Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ8214

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
15/850000-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte. Verwerping verweer onrechtmatig verkregen bewijs dmv burgerpseudodienstverlening. Verwerping verweer schending IVRK. Medeplegen (verlengde) invoer cocaine: afhaler. Geen toepassing meerderjarigenstrafrecht.

"De medewerking van H. aan het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee naar mogelijke afhalers kan naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt worden als burgerpseudodienstverlening. Van burgerpseudodienstverlening is sprake indien een burger bijstand verleent aan de opsporing, door goederen of diensten van een verdachte af te nemen dan wel diensten aan een verdachte te verlenen (artikel 126ij Sv). H. heeft in onderhavig geval geen goederen of gegevens van verdachte afgenomen en evenmin heeft H. diensten verleend aan verdachte. Men heeft H. slechts zijn weg laten vervolgen en handelingen laten verrichten die hij reeds voornemens was te verrichten met als doel het onderkennen van de afhalers. Deze handelingen bestonden, voor zover uit het dossier blijkt, uitsluitend uit het aannemen van telefoontjes en het ontvangen van instructies, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet als het verlenen van een dienst aan die verdachte valt aan te merken. Ook het reserveren van een hotelkamer kan niet worden aangemerkt als het verlenen van een dienst aan verdachte. Bij dit alles is H. overigens voortdurend onder observatie geweest van opsporingsambtenaren. (..)

Het Openbaar Ministerie had op grond van het bepaalde in artikel 491 Sv de Raad voor de Kinderbescherming onverwijld van verdachtes inverzekeringstelling in kennis moeten stellen. Dit verzuim had evenwel nog hersteld kunnen worden, ware het niet dat verdachte na zijn invrijheidstelling vermoedelijk naar het buitenland is vertrokken. Verdachte is dan ook niet in enig belang geschaad door het achterwege laten van de inschakeling van de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank constateert voorts dat de ouders niet zijn opgeroepen voor de behandeling ter terechtzitting. Verdachte zelf was niet ter terechtzitting aanwezig, zijn vader, van wie geen nadere gegevens bekend zijn, verblijft in het buitenland en zijn moeder is een medeverdachte in de strafzaak tegen verdachte. De moeder van verdachte was aanwezig bij de behandeling van haar eigen strafzaak en is voorts door de rechtbank in de gelegenheid gesteld bij de achter gesloten deuren behandeling van de persoonlijke omstandigheden van haar zoon aanwezig te zijn om een en ander toe te lichten indien gewenst, van welke mogelijkheid zij ook gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank is, gelet op de omstandigheden van dit specifieke geval, van oordeel dat verdachte door genoemde omissies niet zozeer is geschaad in enig belang, terwijl verder niet valt in te zien dat hij tengevolge van deze omissies zodanig nadeel heeft geleden, dat dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/850000-11

Uitspraakdatum: 1 juni 2011

Tegenspraak ex. 279 Sv

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de deels in het openbaar en deels achter gesloten deuren gehouden terechtzittingen van 17 en 18 mei 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats (geboorteland)],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 09 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5963,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam Zuid-Oost en/of Rotterdam en/of Purmerend en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 5.963,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe) tezamen en in vereniging:

- (meermalen) met elkaar en/of (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of een persoon genaamd [koerier H] (telefonisch) contact gehad en/of gelegd en/of onderhouden (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) een sms verstuurd aan een of meer mededader(s) en/of aan voornoemde [H.] en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar en/of voornoemde [H.] te ontmoeten en/of

- (meermalen) opdracht gegeven en/of gekregen om een persoon op te halen van een hotel nabij Schiphol en/of

- hiertoe één of meer transportmiddel(len) te beschikking gehad en/of geregeld en/of

- zich (meermalen) begeven naar het Ibis hotel en/of het Etap Hotel op Schiphol en/of

- (meermalen) bij de balie van het Ibis hotel navraag gedaan naar de prijs en beschikbaarheid van een kamer en/of

- (meermalen) rondgereden in de buurt van het Ibis hotel en/of het Etap hotel te Schiphol.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht in plaats van het minderjarigenstrafrecht tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig (42) maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie bij veroordelend vonnis de gevangenhouding dan wel de gevangenneming van verdachte gevorderd.

4. Bewijs

4.1. Bewijsverweren

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting primair het verweer gevoerd dat sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak tekort is gedaan. Bewijsuitsluiting dient te volgen, hetgeen zou moeten leiden tot de vrijspraak van verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft hiertoe allereerst het volgende aangevoerd. De inzet van koerier [koerier H] (hierna: [H.]) bij het onderkennen van mogelijke afhalers is een vorm van burgerpseudodienstverlening in de zin van artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Hierbij is niet voldaan aan artikel 126ij lid 4 Sv, nu een schriftelijke vaststelling van de overeenkomst met [H.] ontbreekt.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De medewerking van [H.] aan het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee naar mogelijke afhalers kan naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt worden als burgerpseudodienstverlening. Van burgerpseudodienstverlening is sprake indien een burger bijstand verleent aan de opsporing, door goederen of diensten van een verdachte af te nemen dan wel diensten aan een verdachte te verlenen (artikel 126ij Sv). [H.] heeft in onderhavig geval geen goederen of gegevens van verdachte afgenomen en evenmin heeft [H.] diensten verleend aan verdachte. Men heeft [H.] slechts zijn weg laten vervolgen en handelingen laten verrichten die hij reeds voornemens was te verrichten met als doel het onderkennen van de afhalers. Deze handelingen bestonden, voor zover uit het dossier blijkt, uitsluitend uit het aannemen van telefoontjes en het ontvangen van instructies, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet als het verlenen van een dienst aan die verdachte valt aan te merken. Ook het reserveren van een hotelkamer kan niet worden aangemerkt als het verlenen van een dienst aan verdachte. Bij dit alles is [H.] overigens voortdurend onder observatie geweest van opsporingsambtenaren.

De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar verweer ten tweede aangevoerd dat de telefoongesprekken die [H.] voerde met de organisatie in het Spaans werden gevoerd. Nu de verdediging evenwel niet nader heeft onderbouwd op welke wijze verdachte hierdoor in enig belang is geschaad en de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat er sprake is van vertaalfouten door de verbalisanten gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij.

De raadsvrouw heeft als derde ter onderbouwing van het verweer aangevoerd dat sprake is geweest van schending van de beginselen van een goede procesorde, nu belangrijke beginselen van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind zijn geschonden. De raadsvrouw voert in dit verband aan dat het Openbaar Ministerie geen moeite heeft gedaan om door de Raad voor de Kinderbescherming een rapport te laten opstellen over verdachte en dat de ouders of verzorgers van verdachte niet zijn opgeroepen voor het verhoor bij de rechter-commissaris noch voor de behandeling ter terechtzitting.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Het Openbaar Ministerie had op grond van het bepaalde in artikel 491 Sv inderdaad de Raad voor de Kinderbescherming onverwijld van verdachtes inverzekeringstelling in kennis moeten stellen. Dit verzuim had evenwel nog hersteld kunnen worden, ware het niet dat verdachte na zijn invrijheidstelling vermoedelijk naar het buitenland is vertrokken. Verdachte is dan ook niet in enig belang geschaad door het achterwege laten van de inschakeling van de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank constateert voorts dat de ouders niet zijn opgeroepen voor de behandeling ter terechtzitting. Verdachte zelf was niet ter terechtzitting aanwezig, zijn vader, van wie geen nadere gegevens bekend zijn, verblijft in het buitenland en zijn moeder is een medeverdachte in de strafzaak tegen verdachte. De moeder van verdachte was aanwezig bij de behandeling van haar eigen strafzaak en is voorts door de rechtbank in de gelegenheid gesteld bij de achter gesloten deuren behandeling van de persoonlijke omstandigheden van haar zoon aanwezig te zijn om een en ander toe te lichten indien gewenst, van welke mogelijkheid zij ook gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank is, gelet op de omstandigheden van dit specifieke geval, van oordeel dat verdachte door genoemde omissies niet zozeer is geschaad in enig belang, terwijl verder niet valt in te zien dat hij tengevolge van deze omissies zodanig nadeel heeft geleden, dat dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden(1)

Op 9 november 2010 omstreeks 13.45 uur kregen verbalisanten van het Schipholteam te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een melding dat tijdens een douanecontrole in een koffer een aantal pakketten met daarin vermoedelijk verdovende middelen was aangetroffen. Deze koffer behoorde toe aan [H.], die zojuist op Schiphol was aangekomen vanuit de Dominicaanse Republiek. Nog voor zijn aanhouding deelde [H.] aan verbalisanten mee dat hij wist dat er verdovende middelen in zijn koffer zaten en dat het de bedoeling was geweest dat zijn koffer op Schiphol door iemand uit het logistieke proces zou worden gehaald. Vlak voor vertrek vanuit de Dominicaanse Republiek hoorde [H.] dat deze persoon dit niet zou kunnen doen. [H.] gaf aan mee te willen werken aan het onderkennen van mogelijke afhalers van deze verdovende middelen.(2)

Na opening van genoemde koffer (voorzien van bagagelabelnummer 0129 MP 065721(3)) werd een rugzak aangetroffen met daarin een aantal pakketten.(4) Het netto gewicht van de in deze pakketten aangetroffen stof bedroeg ongeveer 5.963,5 gram, van welke stof zes monsters zijn genomen en ter analyse zijn ingezonden naar het Douane Laboratorium te Amsterdam.(5) Nader onderzoek aldaar wees uit dat de in de pakketten aangetroffen stof cocaïne bevatte.(6)

Door leden van het Schipholteam zijn genoemde pakketten in de koffer vervangen door neppakketten. Vervolgens heeft [H.] zich tezamen met twee verbalisanten naar het Ibis Hotel Amsterdam Airport begeven, alwaar [H.] een kamer boekte. [H.] deelde de verbalisanten mee dat hij de instructie had gekregen bij aankomst een Dominicaans telefoonnummer te bellen, welk nummer in gebruik zou zijn bij zijn directe opdrachtgever. Het lukte echter niet dit nummer te bellen met het telefoontoestel in de hotelkamer, waarop één van de verbalisanten zijn diensttelefoon aan [H.] ter beschikking stelde teneinde hem in staat te stellen contact te leggen met die opdrachtgever.(7) [H.] heeft vervolgens naar dat Dominicaanse nummer gebeld en een gesprek gevoerd. In de uren hierna werd [H.] vele malen gebeld vanuit de Dominicaanse Republiek en vanuit Nederland. Omstreeks 16.11 uur werd [H.] gebeld door een privénummer met de vraag of hij naar een adres in Nederland wilde komen. Nadat hij aangaf dit niet te willen doen, werd hem meegedeeld dat over 45 minuten iemand naar het hotel zou komen.(8)

Om 17.00 uur werden drie mannen, welke later genaamd bleken te zijn [medeverdachte S] (hierna: [S.]), [medeverdachte A] (hierna: [A.]) en [medeverdachte Ph] (hierna: [Ph.]), aangehouden op de parkeerplaats van het Ibis hotel, omdat zij verdacht werden de mogelijke afhalers te zijn van de in de koffer van [H.] aangetroffen verdovende middelen.(9) Medeverdachte [S.] verklaarde later dat hij op

9 november 2010 was gebeld door ene [voornaam] - met een telefoonnummer eindigend op [laatste twee cijfers mobiel nummer 6] - met het verzoek om iets voor diens vader te doen.(10) De vader van [voornaam] zou [voornaam PL] heten. Op diens verzoek is [S.] naar het Ibis Hotel gegaan om iemand op te halen.(11)

De telefoonnummers waar verdachte op dat moment vermoedelijk gebruik van maakte, waren [mobiel telefoonnummer 6] en [mobiel telefoonnummer 3]. Medeverdachte [A.] verklaarde namelijk dat het nummer [mobiel telefoonnummer 6] van ‘[voornaam fonetisch]’ was, de zoon van [voornaam PL].(12) [A.] gaf bovendien aan dat hij met [voornaam PL] medeverdachte [medeverdachte PL] (hierna: [PL.]) bedoelt.(13) De moeder van verdachte, tevens medeverdachte, [medeverdachte SE] (hierna: [SE.]) heeft verklaard dat het nummer [mobiel telefoonnummer 3] aan haar zoon toebehoorde.(14) Medeverdachte [medeverdachte P] (hierna: [P.]) heeft verklaard dat het nummer van verdachte eindigt op [laatste twee cijfers mobiel nummer 3].(15) De vader van het halfbroertje van verdachte is [PL.].(16) De telecommunicatie via de nummers [mobiel telefoonnummer 6] en [mobiel telefoonnummer 3] werd vanaf 12 november 2010 respectievelijk 3 december 2010 opgenomen en uitgeluisterd, waarbij bleek dat beide nummers niet meer in gebruik waren.(17) Overigens stond in een andere vermoedelijk aan [PL.] toebehorende telefoon (met het nummer [mobiel telefoonnummer 7]) het nummer [mobiel telefoonnummer 8] onder de naam ‘[voornaam] mano derecha’.(18)

Uit telecomgegevens bleek dat het nummer [mobiel telefoonnummer 1], vermoedelijk, blijkens de GSM en het verhoor van [A.],(19) toebehorend aan medeverdachte [PL.], omstreeks 17.02 uur contact zocht met het nummer behorend bij de diensttelefoon die beschikbaar werd gesteld aan [H.], vervolgens om 17.03 uur contact zocht met het nummer van medeverdachte [S.], om 17.04 uur weer met de genoemde diensttelefoon en om 17.05 uur met [S.].(20) Ditzelfde nummer legde om 17.22 uur weer contact, althans probeerde toen contact te leggen met [S.], om vervolgens om 17.23 uur het nummer van [A.] te bellen en om 17.26 uur weer [S.]. Nadat dit nummer om 17.26 uur, 17.27 en 17.28 uur telefonisch contact zocht met het nummer [mobiel telefoonnummer 6], één van de nummers toebehorend aan verdachte,(21) werd door beide nummers nog eens contact gelegd dan wel getracht contact te leggen met het nummer van [S.] (respectievelijk om 17.28 en 17.35 uur).(22) Verdachte belde daarna met zijn andere nummer, [mobiel telefoonnummer 3], nog eens naar [S.] om 17.37 uur en om 17.38 uur, waarna hij om 17.49 uur met het eerder genoemde nummer weer belde naar [S.].(23) In de uren die daarop volgden werd nog vaker getracht contact te krijgen met nummers toebehorend aan enkele van de personen die om 17.00 uur werden aangehouden.(24)

Omstreeks 19.05 uur werd [H.] op de ter beschikking gestelde diensttelefoon gebeld door een privénummer met de mededeling dat hij een sms-bericht zou ontvangen met een adres waar hij naartoe zou moeten gaan. Kort daarna ontving [H.] een bericht van het nummer [mobiel telefoonnummer 1] met de tekst “[straatnaam] 38”.(25) Rond die tijd bevond verdachte zich samen met medeverdachten [PL.], [SE.] en [P.] op het [straatnaam] te Amsterdam.(26)

Omstreeks 19.35 uur werd [H.] opnieuw gebeld door een Dominicaans nummer. In dit gesprek zei [H.] dat hij niet naar het genoemde adres zou komen en dat de afhalers zelf maar over de brug moesten komen.(27) Omstreeks 20.20 uur werd [H.] gebeld door een privénummer met de mededeling dat in een auto op hem werd gewacht aan de achterzijde van het hotel. Vervolgens werd omstreeks 20:26 uur, wederom via een privénummer, doorgegeven dat “zij weg waren gereden, maar dat ze terug zouden komen”. Omstreeks 20.30 uur werd [H.] gevraagd of hij naar de McDonald’s bij Schiphol kon komen omdat zij daar waren. Toen [H.] dit weigerde, werd hem gevraagd in welk Ibis hotel hij zich bevond, omdat ze hem niet konden vinden. [H.] antwoordde dat hij in het Ibis hotel vlakbij Schiphol, nabij de McDonald’s, was. Hierop werd hem om 20.37 uur telefonisch (wederom via een privénummer) verzocht om naar de parkeerplaats van het Ibis te komen. Omstreeks 20.39 uur werd hij gebeld door een Dominicaans nummer. [H.] gaf aan dat hij wel naar buiten was gegaan, maar dat hij het koud had en daarom weer naar binnen was gegaan.(28) Omstreeks 20.42 uur werd wederom door een privénummer gebeld met het verzoek aan [H.] om richting de McDonald’s te lopen. Hij zou dan tegemoet gereden worden. Hierna werd nog een aantal maal gebeld door het voornoemde Dominicaanse nummer.(29)

Verbalisanten hebben vanaf ongeveer 20.20 uur een observatie uitgevoerd bij en in de omgeving van het Ibis hotel en de McDonald’s. Zij namen waar dat een voertuig met kenteken [kenteken] op het parkeerterrein aan de achterkant van het Ibis hotel reed.(30) Dit voertuig reed met gedoofde lichten achtereenvolgens naar het achter het Ibis hotel gelegen Etap hotel, weer terug naar het Ibis hotel, naar de McDonald’s, naar het Ibis hotel, naar de McDonald’s en tot slot weer naar het Ibis hotel. Bij het Ibis hotel werden de drie inzittenden van de auto aangehouden: medeverdachten [P.], [PL.] en [SE.].(31) In deze auto werd een Nokia telefoon aangetroffen met het telefoonnummer [mobiel telefoonnummer 1].(32) De door de leden van het observatieteam waargenomen en gerelateerde bewegingen van de auto, stroken met de hiervoor weergegeven instructies die in datzelfde tijdvak aan [H.] zijn gegeven.(33)

Met het genoemde nummer [mobiel telefoonnummer 1], toebehorend aan [PL.], werd op 9 november 2010 omstreeks 06.48 uur tevens een sms verstuurd naar het nummer [mobiel telefoonnummer 5] met het - in de Spaanse taal gestelde - bericht ‘ik noteer: bagage # 0129 mp 065721. Container 30249’. Dit nummer stond in het telefoontoestel opgeslagen onder ‘Cafe Palsa’.(34) ‘Cafe Palsa’ heeft op 9 november 2010 vaker contact met zowel het nummer van [PL.] als de nummers van verdachte.(35) Omstreeks 13.43 uur diezelfde dag werd de genoemde sms ook vanaf nummer [mobiel telefoonnummer 1] verstuurd naar nummer [mobiel telefoonnummer 6], welk nummer als contact “[voornaam]” stond opgeslagen in deze telefoon.(36) Met “[voornaam]” wordt verdachte bedoeld.(37)

Beoordeling

De rechtbank oordeelt allereerst dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden geconcludeerd kan worden dat op 9 november 2010 de telefoonnummers [mobiel telefoonnummer 6] en [mobiel telefoonnummer 3] door verdachte werden gebruikt. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat het nummer [mobiel telefoonnummer 1] toebehoorde aan medeverdachte [PL.]. Deze [PL.] nam op 9 november 2010 meermalen contact op met de koerier [H.] en zond hem een sms’je met het adres “[straatnaam] 38”, waar hij heen moest gaan om de drugs af te leveren. Rond de tijd waarop deze sms werd gestuurd bevond verdachte zich op het [straatnaam]. Tevens onderhield [PL.] die dag contact met Dominicaanse nummers, alsmede met die van medeverdachten, waaronder verdachte.

[PL.] stuurde voorts al in de vroege ochtend op 9 november 2010 met het nummer [mobiel telefoonnummer 1] een sms aan genoemd ‘Cafe Palsa’ met daarin een nummer dat exact overeenkomt met het nummer dat op de bagagelabel van de koffer van [H.] stond. Het was volgens [H.] in eerste instantie de bedoeling dat de koffer op Schiphol uit het logistieke proces gehaald zou worden. Verdachte onderhield contacten met zowel Cafe Palsa als [PL.] en ontving begin van de middag nagenoeg hetzelfde sms’je van [PL.] met dit bagagelabelnummer.

Op 27 januari 2011 heeft verdachte bij de politie verklaard nergens bij betrokken te zijn geweest. Hij heeft naar eigen zeggen geen mobiele telefoon en kent de nummers [mobiel telefoonnummer 6] en [mobiel telefoonnummer 3] niet. Hij heeft voorts naar eigen zeggen pas op het moment dat zijn moeder [SE.] vast kwam te zitten een mobiele telefoon aangeschaft, deze heeft hij enkel dagen gehad tot het moment dat zij weer vrij kwam. Voorts heeft hij geen telefonisch contact met medeverdachte [PL.] gehad; hij heeft geen telefoonnummer van hem en weet niet waar hij woont, aldus verdachte.

De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de hiervoor omschreven feiten, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Niet alleen blijkt uit de weergegeven redengevende feiten en omstandigheden dat verdachte gebruik maakte van verschillende mobiele telefoons waarmee hij onder andere nauw contact met zijn stiefvader, en medeverdachte [PL.] onderhield. Ook komt uit het dossier naar voren dat verdachte, nadat hij een paar maal werd gebeld door [PL.], net als [PL.] ook meermalen contact probeerde te leggen met de nummers van de toen al aangehouden medeverdachten [S.] en [A.]. Daar komt bij dat verdachte een sms’je heeft ontvangen van [PL.], met daarin het nummer van de bagagelabel van de koffer van [H.], welk sms’je [PL.] die ochtend al had verstuurd naar een contact van verdachte, te weten ‘Cafe Palsa’. Toen verdachte bij de politie met dit sms’je werd geconfronteerd, heeft hij geen enkele openheid van zaken willen geven. Ook heeft verdachte de telefoonnummers waar hij op 9 november 2010 gebruik van maakte hierna niet meer gebruikt. Uit het dossier komt voorts een duidelijk begeleidende rol van verdachte naar voren.

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte dan ook daadwerkelijk de ‘mano derecha’, de rechterhand, van [PL.]. Verdachte kan met de door hem afgelegde verklaringen naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen ander doel hebben gehad dan de waarheid te bemantelen.

Gelet op de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne in Nederland. Hierbij weegt de rechtbank mee dat verdachte reeds voor de inbeslagname van de cocaïne betrokken was bij de invoer ervan. Dat de telefoongesprekken niet zijn uitgewerkt doet aan het bovenstaande, anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, niet af. Gezien de hoeveelheid gesprekken, de tijdstippen waarop ze gevoerd zijn, een en ander gezien in onderling verband en samenhang en in samenhang met de door [H.] gevoerde telefoongesprekken en de bewegingen van de auto waarin medeverdachten [P.], [PL.] en [SE.] zaten, kan het niet anders zijn dan dat de gesprekken betrekking hadden op de invoer van cocaïne. Voorts acht de rechtbank het gezien de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden ongeloofwaardig dat verdachte niet heeft geweten dat de sms met het nummer van het bagagelabel betrekking had op de invoer van cocaïne. In dit verband weegt de rechtbank mee dat verdachte geen enkele verklaring over deze sms heeft willen geven. Het primair ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 9 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.963,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het binnen Nederland brengen van cocaïne. Verdachte heeft bij de (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne een centrale rol gehad. Verdachte was de rechterhand van zijn stiefvader en zijn moeder bij de ondernomen pogingen tot het afhalen van de cocaïne in het Ibis hotel. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Met de handel in cocaïne worden vaak grote criminele winsten behaald. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Om al deze redenen bestaat al aanleiding om tegen deze vorm van criminaliteit krachtig op te treden door het opleggen van vrijheidsbenemende straffen van langere duur.

Bij het bepalen van de strafmodaliteit ziet de rechtbank zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het sanctiestelsel voor minderjarigen dient te worden toegepast, dan wel dat voor meerderjarigen, zoals door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank stelt voorop dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gekozen dient te worden voor toepassing van het meerderjarigenstrafrecht. De rechtbank ziet, gelet op het bepaalde in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, in de ernst van het begane feit noch in de persoon van verdachte noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan aanleiding om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Er is immers niet veel concreets bekend over de persoon van verdachte (ten tijde van het plegen van het feit) en ook de ernst en omstandigheden van het feit nopen niet tot een andere conclusie.

De rechtbank zal dan ook voor het bewezen verklaarde feit het minderjarigenstrafrecht toepassen.

Door de rechtbank wordt voorts het feit, dat door een omissie van het Openbaar Ministerie geen enkele mogelijkheid is geweest voor de jeugdreclassering om enige rapportage betreffende verdachte op te stellen, in lichte mate betrokken bij de aan verdachte op te leggen straf.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank ook rekening met het feit dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank tot slot van oordeel dat aan verdachte geen taakstraf in de vorm van een werkstraf of leerstraf kan worden opgelegd. Dit gelet op de ernst van het feit en de omstandigheid dat verdachte niet over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland lijkt te beschikken en momenteel ontraceerbaar lijkt, waardoor een succesvolle uitvoering van een dergelijke taakstraf als zeer onwaarschijnlijk kan worden bestempeld.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 77a, 77g, 77i, 77gg van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. J.W.H.G. Loyson, voorzitter tevens kinderrechter,

mr. P.M. Wamsteker en mr. H.A. Stalenhoef, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M. Zoethout en mr. L. Dolfing,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juni 2010.

Voetnoten:

1) De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De voor het bewijs gebezigde schriftelijke stukken worden slechts gebezigd tot het bewijs in samenhang

met de overige bewijsmiddelen.

2) Proces-verbaal start onderzoek naar mogelijke afhalers d.d. 9 november 2010, dossierpagina’s 58 en 59.

3) Proces-verbaal van onderzoek bagage, overige goederen, bagagelabels, claimtags d.d. 10 november 2010, dossierpagina 350.

4) Proces-verbaal melding aantreffen verdovende middelen van de douane uniformdienst, overname en aanhouding d.d. 9 november 2010, dossierpagina 54.

5) Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 11 november 2010, dossierpagina 372.

6) Deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 18 november 2010, laboratoriumnummer 13409 X 10, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige drs. [naam deskundige].

7) Proces-verbaal start onderzoek naar mogelijke afhalers d.d. 9 november 2010, dossierpagina 60.

8) Proces-verbaal belcontacten mobiele telefoon [H.] d.d. 9 november 2010, dossierpagina 63.

9) Proces-verbaal van aanhouding [S.] d.d. 11 november 2011, dossierpagina 537; proces-verbaal van aanhouding [A.] d.d.9 november 2011, dossierpagina 417 en proces-verbaal van aanhouding [Ph.] d.d. 11 november 2011, dossierpagina 594.

10) Proces-verbaal van verhoor [S.] d.d. 11 november 2010, dossierpagina 547.

11) Proces-verbaal van aanhouding [S.] d.d. 11 november 2011, dossierpagina 547 onderaan en 548.

12) Proces-verbaal van verhoor [A.] d.d. 15 december 2010, dossierpagina 445.

13) Proces-verbaal van verhoor [A.] d.d. 10 december 2010, dossierpagina 436.

14) Proces-verbaal van verhoor [SE.] d.d. 11 november 2010, dossierpagina 684.

15) Proces-verbaal van verhoor [P.] d.d. 8 december 2010, dossierpagina 882.

16) Proces-verbaal van verhoor [PL.] d.d. 8 december 2010, dossierpagina 782.

17) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2011, dossierpagina’s 242-243 resp. proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2011, dossierpagina’s 240-241.

18) Proces-verbaal digitaal onderzoek d.d. 10 november 2010 met bijlagen, dossierpagina 1006.

19) Proces-verbaal van verhoor [A.] d.d. 15 december 2010, dossierpagina 444 en bijlage A bij proces-verbaal digitaal onderzoek d.d. 10 november 2010, dossierpagina 465.

20) Proces-verbaal van bevindingen Telecom contacten overkoepelend 9 november 2010 d.d. 6 januari 2011, dossierpagina 264.

21) Proces-verbaal van bevindingen Telecom contacten overkoepelend 9 november 2010 d.d. 6 januari 2011, dossierpagina 265.

22) Proces-verbaal van bevindingen Telecom contacten overkoepelend 9 november 2010 d.d. 6 januari 2011, dossierpagina 266.

23) Proces-verbaal van bevindingen Telecom contacten overkoepelend 9 november 2010 d.d. 6 januari 2011, dossierpagina 267.

24) Proces-verbaal van bevindingen Telecom contacten overkoepelend 9 november 2010 d.d. 6 januari 2011, dossierpagina 268 e.v.

25) Proces-verbaal belcontacten mobiele telefoon [H.], dossierpagina 64.

26) Proces-verbaal van verhoor [P.] d.d. 14 januari 2011, dossierpagina 895.

27) Proces-verbaal belcontacten mobiele telefoon [H.] d.d. 9 november 2010, dossierpagina 64.

28) Proces-verbaal belcontacten mobiele telefoon [H.] vanaf 20.00 uur d.d. 9 november 2010, dossierpagina 65.

29) Proces-verbaal belcontacten mobiele telefoon [H.] vanaf 20.00 uur d.d. 9 november 2010, dossierpagina 66.

30) Proces-verbaal verdenkingen jegens [PL.], [P.] en [SE.] d.d. 11 november 2010, dossierpagina 78.

31) Proces-verbaal verdenkingen jegens [PL.], [P.] en [SE.] d.d. 11 november 2010, dossierpagina 79.

32) Proces-verbaal digitaal onderzoek d.d.12 november 2010, dossierpagina 969.

33) Proces-verbaal verdenkingen jegens [PL.], [P.] en [SE.] d.d. 11 november 2010, dossierpagina 79.

34) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 mei 2011, losbladig, pagina 1 van 2.

35) Proces-verbaal van bevindingen Telecom contacten overkoepelend 9 november 2010 d.d. 6 januari 2011, dossierpagina 246-278.

36) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 mei 2011, losbladig, pagina 2 van 2.

37) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2010, dossierpagina 247.