Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR0193

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
AWB 09-2912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhavingsverzoek tegen bepaalde activiteiten op een afvalstortplaats. Deze activiteiten vallen onder het bestemmingsplan, zodat geen sprake is van een overtreding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2011/44 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 2912

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder,

derde partij,

Afvalzorg Deponie B.V. ,

gevestigd te Assendelft,

gemachtigde: mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij brief van 4 oktober 2007 heeft eiser verweerder verzocht om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen jegens de derde partij. Het verzoek had betrekking op door de derde partij uitgevoerde activiteiten op de afvalstortplaats in de [naam] polder die volgens eiser in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Bij brief van 19 december 2007 heeft eiser zijn verzoek aangevuld.

Bij besluit van 3 maart 2008 heeft verweerder het verzoek van 4 oktober 2007 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 april 2008 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 april 2008 heeft verweerder het aanvullende verzoek van 19 december 2007 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 mei 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 juni 2009, aangevuld bij brief van 31 augustus 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 30 maart 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.S. Abdoelkarim, R. Geerling en G. van de Graaf, bijgestaan door de gemachtigde. De derde partij is vertegenwoordigd door [naam] directeur, [naam], jurist, en [naam], adviseur Strategie, bijgestaan door haar gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank ziet zich zowel ambtshalve als naar aanleiding van hetgeen door de derde partij hieromtrent is betoogd, gesteld voor de vraag of eiser kan worden aangemerkt als belanghebbende bij zijn verzoek tot handhaving jegens de derde partij.

2.2 Ingevolge artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder een beschikking verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3 De derde partij stelt dat de woning van eiser op 300 meter van de rand van de afvalstortplaats staat en dat eiser, daar hij onder aan een dijk woont, geen direct zicht heeft op de stortplaats. Zijn zicht op de stortplaats wordt ook belemmerd door enkele andere woningen. Naar de mening van de derde partij kan eiser in deze situatie niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij zijn verzoek tot handhaving en dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.

2.4 Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2010 (201002551/1/H1, LJN: BO1160) vloeit voort dat indien de aanwezigheid van een bedrijf gevolgen kan hebben voor het woon- en leefklimaat van een omwonende, deze moet worden geacht rechtstreeks in zijn belangen te worden geraakt door een besluit op zijn verzoek om handhavend op te treden tegen met het bestemmingsplan strijdig gebruik door dat bedrijf. Op grond van het besprokene ter zitting acht de rechtbank het aannemelijk dat ter plaatse van de woning van eiser gevolgen van het in werking zijn van de stortplaats kunnen worden ondervonden. Dit betekent dat eiser met betrekking tot zijn verzoek om handhaving jegens de derde partij moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.5 Op de gronden waarop de afvalstortplaats zich bevindt is het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ van toepassing. Deze gronden zijn daarin bestemd voor recreatieve groenvoorziening.

2.6 In artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat als afwijkend gebruik een tijdelijke aanwending als vuilstortplaats is toegestaan, met de daarbij behorende bouwwerken, waterkerende en zuiveringstechnische voorzieningen en overige werken. In het tweede lid van artikel 8 is bepaald dat bij de tijdelijke aanwending als vuilstortplaats de volgende voorwaarden in acht moeten worden genomen:

1. de gronden mogen worden aangewend voor het storten van afval uit de regio voor zover dit niet voor hergebruik, verbranding, of reiniging in aanmerking komt en dat afkomstig is uit de regio die in het provinciale Afvalstoffenplan Noord-Holland 1989-1994 nader is bepaald;

2. slechts afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen waarvoor op grond van de Wet milieubeheer vergunning is verleend mogen worden gestort;

3. de stortcapaciteit niet meer zal bedragen dan 3,5 miljoen m³;

4. de stortlocatie zal worden ingericht conform de eisen, zoals verwoord in het Stortbesluit Bodembescherming (Staatsblad 55-1993);

5. als minimale hoogte dient 6,70 m + NAP (inclusief 2 m bovenafdichtingsconstructie) te worden aangehouden. De maximale hoogtes zijn de hoogtes van de op te richten stortheuvels, inclusief de afdichtingsconstructie. Deze staan op de plankaart aangegeven.

2.7 Eiser stelt dat de derde partij in strijd met de hiervoor genoemde bepaling van het bestemmingsplan niet alleen afval stort, maar op de afvalstortplaats ook afvalbewerkende en afvalverwerkende activiteiten uitvoert.

2.8 Verweerder stelt dat uit de bestemmingsplanvoorschriften en uit de plankaart en toelichting op het bestemmingsplan niet eenduidig blijkt of onder stortactiviteiten tevens afvalbewerkende en -verwerkende activiteiten moeten worden begrepen. Deze activiteiten zijn wel begrepen in de milieuvergunning van de derde partij voor de inrichting van de vuilstortlocatie. Uit de plantoelichting kan volgens verweerder wel worden afgeleid dat de activiteiten die ten tijde van de totstandkoming van de plantoelichting plaatsvonden op grond van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd. Het storten van afval vindt al zeker sinds 1985 plaats, aldus verweerder. Overige activiteiten, zoals biologische reiniging, natte reiniging, op- en overslag van grond- en bouwstoffen, puinbreken en baggerspecieverwerking, vinden sinds 1995 plaats en zijn niet opgesomd in de plantoelichting. Verweerder stelt ten aanzien hiervan dat de term 'huidige situatie' in de plantoelichting betrekking heeft op het moment dat gedeputeerde staten het bestemmingsplan hebben goedgekeurd, hetgeen op 26 juni 1996 is gebeurd. Omdat het bewerken en verwerken van afval sinds 1995 en dus vóór het goedkeuringsbesluit op de vuilstort plaatsvindt, passen deze activiteiten in het bestemmingsplan, aldus verweerder. Ook naar huidige maatstaven zouden volgens verweerder be- en verwerkingsactiviteiten onder stortactiviteiten vallen.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser niet bestreden heeft dat er ten tijde van het tot stand komen van het bestemmingsplan op de stortplaats al afvalbewerkende en -verwerkende activiteiten plaatsvonden, de hier aan de orde zijnde bepaling van het bestemmingsplan niet zo beperkt moet worden uitgelegd als door eiser wordt gedaan. Verweerder heeft daarom terecht in het door eiser hierover aangevoerde geen aanleiding gezien voor handhavend optreden. Aan een beoordeling van het subsidiaire betoog van verweerder dat er een concreet zicht is op legalisatie, komt de rechtbank daarom niet toe.

2.10 Eiser stelt voorts dat in strijd met het bestemmingsplan op de stortplaats Nauerna ook afval wordt gestort dat afkomstig is uit andere regio’s dan genoemd zijn in het provinciale Afvalstoffenplan provincie Noord-Holland 1989-1994.

2.11 Verweerder stelt hiertegenover dat de voorwaarde in het bestemmingsplan, dat het te storten afval afkomstig dient te zijn uit de regio die in het provinciale Afvalstoffenplan Noord-Holland 1989-1994 nader is bepaald, achterhaald is omdat per 1 januari 2000 de provinciegrenzen voor het storten van afval zijn opgeheven. Bovendien is het voorschrift volgens verweerder onverbindend omdat het planologisch niet relevant is.

2.12 De rechtbank stelt vast dat volgens vaste rechtspraak op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) voorschriften in een bestemmingsplan moeten dienen ter behartiging van het belang van een goede ruimtelijke ordening, en dus gestoeld moeten zijn op ruimtelijke relevante overwegingen en criteria. De herkomsteis voor het afval zou wellicht een ruimtelijk relevant voorschrift kunnen zijn, wanneer daardoor de maximale hoeveelheid afval op het perceel zou worden begrensd. De hoeveelheid afval die maximaal mag worden gestort, wordt echter begrensd door het voorschrift in het bestemmingsplan waarin is bepaald dat maximaal 3,5 miljoen m³ mag worden gestort. De rechtbank acht het voorschrift met betrekking tot de regio waaruit het te storten afval afkomstig mag zijn daarom planologisch niet relevant. Dat betekent dat ook dit voorschrift geen basis kan zijn voor handhavend optreden tegen de derde partij.

2.13 Tot slot stelt eiser dat het bestemmingsplan en de milieuvergunning niet met inachtneming van het 'Voorontwerp voor de eindbestemming van het afvalstort in de [naam] polder' uit 1993 tot stand zijn gekomen, en dat diverse uitvoeringsaspecten die in het voorontwerp waren opgenomen, waaronder het op hoogte brengen van enkele compartimenten, het afdichten van delen van het stort en het realiseren van voorzieningen voor recreatie en voor de ontwikkeling van natuur en landschap, nog altijd niet zijn uitgevoerd.

2.14 Verweerder acht het voorontwerp niet relevant voor de vraag of er sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan en of er handhavend moet worden opgetreden. Dat in de toelichting op het bestemmingsplan is verwezen naar het voorontwerp, betekent nog niet dat het voorontwerp het rechtens relevante toetsingskader is. Bepalend zijn alleen de planvoorschriften (en de toelichting) uit het bestemmingsplan. Aangezien het bestemmingsplan onherroepelijk is, kan de vermeende strijdigheid tussen het bestemmingsplan en het voorontwerp niet meer aan de orde komen.

2.15 De rechtbank acht deze reactie van verweerder juist. Ook de laatstgenoemde beroepsgrond kan daarom geen basis zijn voor handhavend optreden tegen de derde partij.

2.16 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. A.C. Terwiel - Kuneman en mr. drs. L. Beijen, leden, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.