Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ7511

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
399628 / CV EXPL 08-11966
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

RSI-zaak. Schadevergoeding. Stelplicht en bewijslast. Deskundigenberichten geven onvoldoende steun aan de stelling van eiseres dat (a) zij aan RSI lijdt en (b) deze klachten zijn ontstaan tengevolge van de werkzaamheden die zij voor haar werkgever heeft verricht. Geen aanleiding om werkgever te laten bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht c.q. de veiligheidsvoorschriften ex artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan. De vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 399628 / CV EXPL 08-11966

datum uitspraak: 18 mei 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiseres]

te [woonplaats]

eiseres

hierna te noemen [eiseres]

gemachtigde eerst mr. J.P van der Velden, thans mr. S. Mosk (DAS Rechtsbijstand)

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SANOMA UITGEVERS B.V.

te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen Sanoma

gemachtigde mr. T.L. Cieremans

De verdere procedure

Bij tussenvonnis van 17 juni 2009 zijn dr. C.F.A. Bos, orthopedisch chirurg te Den Haag, en prof. M.J. Zwarts, neuroloog te Nijmegen, als deskundigen benoemd. Bij tussenvonnis van 7 april 2010 heeft de kantonrechter op verzoek van partijen in plaats van de oorspronkelijk benoemde prof. M.J. Zwarts, als deskundige benoemd dr. W.I.M. Verhagen, als neuroloog verbonden aan het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen.

Dr. Bos heeft op 20 april 2010 een concept deskundigenbericht overgelegd. Op 22 juni 2010 heeft hij, naar aanleiding van vragen van partijen, een aanvulling op het concept deskundigenbericht gegeven.

Op 18 augustus 2010 heeft [eiseres] zich bij akte uitgelaten over het deskundigenbericht van Bos.

Op 20 januari 2011 heeft dr. Verhagen een deskundigenbericht overgelegd.

Op 20 april 2011 heeft [eiseres] zich bij akte uitgelaten over het deskundigenbericht van dr. Verhagen en heeft Sanoma zich bij akte uitgelaten over de deskundigenberichten van dr. Bos en dr. Verhagen.

Vonnis is bepaald op heden.

De verdere beoordeling

1. De kantonrechter blijft bij de inhoud van de hiervoor genoemde tussenvonnissen. In het vonnis van 17 juni 2009 is overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden, dat op [eiseres] de stelplicht en de bewijslast rust van haar stelling dat bij haar RSI-klachten aan haar rechterarm zijn ontstaan ten gevolge van haar werkzaamheden voor Sanoma. Ten einde dat bewijs te leveren heeft de kantonrechter een deskundigenbericht bevolen en aan de door haar benoemde deskundigen dr. C.F.A. Bos en dr. W.I.M. Verhagen verzocht te onderzoeken a) of [eiseres] aan RSI lijdt en b) in hoeverre de werkzaamheden en/of de omvang van het werk en/of aan de werkplek gerelateerde omstandigheden oorzaak (kunnen) zijn van de door [eiseres] als RSI aangeduide klachten en/of andere factoren het ontstaan van de klachten hebben veroorzaakt of hebben kunnen veroorzaken. Aan de deskundigen is een aantal vragen ter beantwoording voorgelegd, zoals in voornoemde vonnissen vermeld.

2. Sanoma is van mening dat op grond van de rapportage en de beantwoording van de vragen door de deskundigen voldoende is komen vast te staan dat de klachten en beperkingen die [eiseres] als RSI aanduidt, niet zijn te relateren aan de door haar verrichte werkzaamheden voor Sanoma. [eiseres] daarentegen is de mening toegedaan dat uit de deskundigenberichten juist wel kan worden afgeleid dat de bewegingsbeperkingen die zij in het schoudergebied heeft, voortkomen uit haar werkzaamheden bij Sanoma.

3. [eiseres] is het niet eens met de door dr. Bos gestelde diagnose dat sprake is van een ‘frozen shoulder’, aangezien andere specialisten die [eiseres] eerder hebben onderzocht, niet tot die diagnose zijn gekomen. Bovendien, zo stelt [eiseres], gaat dr. Bos voorbij aan de klachten in haar pols en elleboog en aan het gegeven dat zij 6 uur per dag achter de pc zat, er sprake was van een hoge werkdruk en zij geen goed ingerichte werkplek had. Al deze werkomstandigheden kunnen wel degelijk hebben bijgedragen tot het ontstaan van RSI, aldus [eiseres].

Ook in de conclusie van dr. Verhagen, dat de bewegingsstoornissen in het rechter schoudergewricht zouden kunnen passen bij een frozen shoulder, kan [eiseres] zich niet vinden. Zij wijst daarbij op de rapportage van dr. H.J.J. Zwart, orthopedisch chirurg bij het Medisch Centrum Molendael van 4 maart 2002, waarin wordt gesteld dat “de klachten in relatie staan met haar werkzaamheden. Eén en ander geduid als RSI” en op het rapport van prof. dr. J.W. Stenvers, neuroloog, van 24 november 2006, die stelt dat “sprake is van een aspecifieke vorm van RSI […] die waarschijnlijk werkgerelateerd zouden zijn”.

4. De kantonrechter verwerpt de door [eiseres] tegen de deskundigenberichten gevoerde verweren. Daartoe zijn de hierna uit de deskundigenberichten geciteerde passages van belang.

5. In het concept deskundigenbericht van 20 april 2010 heeft dr. Bos onder andere gerapporteerd dat de diagnose op orthopedisch terrein luidt: “Frozen shoulder rechts” (antwoord op vraag 1), dat “Géén van de huidige klachten en beperkingen […] het gevolg {zijn} van het uitgeoefende beroep van betrokkene” (antwoord op vraag 2a), dat “In het journaal van de huisarts […] bij een consult op 29-04-1998 {staat} vermeld dat betrokkene al jaren klachten had in de rechter nekstreek en de rechter schoudergordel” (antwoord op vraag 2b), dat het aannemelijk is dat “de huidige klachten en beperkingen ook zouden zijn opgetreden indien betrokkene haar laatste beroep niet had uitgeoefend” (antwoord op vraag 2c) en dat “geen functionele invaliditeit op orthopaedisch terrein {werd} vastgesteld die gerelateerd kan worden aan het destijds uitgeoefende beroep” (antwoord op vraag 4). Als antwoord op vraag 7 heeft dr. Bos nog aangegeven: “De primaire frozen shoulder […] ontstaat spontaan.”

6. In de aanvulling op het concept deskundigenbericht van 22 juni 2010 heeft dr. Bos naar aanleiding van een vraag van Sanoma “of er thans sprake is van beperkingen op orthopaedisch gebied ten gevolge van de door betrokkene uitgeoefende werkzaamheden” onder meer het volgende opgemerkt:

“Mijns inziens bestaat er geen verband tussen de huidige door betrokkene ondervonden beperkingen bij het verrichten van activiteiten van het dagelijks leven […] en het destijds door betrokkene uitgeoefende beroep van projectredacteur.”

Op een drietal aanvullende vragen van [eiseres] heeft dr. Bos onder meer nog het volgende geantwoord:

“De diagnose frozen shoulder verklaart de klachten in de pols en elleboog van mevrouw [eiseres]-de Ruiter niet. De klachten in de rechter pols en de rechter elleboog konden niet worden verklaard. Bij het lichamelijk onderzoek van de rechter pols en de rechter elleboog werden geen afwijkingen vastgesteld. Bij röntgenonderzoek van de rechter pols d.d. 29-03-2010 werden ook geen afwijkingen vastgesteld.[…]

Betrokkene is als projectredacteur bij VNU (later Sanoma) werkzaam geweest. Bij een dergelijk beroep wordt geen fysiek zware arbeid van een schouder gevraagd. […]

De schouderklachten van betrokkene kunnen mijns inziens niet zijn ontstaan ten gevolge van de overige klachten in de arm.”

7. Het voorgaande in aanmerking nemende, is de kantonrechter van oordeel dat dr. Bos voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot zijn diagnose is gekomen dat sprake is van een zogenoemde ‘frozen shoulder’. Dat andere specialisten bij wie [eiseres] onder behandeling is geweest deze diagnose niet hebben gesteld, doet daaraan niet af. Ook de conclusie van dr. Bos dat een relatie tussen de klachten en beperkingen die [eiseres] ondervindt en haar werkzaamheden voor Sanoma niet kan worden vastgesteld, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gemotiveerd. Zoals uit de rapportage van dr. Bos blijkt, heeft hij zich daarbij niet alleen heeft gebaseerd op het door hem uitgevoerde lichamelijke onderzoek van [eiseres] en het röntgenonderzoek van de rechter pols en elleboog van [eiseres], maar ook op eerdere medische rapportages, waaronder die van dr. Zwart van 4 maart 2002 en dr. Stenvers van 24 november 2006, en op de door [eiseres] gegeven beschrijving van (de ontwikkeling van) haar klachten, zoals weergeven in het onderdeel Anamnese van het deskundigenbericht.

8. In het onderdeel ‘Samenvatting en bespreking’ van het door hem opgestelde deskundigenrapport heeft dr. Verhagen (onder meer) het volgende gesteld: “Betrokkene stelde mij het rapport van orthopeed Zwart en de neuroloog Stenvers ter hand, die concluderen tot bestaan van RSI. […] Uit nadien beschikbaar gestelde informatie komt naar voren dat zij in 1998 last had rechts in de nek/schouderspieren en al jaren Mensendieck had.”

9. Dr. Verhagen heeft als deskundige als antwoord op vraag 1 verwezen naar hetgeen hij in het onderdeel ‘Geneeskundig rapport’ van het deskundigenbericht van 20 januari 2011 onder Klinische diagnose heeft vermeld. Daarin wordt onder andere het volgende opgemerkt:

“Op het vakgebied van de neurologie vind ik geen afwijkingen. Er is sprake van bewegingsstoornissen in het rechter schoudergewricht die bijvoorbeeld zouden kunnen passen bij een frozen shoulder. […] De afwijkingen aan schouder, elleboog en pols liggen meer op het vakgebied van de orthopedie. Een neurologisch substraat heb ik hier niet voor.”

Als antwoord op vraag 2a merkt dr. Verhagen onder meer het volgende op:

“Blijkens het dossier had betrokkene voor 1998 alleen klachten van de rechterarm voor wat betreft de schouderspieren. Ten aanzien van de nek wordt melding gemaakt van klachten van nekspieren rechts. […] In de periode van het arbeidsconflict was er geen sprake van klachten van de rechterarm blijkens haar anamnese. Het lijkt erop dat zij bij haar terugkeer op haar werk in andere werkomstandigheden, waarbij met name meer computer- en telefoonwerk moest worden verricht, deze klachten heeft ontwikkeld. Zelf geeft ze aan dat in deze periode ook haar beperkingen zijn ontstaan. Vanuit neurologische optiek kan ik […] geen beperkingen voor haar aangeven.”

Als antwoord op vraag 2b heeft dr. Verhagen verwezen naar de afdelingen Anamnese en Samenvatting van het deskundigenrapport, alsmede naar de beantwoording van vraag 2a. Hij heeft daarbij opgemerkt dat er sprake is van “enige discrepantie”.

Als antwoord op vraag 2c heeft dr. Verhagen het volgende geantwoord:

“Betrokkene heeft mij gemeld dat tijdens het uitoefenen van haar laatste beroep/functie de klachten niet zijn veranderd en daarmee zijn de huidige klachten en door betrokkene ervaren beperkingen gelijk aan die voor haar laatste beroep/functie.”

Dr. Verhagen stelt voorts: “De inmiddels verrichte orthopedische expertise lijkt mij in deze zaak van belang, omdat de klachten op het terrein van het bewegingsapparaat liggen” (antwoord op vraag 3). Op vraag 4 antwoordt dr. Verhagen dat geen sprake {is} van blijvende functionele invaliditeit”.

10. De hiervoor geciteerde delen uit het deskundigenbericht van dr. Verhagen rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter niet de conclusie van [eiseres] in haar akte uitlating na deskundigenbericht van 20 april 2011, dat “in de rapportage van dr. Verhagen duidelijk {wordt} aangegeven waaruit de werkzaamheden van eiseres bestonden en dat hierdoor de lichamelijk klachten zijn ontstaan”. Hoewel in dit deskundigenbericht wel wordt aangegeven dat het erop lijkt dat [eiseres] klachten heeft ontwikkeld “na haar terugkeer op haar werk in andere werkomstandigheden, waarbij met name meer computer- en telefoonwerk moest worden verricht”, biedt het voor het overige onvoldoende ondersteuning voor de conclusie van [eiseres] dat haar klachten arbeidsgerelateerd zijn.

11. De hiervoor besproken rapporten en verslagen leiden zowel afzonderlijk als in samenhang bezien niet tot de slotsom dat [eiseres] erin is geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat (a) zij aan RSI lijdt en (b) deze klachten zijn ontstaan tengevolge van haar werkzaamheden bij Sanoma. Dit betekent dat de vraag of Sanoma aan haar zorgplicht heeft voldaan, dan wel dat de klachten van [eiseres] los van haar zorgplicht ook zouden zijn ontstaan, niet behoeft te worden beantwoord.

12. Nu de grondslag van de vordering niet in rechte is komen vast te staan, zal de vordering worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijke gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van de deskundigen.

13. Door Sanoma is als voorschot op de door de deskundigen te declareren kosten een bedrag van in totaal € 8.462,00 ter griffie gedeponeerd. Daarvan is een bedrag van in totaal € 6.578,32 aan de deskundigen betaald. Het surplus van het door Sanoma gedeponeerde bedrag, te weten € 1.883,68, dient derhalve aan haar te worden gerestitueerd.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Sanoma tot en met vandaag worden begroot op € 2.400,00 aan salaris van de gemachtigde en € 6.578,32 ter zake van de kosten van de deskundigen;

- bepaalt dat een bedrag van € 1.883,68 ter zake van het door Sanoma gedeponeerde voorschot op de deskundigenkosten door de rechtbank aan Sanoma zal worden gerestitueerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van Wassenaer en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.