Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ9572

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
483879 CV EXPL 10-12865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag. Gevolgencriterium. Stel- en bewijsplicht werkneemster.

De enkele omstandigheid dat de werkgeefster de arbeidsovereenkomst met de werkneemster heeft opgezegd zonder dat zij ten behoeve van de werkneemster een financiële voorziening heeft getroffen, brengt zonder meer nog niet mee dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Het door werkneemster getoonde gebrek aan belangstelling voor werkneemster tijdens haar ziekte betekent niet dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Tegenover de geringe kansen van werknemster op de arbeidsmarkt, staat dat werkgeefster het dienstverband ruim anderhalf jaar na ommekomst van twee jaar ziekte heeft laten voortbestaan, voordat zij toestemming tot opzegging van dit dienstverband heeft gevraagd. Vast staat ten slotte, dat de ziekte die werkgeefster heeft getroffen niet arbeidsgerelateerd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

Zaak/rolnummer: 483879/CV EXPL 10-12865

Datum uitspraak: 9 juni 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiseres]

te [woonplaats]

eiseres

hierna te noemen: [eiseres]

gemachtigde: SRK Rechtsbijstand

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROUP 4 SECURICOR AVIATION SECURITY B.V.

te Luchthaven Schiphol

gedaagde

hierna te noemen: G4S

gemachtigde: mr. S.W.J. Koenen

De procedure

[eiseres] heeft G4S gedagvaard op 24 september 2010. G4S heeft schriftelijk geantwoord.

Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft [eiseres] schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna G4S nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

De feiten

a. [eiseres], geboren op 8 juli 1951, is op 1 mei 1975 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) G4S. Zij was laatstelijk werkzaam als visiteur op de luchthaven Schiphol tegen een salaris van € 2.447,49 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten.

b. Op 21 december 2005 is [eiseres] arbeidsongeschikt geraakt ten gevolge van kanker.

c. Vanaf 19 december 2007 ontvangt [eiseres] een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.

e. Op 3 april 2009 heeft UWV Werkbedrijf aan G4S een ontslagvergunning voor [eiseres] verleend in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid.

i. Bij brief van 16 april 2009 heeft G4S heeft de arbeidsovereenkomst met [eiseres] opgezegd tegen 1 juni 2009.

k. Bij brieven van 20 november 2009 en 6 mei 2010 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan G4S medegedeeld dat de opzegging van haar dienstverband van [eiseres] kennelijk onredelijk is “onder meer gezien de lengte van haar dienstverband, haar leeftijd en de wijze waarop de re-integratie is verlopen” en G4S verzocht [eiseres] een financiële compensatie te verstrekken voor de “ernstige gevolgen wegens de beëindiging van het dienstverband”.

De vordering

[eiseres] vordert (samengevat):

- een verklaring voor recht dat G4S de dienstbetrekking van [eiseres] kennelijk onredelijk heeft doen eindigen en

- veroordeling van G4S tot betaling aan [eiseres] van € 126.839,74 bruto althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 2.975,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten.

[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

Het aan [eiseres] gegeven ontslag is kennelijk onredelijk, nu de gevolgen daarvan voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van G4S bij de opzegging van haar dienstverband. G4S heeft [eiseres], na een dienstverband van 34 jaar, waarin zij, ondanks zware werkdruk, 30 jaar lang steeds met volle inzet haar werk voor G4S heeft gedaan, geen enkele financiële voorziening aangeboden. De opzegging heeft ernstige financiële gevolgen voor [eiseres]. Zij zal, na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering, vanaf 19 december 2011 terugvallen op een WGA-vervolguitkering, die slechts 35% van het wettelijk minimumloon bedraagt. Met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en/of een bijstandsuitkering zal haar inkomen dan niet meer dan 50% van het minimumloon bedragen. De perspectieven van [eiseres] op de arbeidsmarkt zijn als gevolg van haar ziekte zeer onzeker. Als zij al zover zal opknappen dat zij weer aan het arbeidsproces kan deelnemen, zal het zeer moeilijk, zo niet onmogelijk voor haar zijn ander werk te vinden, gelet op haar leeftijd en haar eenzijdige werkervaring.

Daar komt bij dat G4S zich tijdens de ziekte van [eiseres] niet als een goed werkgeefster heeft gedragen. Pas na drie maanden, in april 2006, heeft het eerste contact met de bedrijfsarts plaatsgevonden. Daarna belde de bedrijfsarts iedere maand en moest [eiseres] telkens weer uitleggen hoe het met haar ging. Dat was uiterst belastend voor [eiseres], die lange tijd chemotherapie-behandelingen moest ondergaan. Pas in juli 2006 werd [eiseres] voor het eerst door haar verzuimcoördinator gebeld. Zij heeft nooit een kaartje of bloemetje van G4S ontvangen en ook haar collega’s lieten niets horen. [eiseres] heeft zich door het gebrek aan belangstelling en steun door G4S in de steek gelaten gevoeld. Niet alleen is dit niet bevorderlijk geweest voor haar herstel, maar hebben zich daardoor bij haar ook ernstige depressieve klachten ontwikkeld, waarvoor zij bij een klinisch psycholoog in behandeling is.

Voorts verwijt [eiseres] G4S dat deze zich niet genoeg heeft ingespannen om [eiseres] te re-integreren. [eiseres] heeft begin 2009 aangegeven dat zij vanaf september 2009 weer een paar uur per week zou willen gaan werken, maar G4S heeft dat steeds afgehouden omdat [eiseres] dat volgens haar ‘niet meer aan zou kunnen’.

De schade die [eiseres] ten gevolge van het kennelijk onredelijke ontslag heeft geleden, bestaat uit het verschil tussen haar laatstgenoten salaris inclusief 8% vakantiegeld, en de loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 1 juni 2009 tot 19 december 2011 en de WGA-vervolg-uitkering vanaf 19 december 2011 tot 8 juli 2016, de 65e verjaardag van [eiseres].

Het gaat bij elkaar om een bedrag van (€ 24.265,49 + € 102.574,25 =) € 126.839,74 bruto.

[eiseres] heeft kosten moeten maken om zich te voorzien van rechtsbijstand. Deze kosten betreffen andere werkzaamheden dan die ter instructie van de zaak en bedragen, conform de kantonrechterstaffel € 2.975,00. Zij dienen voor rekening van G4S te komen.

Het verweer

G4S betwist de vordering. Zij voert (samengevat) het volgende aan.

G4S heeft zich jegens [eiseres] steeds als een goed werkgeefster gedragen. Dat [eiseres] onder zware werkdruk heeft gestaan, heeft zij nooit eerder aan G4S gemeld. Deze omstandigheid kan dan ook niet als onderbouwing van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag dienen. Tijdens de ziekte van [eiseres] heeft G4S [eiseres] niet aan haar lot overgelaten en heeft voldoende belangstelling voor haar getoond. De bedrijfsarts heeft maandelijks contact met [eiseres] gehouden. G4S kan niet aansprakelijk worden gehouden voor het gedrag van de collega’s van [eiseres].

Dat G4S [eiseres] ook de mogelijkheid heeft gegeven om te re-integreren, blijkt al uit het feit dat G4S de ontslagvergunning voor [eiseres] niet al direct na twee jaar ziekte in 2007 heeft aangevraagd, maar daarmee heeft gewacht tot maart 2009. Zij heeft nimmer een verzoek van [eiseres] tot hervatting van haar werkzaamheden geweigerd. Daar komt bij dat de bedrijfsarts op geen enkel moment heeft aangegeven dat [eiseres] haar werkzaamheden daadwerkelijk zou kunnen hervatten. Evenmin heeft het UWV G4S ooit de sanctie van loondoorbetaling opgelegd, hetgeen ongetwijfeld zou zijn gebeurd, indien G4S niet voldoende aan haar re-integratieverplichtingen jegens [eiseres] zou hebben voldaan. [eiseres] heeft in de UWV-procedure nimmer gesteld dat zij zichzelf in staat achtte haar werkzaamheden te hervatten.

De enkele omstandigheid dat [eiseres] ten gevolge van de opzegging van het dienstverband schade lijdt, is niet voldoende om de opzegging als kennelijk onredelijk aan te merken.

De beoordeling van het geschil

1. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor [eiseres] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van G4S bij de opzegging, dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen. De enkele omstandigheid dat de werkgeefster de arbeidsovereenkomst met de werkneemster heeft opgezegd zonder dat zij ten behoeve van de werkneemster een financiële voorziening heeft getroffen, brengt zonder meer nog niet mee dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de voor de werkneemster nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsrelatie geheel of ten dele voor rekening van de werkgeefster dienen te komen. Het is aan [eiseres] om feiten en omstandigheden ten aanzien van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.

2. De kantonrechter volgt [eiseres] niet in haar stelling dat G4S zich niet voldoende heeft ingespannen om haar te re-integreren. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de bedrijfsarts, zoals G4S onbetwist heeft aangevoerd, nooit heeft aangegeven dat [eiseres] in staat was om te re-integreren. Indien [eiseres] daarover anders dacht dan de bedrijfsarts, had het op haar weg gelegen om bij het UWV een deskundigenoordeel (second opinion) aan te vragen. Nu [eiseres] de stelling dat zij er bij G4S op heeft aangedrongen de mogelijkheid te krijgen weer (tijdelijk) aan het werk te gaan, ondanks betwisting niet heeft onderbouwd, kan het verwijt dat G4S onvoldoende inspanningen heeft verricht om [eiseres] te re-integreren, geen doel treffen. Van belang in dit verband is, dat G4S er niet voor heeft gekozen om direct na ommekomst van twee ziektejaren een ontslagvergunning voor [eiseres] aan te vragen, maar nog bijna anderhalf jaar heeft gewacht alvorens die stap te nemen. Hiermee is voor [eiseres] in ieder geval anderhalf jaar langer dan gebruikelijk de mogelijkheid van herstel en daarmee, terugkeer naar haar werkzaamheden voor G4S, gegund.

3. G4S heeft betwist dat zij gebrek aan belangstelling voor [eiseres] heeft getoond tijdens haar arbeidsongeschiktheid. Met [eiseres] is de kantonrechter van oordeel dat de contacten die de bedrijfsarts met [eiseres] heeft gehad, niet kunnen worden gelijkgesteld met de persoonlijke aandacht die van een werkgeefster voor haar arbeidsongeschikte werknemers mag worden verwacht. Dat geldt te meer in het onderhavige geval, waarbij het G4S van meet af aan duidelijk was dat [eiseres] aan een zeer ernstige ziekte leed. G4S heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij belangstelling voor [eiseres] heeft getoond door middel van een ‘kaartje of bloemetje’, dat [eiseres] stelt te hebben ontbeerd. In zoverre is het verwijt dat [eiseres] G4S maakt, gegrond.

4. Dat enkele verwijt leidt echter niet tot de conclusie dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Wel van belang is, dat [eiseres] ruim dertig jaren – naar onbetwist is – tot tevredenheid van (de rechtsvoorgangster van) G4S heeft gewerkt en evenzeer, dat de kansen van [eiseres] op de arbeidsmarkt, gezien haar leeftijd, haar eenzijdige arbeidservaring en haar ziekte, gering zijn te achten. Daar staat evenwel tegenover dat G4S het dienstverband ruim anderhalf jaar na ommekomst van twee jaar ziekte heeft laten voortbestaan, voordat zij toestemming tot opzegging van dit dienstverband heeft gevraagd. Vast staat ten slotte, dat de ziekte die [eiseres] heeft getroffen niet arbeidsgerelateerd is.

Al deze omstandigheden in onderling verband bezien maken dat het ontslag, ook al heeft G4S - naast het laten voortduren van het dienstverband gedurende genoemde periode - geen financiële voorziening getroffen, niet kennelijk onredelijk is.

5. Het voorgaande leidt tot de slotsom, dat de vordering van [eiseres] ongegrond is, zodat deze moet worden afgewezen.

6. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter, hoewel [eiseres] in het ongelijk gesteld wordt, aanleiding tot compensatie van de kosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de hare draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.