Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ8078

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
15-740831-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag. Beroep noodweer(exces) verworpen.

"Anders dan de raadsman en de officier van justitie, oordeelt de rechtbank dat de noodweersituatie zoals door verdachte geschetst – namelijk dat het slachtoffer een vuurwapen zou hebben getrokken en verdachte in reactie daarop ook een vuurwapen heeft gepakt en hiermee heeft geschoten om zichzelf te verdedigen – niet aannemelijk is geworden. (..)

De rechtbank is, op grond van alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, dan ook van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf van verdachte, waartegen een verdediging door verdachte gerechtvaardigd was.

Naar het oordeel van de rechtbank faalt, gegeven vorenvermelde overwegingen, tevens het subsidiair gedane beroep op putatief noodweer. (..) Het beroep op noodweerexces dient tevens verworpen te worden. "

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740831-10

Uitspraakdatum: 15 maart 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 maart 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zwaag Hoorn, locatie Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 24 juni 2010 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Feit 2:

hij op of omstreeks 24 juni 2010 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Star, model S, kaliber 9mm Browning Kort), en/of munitie van categorie III, te weten één of meer (scherpe) patro(o)n(en) (kaliber 9mm Browning Kort), voorhanden heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, te weten doodslag, en het onder 2 ten laste gelegde feit;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak moord

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte hetgeen hem onder feit 1 ten laste is gelegd met voorbedachten rade heeft begaan. Verdachte wordt derhalve vrijgesproken van moord.

4.2. Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het overige onder 1 ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 1 maart 2011 afgelegd;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juni 2010 met topografisch overzicht (zaaksdossier, pagina’s 143-146);

• een deskundigenrapport van het NFI te Den Haag d.d. 22 juli 2010, opgemaakt door arts en patholoog [naam deskundige] betreffende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood met bijlage (forensisch dossier, pagina’s 204-213);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen [ van confrontatie ] d.d. 29 juni 2010 (zaaksdossier, pagina’s 228-229);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 9 juli 2010 (persoonsdossier [medeverdachte], pagina’s 21-22);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 7 juli 2010 (zaaksdossier, pagina’s 177-179);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 7 juli 2010 met situatietekening (zaaksdossier, pagina’s 180-184);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 6 juli 2010 met fotobijlage (forensisch dossier, pagina’s 19-52);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2010 met fotobijlage (forensisch dossier, pagina 53); en

• een deskundigenrapport van het NFI te Den Haag d.d. 15 september 2010, opgemaakt door deskundige [naam deskundige] betreffende munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Velsen-Noord op 24 juni 2010 (forensisch dossier, pagina’s 284-291).

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1:

hij op 24 juni 2010 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Feit 2:

hij op 24 juni 2010 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Star, model S, kaliber 9 mm Browning Kort, en munitie van categorie III, te weten patronen, kaliber 9 mm Browning Kort, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: doodslag;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Beroep op noodweer ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde

De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op noodweer, zodat verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft ter terechtzitting daartoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn leven tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer [slachtoffer]. Omdat genoemde [slachtoffer] een vuurwapen trok, mocht verdachte zich verdedigen door hierop een vuurwapen te trekken en op hem te schieten. De raadsman van verdachte heeft in dat verband gesteld dat [slachtoffer], die bij verdachte bekend stond als vuurwapengevaarlijk, in woedende toestand naar de auto liep waarin verdachte op de passagiersstoel zat, en een vuurwapen trok, terwijl verdachte geen kant meer op kon.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is geweest van een noodweersituatie, maar dat een beroep op noodweer strandt, nu door verdachte vijf keer is geschoten op onder andere vitale delen van het lichaam van [slachtoffer], terwijl [slachtoffer] niet terug schoot en de verdedigingshandelingen aldus als disproportioneel moeten worden aangemerkt.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- Er was sprake van een ‘vete’ tussen enerzijds (onder meer) verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en anderzijds een “Turkse” groepering in (de omgeving van) Beverwijk, waartoe ook het slachtoffer behoorde.

- De ruzie tussen verdachte en het slachtoffer was enkele dagen daarvoor opgelaaid doordat (onder andere) het slachtoffer, naar verdachte had vernomen, op Vaderdag voor de woning van verdachte had gestaan met de bedoeling daar handgranaten naar binnen te gooien. Slechts omdat het jonge kind van verdachte daar verbleef, zou het slachtoffer alsnog hebben afgezien van zijn daad. De ruzie tussen [medeverdachte] en het slachtoffer was evenzeer enkele dagen daarvoor opgelaaid en betrof (onder andere) een vrouw genaamd [naam vrouw], die sinds kort weer een relatie met [medeverdachte] had. Het slachtoffer [slachtoffer] zou haar hebben verteld [medeverdachte] te zullen schieten (zaaksdossier, pagina 964).

- Op 24 juni 2010 in de middaguren vertrokken verdachte en medeverdachte samen in een zilvergrijze Volkswagen Golf vanaf hotel de Weyman in Santpoort, in welk hotel verdachte en de medeverdachte verbleven vanwege de dreiging van vorenbedoelde groepering, richting de Kamp te Velserbroek. Zij verlieten om 15.24.42 uur de Kamp (zaaksdossier, pagina 472) en zijn niet lang daarna in Velsen Noord het slachtoffer tegengekomen, rijdend in een Ford Focus. Verdachte zat op de passagiersstoel, [medeverdachte] op de bestuurdersstoel.

- Verdachte, die enkele weken daarvoor een vuurwapen had aangeschaft, hield dit vuurwapen tussen zijn knieën en het dashboard geklemd in de auto. Verdachte had naar eigen zeggen het vuurwapen altijd bij zich en dit vuurwapen was ‘schietklaar’.

- Om 15.32.47 uur kwamen beide auto’s met hoge snelheid en gierende remmen de Wijkeroogstraat te Velsen-Noord inrijden, alwaar de beide auto’s nog met draaiende motoren parkeerden.

- Beide bestuurders stapten uit en er werd door hen luidkeels tegen elkaar geschreeuwd.

- Het schietincident vond vervolgens plaats, waarbij uit de zilvergrijze Volkswagen Golf door verdachte geschoten werd vanaf de bijrijderplaats. Er werd door hem vijf keer geschoten, het slachtoffer viel hierbij op de grond.

- Om 15.33.43 uur reed de zilvergrijze auto met daarin verdachte achter het stuur weg.

- De medeverdachte [medeverdachte] rende weg richting de Wijkermeerweg.

- Het wapen waarmee geschoten was, werd later op de hoek van de Wijkeroogstraat / Merwedelaan aangetroffen; het wapen was door verdachte weggegooid.

- Korte tijd later parkeerde verdachte de Volkswagen Golf op de Wijkermeerweg te Velsen-Noord en hij liet deze auto daar achter. Verdachte werd opgehaald met de auto door [betrokkene 1] (bijnaam: [bijnaam betrokkene 1]) die in de buurt was.

- [medeverdachte] werd met de auto opgehaald door [betrokkene 2] en [betrokkene 3], die ook in de buurt waren.

- In Amsterdam vond later die dag naar aanleiding van de schietpartij een overleg plaats tussen in elk geval verdachte, de medeverdachte en de raadsman.

- Verdachte is daarna gevlucht uit Nederland en hij werd, nadat aan de hand van afgeluisterde telefoongesprekken was vastgesteld dat hij zou terugkeren naar Nederland, bij zijn terugkeer op 24 augustus 2010 op Schiphol aangehouden.

Anders dan de raadsman en de officier van justitie, oordeelt de rechtbank dat de noodweersituatie zoals door verdachte geschetst – namelijk dat het slachtoffer [slachtoffer] een vuurwapen zou hebben getrokken en verdachte in reactie daarop ook een vuurwapen heeft gepakt en hiermee heeft geschoten om zichzelf te verdedigen – niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit het dossier blijkt – zoals hiervoor vermeld - dat op eerdere momenten bedreigingen zijn geuit aan het adres van verdachte door de groepering, waartoe ook het slachtoffer [slachtoffer] behoorde.

Verdachte was met name, naar ook uit de met zijn vriendin vanuit Marokko gevoerde telefoongesprekken blijkt, vanwege het eerder genoemde incident op Vaderdag woedend op [slachtoffer] en hij koesterde dan ook wraakgevoelens. Verdachte zei onder meer, nadat hij had uitgelegd aan zijn vriendin dat “die Antilliaanse jongen die geschoten is” (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) met de groep Turken een handgranaat in hun woning naar binnen had willen gooien en dat het zijn verdiende loon was: “Ja, man…is lekker voor hem, kneus”, “dat heeft hij verdiend die teringlijer” en “kankerlijer heeft het gewoon verdiend ja!! zwaar ook, ze hadden nog 5…. 5000 kogel erbij moeten geven, teringlijer” (bijlage 2, pagina 93). Ook zei verdachte: “er gaat niks meer gebeuren, ik handel nog met twee mensen af die bij mij aan de deur zijn gekomen en dan ben ik klaar met hun” (bijlage 2, pagina 83), “ik maak ze allemaal kapot, van vader tot kanker baby van 1 jaar, het kan me geen kankermoer meer schelen, ze moeten niet bij mij aan de deur komen” en verdachte gaf aan dat als hij zijn dochter niet had: “dan had ik niet eens bij hem in de buurt gekomen.. dan had ik hem niet meer opgezocht” (bijlage 2, pagina 84). Ook sprak verdachte over: “voor hem…voor hem, duizend anderen na hem ook nog, die nog stoer doen, kankerlijers, ja. Men, denkt dat ze de maffia daar zijn ja, dat kan geen ene kankermoer voorstellen ja. Als je ze allemaal een voor een pakt dan poepen ze allemaal diaree uit hun broek ja, maar hun gaan zien, ik zeg je, hun gaan zien, ik zweer het je” (bijlage 2, pagina 94).

In het licht van deze verstandhouding tussen verdachte en het slachtoffer acht de rechtbank het allereerst niet aannemelijk dat verdachte, zoals door hem gesteld - nadat hij kort voor de schietpartij naar eigen zeggen wederom werd uitgescholden en bedreigd door [slachtoffer] in de auto, terwijl het incident op Vaderdag enkele dagen daarvoor had plaats gevonden - medeverdachte [medeverdachte] zou hebben aangespoord weg te rijden van [slachtoffer]. Dit geldt temeer nu verdachte en zijn medeverdachte samen in de auto zaten en in vergelijking met het slachtoffer [slachtoffer], dat zich alleen in zijn auto bevond, in het voordeel waren en verdachte bovendien een schietklaar vuurwapen binnen handbereik had.

Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat medeverdachte [medeverdachte], zoals door verdachte en [medeverdachte] gesteld, gestopt zou zijn in de Wijkeroogstraat om de ruzie te sussen dan wel uit te praten. De hoge snelheid waarmee beide auto’s kwamen aanrijden, waardoor bij een getuige zelfs de indruk ontstond dat sprake was van een achtervolging (zaaksdossier, pagina 896), evenals het stoppen met gierende remmen, het direct uitstappen van de bestuurders die beide met luide stem tegen elkaar gingen schreeuwen, terwijl de motoren van beide auto’s bleven draaien, is hiermee in tegenspraak (zaaksdossier, o.a. pagina’s 900, 906, 914 en 938). Op grond van de vele getuigenverklaringen lijkt - naar het oordeel van de

rechtbank - sprake te zijn geweest van een fikse ruzie in plaats van het door de ene persoon trachten te sussen van de andere persoon.

Dat verdachte de confrontatie juist wou vermijden en om die reden – naar hij heeft gesteld - in de auto bleef zitten, acht de rechtbank evenmin een valide stelling.

Allereerst valt niet in te zien waarom verdachte niet - indien hij daadwerkelijk een confrontatie wilde vermijden - op het moment dat luidkeels werd geschreeuwd door [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte], en hij zich naar eigen zeggen bedreigd voelde, de kans heeft aangegrepen weg te rijden door met één enkele beweging van de passagiersplaats op de bestuurdersplaats plaats te nemen. Dit geldt temeer nu de motor van de auto nog draaide, en de sleutel in het contactslot zat. Voor zover gesteld dat dit wegrijden onmogelijk was voor verdachte, omdat hij dan steekbewegingen met de auto had moeten maken, overweegt de rechtbank dat eerst op het moment dat [slachtoffer] was neergeschoten en voor de auto lag, verdachte hiertoe kennelijk gedwongen was, omdat het slachtoffer de doorgang belemmerde. Uit het feit dat verdachte deze tijd kennelijk heeft gebruikt om het vuurwapen uit de tas te pakken en hier de veiligheidspal af te halen, leidt de rechtbank veeleer af dat het verdachte wel degelijk om een confrontatie met het slachtoffer te doen was.

Voorts heeft verdachte, die zich aanvankelijk bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst bij de rechter-commissaris een verklaring heeft willen afleggen, tot twee keer toe bij de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer] een wapen WILDE trekken. Dit laat zich niet rijmen met de latere stelling van verdachte ter terechtzitting dat [slachtoffer] het wapen TROK en dat hij ook zag dat hij dit wapen in een bepaalde richting hield.

Ook zijn er tegenstrijdigheden in de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] omtrent het trekken of willen trekken van het wapen door [slachtoffer]. Zo verklaarde [medeverdachte] bij de rechter-commissaris dat hij zag dat [voornaam slachtoffer] ([slachtoffer]) het wapen TROK, terwijl hij later bij de politie verklaarde dat hij reeds bij de auto van [slachtoffer] zag dat deze een wapen in zijn broeksband deed, waarna hij nog door zou zijn gegaan met sussen, en dat hij op een later moment bij de auto waar verdachte nog in zat, zag dat [slachtoffer] het wapen WILDE trekken. De tegenstrijdigheid in de verklaringen van verdachte evenals in die van de medeverdachte ten aanzien van dit voor het beroep op noodweer essentiële punt, maakt dat de rechtbank mede geen geloof hecht aan de stelling van verdachte dat het slachtoffer ook daadwerkelijk een wapen heeft getrokken.

Daar komt nog bij dat [betrokkene 3], die samen met [betrokkene 2] medeverdachte [medeverdachte] direct na het schietincident met de auto heeft opgehaald, heeft verklaard dat [medeverdachte] steeds maar weer zei dat verdachte kankergek was en dat verdachte het slachtoffer had geschoten. [medeverdachte] had daarbij verteld dat verdachte, die op de passagiersstoel zat, gelijk begon te schieten, aldus [betrokkene 3] op 13 augustus 2010 (zaaksdossier, pagina’s 1076 en 1077). Op 27 augustus 2010 verklaarde [betrokkene 3] nogmaals alles over de schietpartij te hebben gehoord van [medeverdachte]. [medeverdachte] had verteld dat verdachte gelijk vanuit de auto begon te schieten en [medeverdachte] had nog geprobeerd verdachte tegen te houden (zaaksdossier, pagina 1093). Ook deze verklaringen van [betrokkene 3], in welke verklaringen met geen woord wordt gerept over een eventuele noodweersituatie waarin verdachte zich volgens [medeverdachte] zou bevinden, sterker nog: waarin [medeverdachte] zei dat verdachte gelijk begon te schieten, en niet tegen te houden was door hem en volgens [medeverdachte] kankergek was, maken het evenmin aannemelijk dat [slachtoffer] een wapen zou hebben getrokken en verdachte in reactie daarop zou hebben geschoten. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af, dat [betrokkene 3], die op 8 februari 2011 bij de rechter-commissaris nogmaals als getuige gehoord werd, aldaar stelde het zich allemaal niet meer zo goed te kunnen herinneren. Dit geldt temeer nu genoemde getuige bij de rechter-commissaris verklaarde bij zijn eerder afgelegde verklaring(en) te blijven. De rechtbank acht die eerder afgelegde verklaringen dan ook geloofwaardig.

Ook de omstandigheid dat verdachte, nadat hij eerst nog overleg had gepleegd met zijn raadsman, Nederland is ontvlucht en niet op enig moment tijdens zijn verblijf in het buitenland contact heeft opgenomen met de politie om te melden dat hij uit noodweer op het slachtoffer heeft geschoten evenals de omstandigheid dat hij ook na zijn aanhouding op Schiphol op 24 augustus 2011 bij zijn aanvankelijke verhoren door de politie en bij zijn verhoor tijdens zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris in het geheel geen melding heeft gemaakt van het door hem gestelde feit dat hij uit noodweer zou hebben gehandeld, maakt deze stelling niet geloofwaardig.

Tot slot heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat het vanuit de positie van [slachtoffer], bezien - gegeven de geschetste situatie en de enorme spanningen tussen verdachte en [medeverdachte] enerzijds en [slachtoffer] anderzijds - onbegrijpelijk zou zijn, dat [slachtoffer] uit zijn auto zou zijn gestapt om vervolgens met twee personen te gaan praten met wie hij een fikse ruzie had, en die hij naar het leven stond, met enkel een ongeladen pistool (forensisch dossier, pagina 54) en zonder de in zijn auto aanwezige geluidsdemper en de 9 mm patronen behorende bij zijn Glock mee te nemen (forensisch dossier, pagina’s 22 en 107). De rechtbank acht de stelling van de verdediging dat [slachtoffer] de confrontatie heeft gezocht door als eerste een ongeladen vuurwapen te trekken dan ook onaannemelijk. Daarbij betrekt de rechtbank in haar overweging dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat geen van de op de plaats delict aangetroffen hulzen of kogels met het pistool van het slachtoffer zijn verschoten (forensisch dossier, pagina 289) en dat daaraan niet afdoet de door het schotrestenonderzoek aangetoonde ‘schiethanden’ van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt verder nog het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard nooit naar de politie te zijn gegaan om aangifte van bedreiging te doen, omdat hij geen vertrouwen heeft in de politie. Verdachte heeft voorts verklaard vanwege de onder meer door [slachtoffer] gedane bedreigingen een vuurwapen te hebben aangeschaft om zichzelf te kunnen verdedigen. Dit vuurwapen was ‘schietklaar’: hij hoefde enkel de veiligheidspal er af te halen, aldus verdachte. Het vuurwapen had hij die dag in een tas bij zich die hij, zittend op de bijrijdersstoel in de door [medeverdachte] bestuurde auto, tussen zijn knieën en het dashboardkastje hield. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zich kennelijk op een mogelijk gewelddadige confrontatie met [slachtoffer] had voorbereid.

De rechtbank hecht voorts waarde aan de vele door onafhankelijke getuigen afgelegde verklaringen (zie voor de afzonderlijke verklaringen zaaksdossier, pagina 872 en verder). Geen van die getuigen heeft - naar uit hun verklaringen moet worden opgemaakt - een wapen in de hand van het slachtoffer waargenomen. Daar komt bij dat een buurtbewoner, getuige [naam], kort na het incident tegenover de politie heeft verklaard dat zij de schutter tot aan zijn middel uit het raam aan de passagierszijde had zien hangen (zaaksdossier, pagina 875). Naar het oordeel van de rechtbank is deze houding niet in overeenstemming met de verwachte reactie van wegduiken of iets dergelijks in de door verdachte geschetste situatie dat een wapen op hem gericht was. Dezelfde getuige nam waar dat de schutter bleef schieten op het slachtoffer terwijl deze al op de grond lag en het was haar opgevallen dat de schutter ‘moeite moest doen om hem te raken’ (zaaksdossier, pagina 880).

De rechtbank merkt ook overigens op dat het gedrag van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (direct) na het schietincident weinig aanknopingspunten biedt om uit te gaan van de juistheid van de door verdachte geschetste situatie dat hij handelde uit noodweer. Nadat verdachte meerdere schoten had gelost, nam verdachte plaats achter het stuur van de auto en reed weg, terwijl [medeverdachte] toen al was weggerend. Verdachte gooide het vuurwapen uit het raam, liet de auto ergens achter en belde zijn vriend [betrokkene 1] om hem op te komen halen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kregen afzonderlijk van elkaar een lift naar Amsterdam. Verdachte liet vervolgens een ander zijn kleren ergens in een container weggooien.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de door verdachte geschetste situatie dat door [slachtoffer] een pistool op hem werd gericht niet aannemelijk is geworden. Het enkele feit dat het wapen van het slachtoffer een dag na het schietincident onder een geparkeerde auto is aangetroffen op de plaats delict, doet aan al het voorgaande niet af. Uit onderzoek is immers gebleken dat het slachtoffer zich nog op handen en knieën heeft voortbewogen (forensisch dossier, pagina 86), waarbij het slachtoffer op dat moment nog zijn wapen kan hebben gepakt. Voorts valt niet uit te sluiten dat het wapen bij de val van het slachtoffer uit zijn broeksband is geschoten.

De rechtbank is, op grond van alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, dan ook van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf van verdachte, waartegen een verdediging door verdachte gerechtvaardigd was.

Naar het oordeel van de rechtbank faalt, gegeven vorenvermelde overwegingen, tevens het subsidiair gedane beroep op putatief noodweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank oordeelt dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 5. is overwogen en op grond waarvan de rechtbank tot de slotsom is gekomen dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging gerechtvaardigd was, het beroep op noodweerexces tevens verworpen dient te worden.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

7. Motivering van straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met behulp van een vuurwapen, welk wapen ‘schietklaar’ was, een jonge man, [slachtoffer], doodgeschoten. Dit gebeurde op klaarlichte dag midden in een woonwijk voor de ogen van buurtbewoners, onder wie nog relatief jonge kinderen. Verdachte heeft [slachtoffer] zijn meest kostbare bezit, namelijk zijn leven, afgenomen. Daarnaast heeft deze doodslag onbeschrijfelijk veel leed aan de nabestaanden toegebracht. Het slachtoffer laat zijn familie en vrienden achter. Door de wijze waarop het slachtoffer aan zijn einde is gekomen is de rechtsorde ernstig geschokt.

De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat de manier waarop en de plaats waar het slachtoffer is neergeschoten de gevoelens van onveiligheid van burgers in de samenleving aanzienlijk hebben vergroot. Het is daarbij immers niet ondenkbaar dat onschuldige omstanders geraakt hadden kunnen worden door kogels vanuit het vuurwapen van verdachte. De rechtbank neemt dit verdachte dan ook buitengewoon kwalijk.

Levensdelicten vormen de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent en rechtvaardigen alleen al om die reden een strenge bestraffing.

In strafmatigende zin neemt de rechtbank in aanmerking, dat aannemelijk is dat de veelvuldige bedreigingen aan het adres van verdachte (soms mede gericht op zijn vriendin en kind) door het slachtoffer, althans de groepering waartoe het slachtoffer behoorde, mede ten grondslag hebben gelegen aan het begaan van de onderhavige doodslag.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat na te noemen straf die langdurige vrijheidsbeneming meebrengt dient te worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 26 en 55 Wet Wapens en Munitie.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder de feiten 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT (8) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

16) 1.00 STK Telefoontoestel NOKIA [nummers];

17) 1.00 STK SIM-kaart [nummers]; en

18) 1.00 STK SIM-kaart LEBARA [nummers].

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Hijink, voorzitter,

mr. R.E.A. Toeter en mr. M.P.J. Ruijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Zoethout,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 maart 2011.