Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ9883

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
11/2900 & 11/2283
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wabo. Omgevingsvergunning voor meerdere omgevingsvergunningplichtige activiteiten voor de uitvoering van een tijdelijke bouwweg. Gelet op de gegeven motivering heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tijdelijke gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan zoals voorzien in dit project, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist nu het met het bestemmingsplan strijdige gebruik betrekking heeft op een activiteit voor een bepaalde termijn zoals bedoeld in artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11 - 2900 (voorlopige voorziening) en AWB 11 – 2283 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juni 2011

in de zaak van:

[verzoekers] e.a.,

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde: mr. G.J.G. Bolderman, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Waterland,

verweerder,

derde partij,

Algemene Woningbouwvereniging Monnickendam (AWM),

gevestigd te Monnickendam,

gemachtigde: mr. M. van Langeveld, advocaat te Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2011, verzonden op 13 april 2011, heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de uitvoering van een project dat bestaat uit het aanleggen van een tijdelijke bouwweg naar woningbouwproject Trambaan, het bouwen van bijbehorende hekwerken en het maken van een uitweg op de locatie gelegen tussen Atjehgouw en Eilandweg te Broek in Waterland.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 21 april 2011 beroep ingesteld. Bij brief van 25 mei 2011 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 juni 2011, alwaar verzoeker [verzoeker] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door F.J. van der Tol, M. Zwaag en P.M. Sountheranayagam. De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [derde partij], bijgestaan door mr. M. van Langeveld.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en zij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Bij besluit van 7 april 2011 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de uitvoering van een project dat bestaat uit de volgende activiteiten:

- het bouwen van een bouwwerk zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid sub a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

- het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of van werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid sub b, van de Wabo;

- het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo;

- het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan veranderen zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, sub e, van de Wabo.

Ten behoeve van de vergunning is op grond van artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo afgeweken van artikel 9 en artikel 21 van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied.”

Aan de omgevingsvergunning is voorts de voorwaarde verbonden dat zij, op grond van artikel 5.16, eerste lid, sub a, en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) slechts voor een termijn van maximaal 3 jaar zal gelden vanaf het moment van inwerkingtreding van de omgevingsvergunning.

2.3 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of alle verzoekers als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zijn bij de beoordeling van de vraag of iemand belanghebbend is bij een besluit als het onderhavige, de afstand tussen het woonperceel van verzoekers en het bouwplan en het al dan niet hebben van zicht op het bouwwerk belangrijke criteria. De voorzieningenrechter heeft aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting vastgesteld dat alle verzoekers, op mr. G.J.G. Bolderman na, op een afstand van circa 100 meter van de te realiseren tijdelijke bouwweg wonen en/of vanaf hun woonperceel in meer of mindere mate zicht daarop zullen hebben. Voorts is tussen partijen geen onderwerp van debat dat de tijdelijke bouwweg voor de duur van drie jaar enige impact zal hebben op de ruimtelijke uitstraling van de directe omgeving van verzoekers. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn hierin voldoende aanknopingspunten gelegen om de belanghebbendheid van deze verzoekers aan te nemen. Mr. G.J.G. Bolderman woont op een grotere afstand van de te realiseren tijdelijke bouwweg en zal hierop, naar het zich laat aanzien, geen zicht hebben. Hij wordt door de voorzieningenrechter niet als belanghebbende maar als gemachtigde van verzoekers aangemerkt.

2.4 Verzoekers voeren ten eerste een aantal formele gronden aan die als volgt kunnen worden samengevat:

- verweerder heeft nagelaten een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad te verkrijgen terwijl dit wel is vereist;

- er bestaat een discrepantie tussen de tekening behorende bij de aanvraag om omgevingsvergunning en hetgeen is vergund;

- het adres zoals vermeld op de ontwerp-omgevingsvergunning als adres voor de tijdelijke bouwweg dekt niet de situering van de tijdelijke bouwweg zoals vergund;

- de kennisgeving van de ontwerp omgevingsvergunning is onjuist, onvolledig en misleidend nu daarin een andere kadastrale omschrijving staat beschreven dan in de aanvraag en de ontwerp omgevingsvergunning;

- de aanvraag voldoet niet aan de indieningsvereisten van artikel 4.4 van het Bor;

- verzoekers noch hun advocaat hebben het besluit toegezonden gekregen zoals vereist onder artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Awb;

- op 12 april 2011 is een nieuwe ter inzage periode gestart met betrekking tot het besluit terwijl verzoekers hier, in strijd met artikel 3:43 en 3:44 van de Awb, geen mededeling over hebben ontvangen.

2.5 Het betoog dat ten behoeve van dit project geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is verkregen zoals vereist op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor treft geen doel.

De verleende omgevingsvergunning ziet – onder meer – op het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en is met toepassing van artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid en onder a, onder 3°, van de Wabo verleend. De verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op een activiteit voor een bepaalde termijn.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid en onder a, onder 3°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke onderbouwing en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid van artikel 2.12, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo de vergunning, voor zover zij betrekking heeft op een activiteit voor een bepaalde termijn, worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In artikel 6.5, derde lid, van het Bor staat – voor zover van belang – beschreven in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het bestemmingsplan (…) niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij hiertegen geen bedenkingen heeft. In dit artikel wordt niet verwezen naar omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van het tweede lid van artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo voor een bepaalde termijn wordt afgeweken van het bestemmingsplan. In onderhavig geval was een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad derhalve niet vereist.

2.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de overige door verzoekers aangestipte formele aspecten, voor zover zij als gebreken dienen te worden beschouwd, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb ter zijde kunnen worden gelaten nu uit het procesdossier en uit het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld. Verweerder heeft voldaan aan de voor hem geldende publicatieplicht. Verzoekers hebben hun zienswijzen en beroep tijdig kunnen indienen waarbij aannemelijk is dat voor hen na inzage van de stukken voldoende inzichtelijk is geweest waar de aanvraag om omgevingsvergunning op ziet.

2.7 Verder voeren verzoekers aan dat het bestreden besluit onredelijk bezwarend is en in strijd met een goede ruimtelijke onderbouwing. Een goede ruimtelijke onderbouwing brengt met zich dat alternatieven beoordeeld worden voor het aanvoeren van bouwmateriaal naar woningbouwproject Trambaan. De gekozen optie is volgens verzoekers niet uitvoerbaar nu voor de hand ligt dat het hier bouwverkeer betreft met een gewicht van meer dan 7 ton per vrachtwagen terwijl de wegen en brugconstructies over de gekozen route niet mogen worden belast met meer dan 7 ton per voertuig. Ook is de gekozen optie volgens verzoekers qua (verkeers)veiligheid, overlast voor omwonenden, flora- en fauna (op de weilanden waarover de tijdelijke bouwweg uitgevoerd zal worden bevinden zich veel weidevogels), hinder en economische uitvoerbaarheid niet het meest voordelig. Verzoekers achten het gekozen traject van de tijdelijke bouwweg, in vergelijking tot de aanwezige alternatieven, dan ook onbegrijpelijk.

2.8 De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1. eerste lid en onder c, van de Wabo te verlenen behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft. Hieruit vloeit voort dat de (voorzieningen)rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot zijn besluit om toestemming te verlenen heeft kunnen komen.

2.9 Het project is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing in de vorm van de bijlage bij de besluitvorming “Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke bouwweg gemeente Waterland” van BK Ruimte & Milieu BV 23 december 2010. Voorts maken een verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng, een quick scan ecologie bouwontsluitingsweg van Els & Linde B.V., een rapportage quickscan archeologie van ADC ArcheoProjecten en het document “Motivering aanleg tijdelijke bouwweg behorende bij de omgevingsvergunning aanleg tijdelijke bouwweg ten behoeve van project “De Trambaan” te Broek in Waterland” van de ontwikkelaar van 12 november 2010 onderdeel uit van de besluitvorming. Daarnaast is verweerder in de reactienota van zienswijzen van 18 februari 2011 nader ingegaan op de door verzoekers ingebrachte zienswijzen.

2.10 Zoals de ABRvS eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 31 maart 2010 LJN: BL9635) kan, indien het beoogde plan op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren.

2.11 De volgende vier opties zijn bij de voorbereiding van het bestreden besluit bekeken:

1) bouwverkeer leiden door de bebouwde kom van Broek in Waterland (via de Eilandweg);

2) aanleg van een tijdelijke ontsluiting op de provinciale weg;

3) aanleg van een bouwroute over de Atjehgouw;

4) aanleg van een tijdelijke bouwweg aansluitend op de Burgemeester Peereboomweg.

2.12 In de onderliggende stukken bij het bestreden besluit is gemotiveerd uiteengezet om welke redenen de uiteindelijk gekozen optie 4 de meeste geschikte optie is. Ter zitting heeft verweerder een nadere toelichting hierop gegeven. De bouwweg sluit aan op de Burgemeester Peereboomweg ter hoogte van huisnummer 46. De situering is zodanig gekozen dat er weinig tot geen overlast bestaat voor omwonenden. Omdat de weg uitsluitend voor de aanvoer van bouwmaterialen zal worden gebruikt worden er geen veiligheidsproblemen voorzien. Verweerder heeft naar aanleiding van de zienswijzen met betrekking tot het aspect veiligheid bepaald dat de inrit van de tijdelijke bouwweg 5-10 meter dient te verschuiven. Dat op de gekozen route via Zuiderwoude een asbeperking van 7 ton geldt, is geen probleem nu de transporten zullen worden verricht met vrachtwagens met meerdere assen. Aldus kan de aanvoer sneller plaatsvinden met minder overlast voor omwonenden. De conclusie van de ecologische quickscan is dat er geen beschermde planten of dieren aangetroffen of te verwachten zijn en dat geen verklaring van geen bedenkingen in het kader van de Natuurbeschermingswet of de Flora- en Faunawet noodzakelijk zijn. Voor wat betreft de benodigde investering voor de aanleg, het onderhoud en het verwijderen van de bouwweg is dit tevens de meest economisch voordelige optie ten opzichte van de andere 3 opties. De financiële uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd. Ook vanuit archeologisch oogpunt is optie 4 de beste optie gebleken. Gelet op de onderliggende stukken bij het bestreden besluit en verweerders uiteenzetting ter zitting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat bij de door verzoekers verkozen alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren.

2.13 Voor zover verzoekers betogen dat de tijdelijkheid van de bouwweg onvoldoende vast staat, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat onderhavige bouwweg een tijdelijke voorziening betreft en dat de locatie na de voltooiing van het woningbouwproject De Trambaan in de oude staat wordt teruggebracht. Overeenkomstig artikel 2.23, tweede lid, van de Wabo in samenhang met artikel 5.16, eerste lid en onder a, van het Bor is in de omgevingsvergunning voor het bouwen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub a, van de Wabo, bepaald dat zij slechts geldt voor de daarin aangegeven termijn van 3 jaar. In de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit is aangegeven dat het gebied na voltooiing van het nieuwbouwproject in de huidige staat wordt hersteld. De nieuwbouwlocatie zal dan worden ontsloten via de bestaande Eilandweg.

2.14 Gelet op het vorenstaande, en mede in aanmerking genomen de tijdelijke aard van het project, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het tijdelijke gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan zoals voorzien in dit project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.15 Daaruit volgt dat verweerder een omgevingsvergunning zoals omschreven ten behoeve van de tijdelijke bouwweg heeft kunnen verlenen. De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren.

2.16 Nu in de hoofdzaak wordt beslist zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.17 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.