Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ6196

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
141936/07-4353
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BV2922, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

omgang: veel procedures gevoerd. Gelijktijdig behandeld met verzoek OTS, verzoek vader toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

omgang

zaak-/rekestnr.: 141936/07-4353

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 29 maart 2011

in de zaak van:

[naam vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. K. Moene, kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,

tegen

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. Wieringa, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagbepalingsbeschikking van deze rechtbank van 10 januari 2011 en de daarin genoemde stukken.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 februari 2011 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. Moene en de moeder door mr. Wieringa. Tevens was ter zitting aanwezig de partner van de moeder, de heer [naam partner]. Voorts was ter zitting aanwezig de Raad voor de Kinderbescherming, vertegenwoordigd door mevrouw Van Dijk.

Het verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [naam minderjarige], waarbij op de zitting aanwezig was de Stichting Bureau Jeugdzorg agglomeratie Amsterdam, team Opperdan, vertegenwoordigd door mevrouw C. Starreveld.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2 Uit deze relatie is geboren de minderjarige [naam]:

- [naam minderjarige], op [datum] 2002 in de gemeente [plaats].

De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over de minderjarige.

2.3 De vader heeft op 27 juli 2004 een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [naam minderjarige]. Hiertegen heeft de moeder verweer gevoerd. Bij beschikking van 21 december 2004 heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen en aan de rechtbank rapport en advies uit te brengen omtrent de wijze waarop de omgang tussen de vader en [naam minderjarige] vorm dient te krijgen. Hangende dit raadsonderzoek is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de vader en [naam minderjarige] eenmaal per veertien dagen omgang met elkaar hebben. Voorts is bepaald dat de moeder een recente foto van [naam minderjarige] aan de vader doet toekomen en dat zij hangende het raadsonderzoek eens per maand een e-mail naar de vader stuurt waarin zij hem op de hoogte houdt van belangrijke aangelegenheden aangaande de ontwikkeling van [naam minderjarige].

2.4 Bij kort gedingvonnis van 29 april 2005 is de moeder veroordeeld tot nakoming van de omgangsregeling en de informatieplicht, zoals door de rechtbank vastgesteld bij beschikking van 21 december 2004. Voorts heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 150 per dag voor iedere dag dat zij niet voldoet aan de veroordeling tot nakoming van de omgangsregeling, tot een maximum van € 5.000.

2.5 Bij beschikking van 24 mei 2005 is door de rechtbank overwogen dat, nu gebleken is dat de moeder en [naam minderjarige] zich op [naam land] bevinden en de procureur van de moeder naar voren heeft gebracht dat de moeder voornemens is daar enige tijd te verblijven, de rechtbank geen andere optie ziet dan de zaak voor zes maanden aan te houden. Voorts heeft de rechtbank haar verzoek aan de Raad ingetrokken in verband met het verblijf van de moeder op [naam land]. De rechtbank heeft de voorlopige omgangsregeling, zoals eerder vastgelegd in de beschikking van 21 december 2004, gehandhaafd met dien verstande dat deze regeling in werking treedt zodra de moeder en de minderjarige in Nederland verblijven. De informatieplicht zoals eerder vastgelegd, is eveneens gehandhaafd.

2.6 De vader heeft zich op 12 december 2007 tot de rechtbank gewend met het verzoek tot vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [naam minderjarige], althans tot wijziging van de omgangsregeling. De vader heeft zijn verzoek onderbouwd met - onder meer - stukken omtrent het verblijf van de moeder in Nederland. De moeder heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd. Bij beschikking van 13 mei 2008 heeft de rechtbank de zaak aangehouden en de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en de rechtbank te adviseren omtrent de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen de vader en [naam minderjarige], waarbij de Raad indien mogelijk proefcontacten opstart.

De Raad concludeert in zijn rapportage van 3 juni 2009 dat er geen contra-indicaties zijn voor een contactherstel tussen de vader en [naam minderjarige] en adviseert om partijen te verwijzen naar het Omgangshuis.

Bij beschikking van 1 september 2009 heeft de rechtbank partijen verwezen naar het Omgangshuis en de zaak aangehouden.

Uit de rapportage van het Omgangshuis is gebleken dat er geen kennismaking tussen [naam minderjarige] en het Omgangshuis is gerealiseerd en dat het Omgangshuis besloten heeft het begeleidingsverzoek terug te geven.

2.7 De rechtbank heeft de zaak opnieuw behandeld ter zitting van 22 juni 2010, waar de mogelijkheid van een ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] is besproken. De rechtbank heeft bij beschikking van 6 juli 2010 de zaak aangehouden en de Raad verzocht onderzoek te doen.

2.8 De Raad heeft bij verzoek van 25 oktober 2010, ingekomen op 12 november 2010, verzocht om [naam minderjarige] ondertoezicht te stellen. Voorts heeft de Raad op 1 februari 2011 een aanvullende rapportage met betrekking tot dit rapport aan de rechtbank doen toekomen. Het verzoek van de Raad is tegelijk met het verzoek van de vader van 2007 behandeld ter zitting, waarbij beide raadslieden pleitnotities hebben overgelegd.

3 beoordeling

3.1 Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.

3.2 Uit het rapport van de Raad van 3 juni 2009 is gebleken dat er geen sprake is van contra-indicaties voor contactherstel tussen [naam minderjarige] en zijn vader. De moeder betwist echter dat omgang in het belang van [naam minderjarige] is. Zij heeft betoogd dat [naam minderjarige] geen belangstelling toont voor zijn vader en dat zij geen contact wil met de vader. De belasting die de omgang met de vader voor het gezin van moeder en stiefvader zal vormen is te groot, aldus de moeder.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling dat omgang niet in het belang is van [naam minderjarige], mede gelet op het advies van de Raad, onvoldoende heeft onderbouwd.

Niet als onderbouwing kan dienen dat [naam minderjarige] pas recent op de hoogte is van het bestaan van zijn vader en al jaren geen contact met hem heeft gehad. Dit is immers een keuze van de moeder, die ondanks rechterlijke beschikkingen geen contact tussen [naam minderjarige] en de vader tot stand heeft gebracht. Niet valt in te zien in welk opzicht deze keuze in het belang is geweest van [naam minderjarige] of in welk opzicht de moeder daarmee het belang van [naam minderjarige] voor ogen heeft gehad. De – overigens niet onderbouwde - angst van de moeder voor de vader en vrees voor een negatieve impact op het gezin bij het realiseren van contact tussen [naam minderjarige] en zijn vader, zijn evenmin gronden om een vader en een kind contact met elkaar te ontzeggen. Niet is aangetoond dat de angst gerechtvaardigd is, dan wel dat de moeder enige moeite heeft gedaan daar voor zichzelf met het oog op de belangen van [naam minderjarige] hulp voor te zoeken.

Nu bij beschikking van heden het verzoek tot ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] wordt toegewezen, kan de gezinsvoogd hulp bieden bij de door de moeder ervaren angst voor een eventuele negatieve impact van omgang tussen [naam minderjarige] en de vader op haar huidige gezin.

Gelet op het voorgaande mist de stelling dat de vader geen recht heeft op omgang, juridische grondslag.

3.3 De rechtbank zal het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling toewijzen, maar daarbij de volgende opbouw in acht nemen vanaf het moment dat een gezinsvoogd is toegewezen voor [naam minderjarige]:

- na drie maanden: de vader zal een video met daarop een kort berichtje voor [naam minderjarige] inleveren bij de gezinsvoogd. De gezinsvoogd zal met [naam minderjarige], buiten aanwezigheid van de moeder en de stiefvader, deze video bekijken;

- na zes maanden: een keer per veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 zal [naam minderjarige] bij zijn vader verblijven. De vader zal [naam minderjarige] bij eventuele sportwedstrijden begeleiden op deze zaterdag;

- na negen maanden: een keer per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur zal [naam minderjarige] bij zijn vader verblijven;

- na een jaar: conform de door de vader verzochte omgangsregeling van vrijdag 20.00 uur tot zondag 19.00 uur.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1 Stelt vast de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht:

De minderjarige [naam]:

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 2002 in de gemeente [plaats]

en de vader zijn gerechtigd omgang met elkaar te hebben op de wijze zoals in rechtsoverweging 3.3 is weergegeven.

4.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

4.3 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.J. van Keken, A.L. Diender en A.Roelvink-Verhoeff, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.