 2010 niet voor niets een getuige mee naar de werkplek van [eiser] (vgl. de verklaringen van [YYY] en van [BBB] van 6 april 2011). Op 4 oktober 2010 was het een herhaling van zetten. Er was naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een nieuwe werkweigering. [eiser] volhardde slechts in zijn standpunt dat hij geen instructies van [YYY] wilde opvolgen. Op 4 oktober 2010 had [gedaagde] nog voldoende andere mogelijkheden dan ontslag op staande voet. Ontslag op staande voet was, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in dit geval een te zware sanctie.

6. Het voorgaande betekent dat de loonvordering van [eiser] zal worden toegewezen. [Gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht de loonvordering te matigen, omdat niet gebleken is dat [eiser] daadwerkelijk weer bij [gedaagde] aan de slag zou willen en dat hij, gelet op het aantal vacatures voor productiemedewerker in de regio, gemakkelijk elders aan de slag kan. De kantonrechter passeert dit beroep van [gedaagde]. [Gedaagde] had haar financiële risico kunnen beperken door eerder een ontbindingsverzoek voor zover vereist in te dienen. [eiser] heeft immers negen dagen na het ontslag op staande voet de nietigheid ingeroepen. [Gedaagde] wist aldus toen al dat [eiser] het er niet bij zou laten zitten.

7. Verder heeft [gedaagde] zich beroepen op de slechte bedrijfseconomische omstandigheden waarin zij zich bevindt. De kantonrechter zal eveneens voorbij gaan aan dit beroep van [gedaagde], omdat [gedaagde] haar standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft weliswaar een verklaring van haar accountant overgelegd, waarin, kort samengevat, staat dat de onderneming in 2010 in technische zin failliet was en dat de accountant de zorg over het voortbestaan van de onderneming deelt, maar jaarcijfers over de afgelopen drie jaren en een prognose die het standpunt van [gedaagde] en dat van de accountant hadden kunnen onderbouwen, ontbreken. Wel zal de kantonrechter de wettelijke verhoging matigen tot 20%.

8. Aan de voorwaardelijke eis in reconventie komt de kantonrechter niet toe; de voorwaarde dat de vorderingen van [eiser] in conventie worden afgewezen is immers niet vervuld.

9. De wettelijke rente zal worden toegewezen. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat deze in het ongelijk wordt gesteld. Omdat aan [eiser] een toevoeging is verleend heeft de griffier verschotten voor exploten en oproepingen voldaan. [Gedaagde], die in het ongelijk wordt gesteld, dient deze verschotten op grond van artikel 27 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken aan de griffier te betalen.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van het salaris ter hoogte van € 1.805,75 bruto per maand vanaf 4 oktober 2010 totdat rechtsgeldig een einde zal zijn gekomen aan de arbeidsovereenkomst;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging van artikel 7: 625 BW over het toegewezen salaris ter hoogte van 20%:

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over het salaris en de wettelijke verhoging vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 76,31

griffierecht € 71,00

salaris gemachtigde € 600,00

- bepaalt dat [gedaagde] de verschotten voor exploten en oproepingen, waaronder die van de dagvaarding, die de griffier heeft betaald, voldoet aan de griffier door overmaking op rekeningnummer RBS 56.99.90.629 ten name van MvJ arrondissement Haarlem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.