Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ8080

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
179245/11-743
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing / advies bijzonder curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

vervangende toestemming tot verhuizing/wijziging hoofdverblijfplaats/wijziging gezag/kinderalimentatie/wijziging zorgregeling

zaak-/rekestnr.: 179245/2011-743 en 179411/2011-814

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 9 juni 2011

in de zaak met zaaknummer 179245/2011-743 van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L. Laus, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.E. van der Zouw, kantoorhoudende te Haarlem,

en in de zaak met zaaknummer 179411/2011-814 van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.E. van der Zouw, kantoorhoudende te Haarlem,

-- tegen --

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L. Laus, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 21 april 2011 en de daarin genoemde stukken;

- het op 24 mei 2011 ontvangen rapport van de bijzondere curator;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 27 mei 2011;

- de brief van de advocaat van de man van 30 mei 2011.

2 Verdere beoordeling

2.1 Gebleken is dat de man zijn besluit om met zijn echtgenote per 1 juli aanstaande naar Aruba te verhuizen aan alle vier de kinderen van partijen heeft medegedeeld, waarna [A] – nadat zij hier even over had nagedacht – te kennen heeft gegeven met haar vader en stiefmoeder mee te willen verhuizen. De stap van de man om met zijn echtgenote naar Aruba te verhuizen is vooral ingegeven omdat zij een te grote druk ervaren van de huidige situatie met de oudste drie kinderen, zijn voormalige vrouw en haar echtgenoot op hun huwelijksrelatie en zij graag rust willen en hun huwelijk een betere kans willen geven.

[A] verblijft sinds de echtscheiding van partijen in 2002 in het kader van een zogenoemde co-ouderschapregeling de ene week bij haar vader en de andere week bij haar moeder. Tussen de ouders en stiefouders zijn grote (communicatie)problemen. [A] is samen met haar broers ([B] en [C]) en zus ([D]) in augustus 2010 onder toezicht gesteld. Na de echtscheiding fungeerde eerst een co-ouderschapregeling voor alle vier de kinderen, in die zin dat de kinderen de ene week bij de man verbleven en de andere week bij de vrouw. Deze regeling is in de loop der tijd gewijzigd. Eerst voor [D] en later voor [B], in die zin dat zij op dit moment hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en [B] nog wel en [D] minimaal omgang hebben met hun vader. Naar de rechtbank begrijpt is de co-ouderschapregeling voor [C], die inmiddels meerderjarig is, gedurende de onderhavige procedure eveneens beëindigd, in die zin dat hij nu zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw. De man heeft, nadat de vrouw een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en het gezag had ingediend, een verzoek om hem toestemming te verlenen om met [A] naar Aruba te verhuizen ingediend.

Om een beslissing te kunnen nemen in het kader van artikel 1:253a BW dienen de belangen van de minderjarige een eerste overweging van de rechtbank te vormen. Echter, conform vaste rechtspraak (onder meer Hoge Raad 25 april 2008, LJN BC5901) dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

2.2 Bij voornoemde beschikking van 21 april 2011 is drs. J.A.M. Hendriks tot bijzondere curator benoemd voor de minderjarige [A] en is de beslissing op het verzoek met betrekking tot de vervangende toestemming tot verhuizing pro forma aangehouden. Aan drs. Hendriks is verzocht om door middel van gesprekken het volgende in kaart te brengen:

- de risicofactoren voor [A] bij een verblijf bij moeder en stiefvader in Nederland en de risicofactoren voor [A] bij een verblijf bij vader en stiefmoeder op Aruba;

- de draagkracht van [A] in het algemeen en meer specifiek in voornoemde beschreven verschillende gezinssituaties;

- de draagkracht van het gezinssysteem van moeder en stiefvader, met name indien [A] niet meegaat naar Aruba;

- de draagkracht van het gezinssysteem van vader en stiefmoeder, met name indien [A] wel meegaat naar Aruba;

- alle overige voor de zaak van belang zijnde factoren, voor zover deze niet besloten liggen in de beantwoording van voornoemde vragen.

2.3 Drs. Hendriks heeft in haar rapportage bovengenoemde in beeld gebracht en zij besluit onder meer met de woorden dat het voor haar duidelijk is geworden dat de situatie voor [A] gecompliceerd ligt (ook in de beleving van [A] zelf) en dat er in deze zin niet zozeer sprake lijkt te zijn van de vraag wat het beste zou zijn voor [A], maar meer van de vraag wat het minst beschadigend voor haar zou zijn. Zowel aan de beslissing om het verzoek van de man om met [A] te mogen verhuizen naar Aruba toe te wijzen als aan de beslissing om deze toestemming niet te verlenen en [A] in het gezin van de vrouw in Nederland te laten opgroeien, zitten de nodige haken en ogen.

Zo noemt drs. Hendriks als risicofactoren voor [A] bij een verblijf bij moeder en stiefvader in Nederland dat [A] haar moeder de schuld hiervan zal geven en dat zij haar vader dan eveneens als slachtoffer zal zien. Dit zal haar relatie met moeder verder fors onder druk kunnen zetten. [A] zou erg verdrietig en boos kunnen worden en ook misschien wel somber en depressief, omdat ze haar vader dan zou missen. Dergelijke gevoelens kunnen in de ontwikkeling in de puberteitsfase nog eens versterkt worden door de lichamelijke en hormonale veranderingen. De relatie tussen [A] en haar zus [D] wordt daarbij mede gekenmerkt door sterke gevoelens van competitie en het zal vermoedelijk van beide meisjes het nodige vragen om met elkaar in één huis te leven.

Als risicofactoren voor [A] bij een verblijf bij vader en stiefmoeder op Aruba noemt drs. Hendriks dat [A] door de verhuizing in een uitzonderingspositie ten opzichte van haar broers en zus wordt geplaatst. Dit zou bij [A] het gevoel kunnen oproepen dat ze speciaal is, maar ook bij haar broers en zus. Deze anderen zouden bijvoorbeeld gevoelens van jaloezie, boosheid of verdriet daarover kunnen ontwikkelen en deze gevoelens meer op [A] dan op hun vader en stiefmoeder gaan richten. Dat zou op korte termijn tot conflicten kunnen leiden en op (veel) langere termijn tot afwijzing en buitensluiting uit hun levens. Vader en stiefmoeder hebben aangegeven de stap naar Aruba vooral te zetten omdat het hier voor hen niet vol te houden is vanwege de grote druk die de huidige situatie met de drie oudste kinderen zet op hun huwelijksrelatie en dat zij zich daar onveilig door voelen en graag rust willen. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat het vader en stiefmoeder, of één van beiden, minder goed zal bevallen op Aruba als vooraf aangenomen en is het niet duidelijk wat een dergelijk scenario voor [A] zou kunnen betekenen.

Drs. Hendriks meent dat van belang is dat [A], hoe dan ook, professionele ondersteuning nodig heeft, zowel gericht op het verwerken van zaken uit het verleden als op zaken in het heden.

2.4 De man heeft in zijn reactie op de rapportage van drs. Hendriks herhaald dat hij [A] een psychologisch gezond kind vindt dat zich staande moet houden in een pathologische situatie, welke situatie volgens hem wordt opgelost als [A] meegaat naar Aruba. Hij heeft bewondering voor de wijze waarop [A] zich in de hele situatie staande houdt, wil haar vertrouwen in hem niet beschamen en ziet in de beschrijving van drs. Hendriks geen beschrijving van een psychologisch beschadigd kind. Volgens de man doelt drs. Hendriks met professionele begeleiding waarschijnlijk op steunend contact. De man denkt dan in eerste instantie eerder aan de brugklasmentor op school die goed geïnformeerd moet worden, dan aan een kinderpsychiatrisch traject. Dit laatste kan, naar de mening van de man, [A] ook erg stigmatiseren en eventueel beschadigen. Dit laat echter onverlet dat hij zijn onverdeelde medewerking zal verlenen aan elke professionele hulpverlening, die de rechtbank nodig acht, aldus de man.

2.5 De vrouw heeft in haar reactie op de rapportage van drs. Hendriks aangegeven dat naar haar mening in de rapportage een analyse van de laatste jaren ontbreekt welke voor haar (en stiefvader) in maart 2009 aanleiding is geweest om de gang naar het AMK te maken, gevolgd door andere gedragingen van de man jegens de kinderen, zoals de gebeurtenissen ten gevolge waarvan [D] zich genoodzaakt heeft gezien bij haar moeder en stiefvader te gaan wonen en het weglopen van [B] uit de woning van de man. Volgens de vrouw is de kern van de problematiek het feit dat [A] vanuit haar vertrouwen in de man meegaat in diens versie van de gebeurtenissen. Daarbij gaat stiefmoeder volgens de vrouw in haar adhesie naar de man alle perken te buiten en is zij onderdeel van de ongezonde sfeer. Voor de vrouw is het betrekken van [A] in de huwelijkse problematiek van de man en stiefmoeder onacceptabel en bedreigend voor haar ontwikkeling. Daarnaast wijst de vrouw erop dat de man geen grond voor professionele hulp ziet en deze niet noodzakelijk acht, zodat hulpverlening aan [A] op Aruba tot mislukking is gedoemd. De vrouw persisteert bij afwijzing van het verzoek van de man.

2.6 De gezinsvoogdes is van mening dat de ontwikkeling van [A] nog verder bedreigd wordt dan momenteel al het geval is als zij naar Aruba verhuist met de man.

De loyaliteitsproblematiek zal blijven bestaan en [A] wordt de gelegenheid ontnomen om met beide ouders een goede relatie op te bouwen en te onderhouden. Daarnaast krijgt [A] geen gelijke kans om haar relatie met haar broers en zus op te bouwen, terwijl deze broers en zus ook in de verre toekomst belangrijk zijn/blijven voor [A]. Voorts bestaat het risico dat als [A] na haar [-]-opleiding op Aruba terugkomt in Nederland in een sociaal isolement geraakt, omdat zij nu ook problemen ervaart met het aangaan van vriendschappen en dit de laatste jaren is verergerd. Daarbij maakt de gezinsvoogdes zich zorgen omdat de man deze problemen van [A] niet, of veel minder, ziet dan de vrouw. Volgens de gezinsvoogdes is het van belang dat er voor [A] zowel voor de korte als voor de lange termijn duidelijkheid komt over waar zij woont. Zij verwacht dat ingeval [A] in Nederland zal blijven zij warm zal worden opgevangen door haar broers en zus, maar dat [A] en haar moeder een zware dobber aan elkaar zullen hebben en dat zij aan het werk zullen moeten met professionele ondersteuning. In het geval [A] mee zal gaan naar Aruba is haar grootste zorg dat de man niet lijkt te luisteren naar de zorgen die anderen over [A] hebben en daarnaast maakt de gezinsvoogdes zich zorgen over de wijze waarop de man omgaat met de conflicten tussen hem en de andere kinderen.

2.7 Het is een feit van algemene bekendheid dat verbreking van de continuïteit van woon- en sociale leefomgeving voor een kind ingrijpend is. Vast staat dat er in het leven van [A] een grote verschuiving zal plaatsvinden. Immers de verhuizing van de man naar Aruba - met of zonder [A] - staat vast, zodat de thans geldende week op week af regeling niet langer kan worden uitgevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat de man door zijn opstelling in het verleden en in het heden de problemen van [A] bagatelliseert. Zo heeft de gezinsvoogdes al in een eerder stadium KJTC geïndiceerd, waaraan de man zijn medewerking niet volledig wenst te verlenen en is de rechtbank van oordeel dat zowel bij verhuizing als bij geen verhuizing professionele hulpverlening voor haar nodig is. Een brugklasmentor zoals de man voorstelt, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende.

De rechtbank acht het van belang voor de beoordeling van het verzoek om de uitdrukkelijke wens van [A] om met haar vader en stiefmoeder mee te verhuizen te bezien tegen de achtergrond van het loyaliteitsconflict van de laatste jaren en in de ontwikkelingsfase waarin [A] zich bevindt. [A] is net twaalf jaar oud. Zoals door drs. Hendrikse aangegeven zijn kinderen in deze leeftijdsfase sterk gericht op rechtvaardigheid, eerlijk delen en een diep besef van goed en kwaad. Kinderen in deze leeftijdsfase kunnen nog sterk zwart-wit denken en meestal komen de grijstinten in hun overwegingen later in de tweede helft van de puberfase terug. In dit licht bezien, afgezet tegen de omstandigheid dat [A] gedurende de afgelopen vier jaren een grote onrust heeft moeten ervaren tussen haar ouders en stiefouders onderling en de andere kinderen in het gezin, komt het de rechtbank aannemelijk voor dat [A] vanuit deze overbelasting de keuze heeft gemaakt voor de in haar ogen meest kwetsbare ouder en dat zij zich sterk identificeert met de last die haar vader en stiefmoeder hebben van de gehele situatie.

De rechtbank is van oordeel dat vanuit deze identificatie, waarbij [A] er voor wil zorgen dat het haar vader en stiefmoeder goed blijft gaan door haar aanwezigheid bij hen, teveel van de draagkracht van [A] wordt gevraagd. Daarbij valt te verwachten dat [A] in de tweede fase van de puberteit met meer grijstinten een andere kijk hierop zal krijgen. Gelet op het verleden van de man met de oudste drie kinderen, heeft de rechtbank echter de verwachting dat de man niet in staat zal zijn om hiermee op een goede manier om te gaan.

2.8 Daarnaast acht de rechtbank het niet in het belang van [A] dat zij ten opzichte van de andere kinderen in een uitzonderingspositie wordt geplaatst en dat haar de kans ontnomen wordt om tezamen met haar broers en zus in een nauwe familieband op te groeien. Opgroeien tezamen met broers en zus is niet alleen belangrijk voor haar ontwikkeling nu, maar ook voor haar ontwikkeling in de toekomst. De rechtbank deelt de zorg dat de relatie tussen [A] en haar moeder verder fors onder druk komt te staan indien wordt beslist dat [A] in Nederland moet blijven, maar zij is er op grond van de overgelegde stukken van overtuigd dat in het gezin van de vrouw voldoende draagkracht bestaat om dit met professionele hulpverlening op te vangen. In ieder geval is er onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de ontwikkeling van [A] door de beslissing dat zij in het gezin van de moeder gaat wonen in Nederland ernstiger zal worden bedreigd in vergelijking met de situatie dat zij met haar vader en stiefmoeder mee zal gaan naar Aruba.

2.9 Alle belangen in ogenschouw nemende en tegen elkaar afwegende is de rechtbank van oordeel dat het belang van [A] met zich brengt dat zij in Nederland bij haar moeder zal blijven wonen waarmee tevens hulpverlening aan [A] is gewaarborgd. Het verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.

2.10 Nu het hier om een voor [A] ingrijpende beslissing gaat, acht de rechtbank het met drs. Hendriks en de gezinsvoogdes van belang dat [A] deze beslissing zal vernemen op een zorgvuldige wijze. Voor de ouders is hierin een belangrijke taak weggelegd en zij zouden dit, in aanwezigheid van neutrale opvang voor [A], het beste samen – buiten aanwezigheid van hun partners – aan [A] kunnen vertellen. Voor het geval de ouders er niet in slagen om hierover gezamenlijk een afspraak te maken en/of er niet in slagen op een respectvolle wijze jegens elkaar de beslissing van de rechtbank aan [A] te vertellen dan dienen zij zich tot de gezinsvoogdes te wenden voor advies, en het advies van de gezinsvoogdes op te volgen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Wijst af het verzoek van de man om hem toestemming te verlenen om met [A] naar Aruba te verhuizen en hem toestemming te verlenen om [A] in te schrijven op de middelbare school in Aruba.

3.2 Houdt de behandeling van de zaak met betrekking tot de overige verzoeken, onder toezending van de in de beschikking van 21 april 2011 verzochte informatie aan tot de reeds bepaalde zitting op 27 juni 2011 om 09.45 uur in het gerechtsgebouw van deze rechtbank in Haarlem, Jansstraat 81.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van Andel, als voorzitteer tevens kinderrechter, en mrs. A.M. Ayal en E.J. van Keken, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van

E. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.