Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ5832

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
10/2037
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BT2840, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu het bouwvlak in het bestemmingsplan ten gevolge van een fout van de planwetgever niet is afgestemd op het bouwplan en de overige strijdigheden middels een binnenplanse vrijstelling konden worden vergund, is sprake van een afwijking van het bestemmingsplan van geringe betekenis. Verweerder heeft de vrijstelling voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft terecht aangegeven dat de stedenbouwkundige effecten van het bouwplan vergelijkbaar zijn met die welke op grond van het bestemmingsplan mogelijk zijn. Ook anderszins is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers niet onevenredig worden benadeeld door het verlenen van vrijstelling met bouwvergunning. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan zodanige gevolgen heeft voor de bezonning van hun woningen en hun privacy dat verweerder in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen niet tot het verlenen van vrijstelling had mogen overgaan. Eisers betogen nog dat nu het bestemmingsplan zeer recent is vastgesteld, het verlenen van vrijstelling thans nog niet aan de orde kan zijn. Ook indien sprake is van een recent vastgesteld bestemmingsplan, heeft verweerder echter de bevoegdheid om daarvan af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2037

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2011

in de zaak van:

[eisers] e.a.,

allen wonende te [woonplaats]

eisers,

gemachtigde: mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder,

gemachtigde: drs. J.R. Hartmans, werkzaam bij de gemeente Haarlem,

derde partij:

[derde partij],

wonende te [woonplaats],

vergunninghouder,

gemachtigde: mr. Th.F. Roest, advocaat te Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft verweerder [derde partij] binnenplanse vrijstelling alsmede bouwvergunning verleend voor het bouwen van twee woningen op het perceel [adres].

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 1 december 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft verweerder -voor zover relevant- besloten om het bezwaar gegrond te verklaren voor wat betreft de verleende vrijstelling. Verder is besloten voor het bouwplan een andere vrijstellingsprocedure te volgen en de beslissing op de bezwaarschriften aan te houden.

Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld bij brief van 21 april 2010. Bij brieven van 3 mei 2010 en 17 mei 2010 hebben eisers dit beroep nader toegelicht.

Bij brief van 23 juni 2010 heeft vergunninghouder aangegeven als partij aan de beroepsprocedure te willen meenemen.

Bij brief van 9 juli 2010 heeft de gemachtigde van vergunninghouder gereageerd.

Op 29 juni 2010 heeft verweerder vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

Bij brief van 3 augustus 2010 heeft de gemachtigde van eisers beroep ingesteld tegen de verleende vrijstelling.

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft verweerder bouwvergunning verleend.

Bij besluit van 9 augustus 2010 heeft verweerder eisers laten weten dat op 29 juni 2010 vrijstelling is verleend. Verder heeft verweerder aangegeven dat is besloten de bezwaren gegrond te verklaren voor zover deze betrekking hebben op de basis waarop de vrijstelling is verleend, de overige bezwaren ongegrond te verklaren, het besluit van 22 oktober 2009 in te trekken en bouwvergunning te verlenen.

Tegen de besluiten van 2 en 9 augustus 2010 heeft de gemachtigde van eisers beroep ingesteld bij brief van 7 september 2010.

Bij brief van 10 september 2010 heeft de rechtbank de nieuwe besluiten -vooralsnog- aangemerkt als voortgezette besluitvorming ten aanzien van de beslissing op bezwaar van 11 maart 2010 en heeft de brief van de gemachtigde van eisers van 7 september 2010 aangemerkt als aanvulling op het beroep van 21 april 2010.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 januari 2011 heeft de gemachtigde van eisers haar standpunt terzake nader uiteengezet.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 februari 2011, alwaar de gemachtigde van eisers is verschenen. Zij werd vergezeld door een aantal eisers. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd. Voorts zijn vergunninghouder en zijn gemachtigde ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

Formeel

2.1 Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Op grond van de Invoeringswet Wet op de ruimtelijke ordening blijft op aanvragen die zijn ingediend voor 1 juli 2008 de WRO van toepassing. Aangezien de aanvraag dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval de bepalingen van de WRO van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

2.2 Artikel 49, vijfde lid, van de ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende Woningwet (WW), bepaalt: “De verlening van de vrijstelling wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.”

2.3 Volgens bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) moet uit voormelde bepaling worden afgeleid dat de wetgever een concentratie van rechtsbescherming voor ogen heeft gehad om aldus onnodige procedures te voorkomen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2004, 200305788/1). Voor zover vrijstelling is vereist, teneinde bouwver-gunning voor een project te kunnen verlenen, kan tegen de beslissing op het vrij-stellingsverzoek worden opgekomen in het kader van een beslissing op een voor dat traject ingediende bouwaanvraag. Daaruit volgt dat het beroep van 3 augustus 2010 gericht tegen het vrijstellingsbesluit van 29 juni 2010 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het beroep van 7 september 2010 tegen de besluiten van 2 en 9 augustus 2010 heeft mede betrekking op het vrijstellingsbesluit.

2.4 Het beroep van 21 april 2010 gericht tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2010 om de vrijstellingsprocedure van artikel 19a WRO te volgen, is gevolgd door besluiten van 2 en 9 augustus 2010 waarbij alsnog volledig op de ingediende bezwaren is beslist en vrijstelling en bouwvergunning is verleend. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld. Eisers hebben dan ook geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 11 maart 2010. Ook dit beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.5 Uit het vorenstaande volgt dat ter beoordeling voorligt het beroep van 7 september 2010 gericht tegen het besluit op bezwaar van 9 augustus 2010 en de hierin opgenomen besluiten tot het verlenen van bouwvergunning van 2 augustus 2010 en vrijstelling van 29 juni 2010. De rechtbank zal -gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de proceshouding van partijen- de beroepsgronden tegen bouwvergunning en vrijstelling zoals neergelegd in de brief van eisers van 3 mei 2010 mede aanmerken als gronden van het beroep van 7 september 2010.

Inhoudelijk

2.6 Het bouwplan betreft het bouwen van twee woningen (twee-onder-één-kap) met twee autobergingen aan de [adres]. Beide woningen krijgen drie bouwlagen (een parterre met twee verdiepingen), een plat dak en komen in de plaats van een bestaande bungalow van één woonlaag met kap. Eisers zijn woon-achtig aan de [adres] alsmede de nabijgelegen [adres] en [adres].

2.7 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plekke geldende bestemmingsplan "[naam]" (hierna: het bestemmingsplan) omdat:

-het bouwplan niet is gesitueerd binnen het bouwvlak zoals ingetekend op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan, maar deels ligt in de bestemming "tuin" (T-l);

-het bouwplan een goothoogte heeft van 8,66 meter, terwijl een goothoogte van maximaal 6 meter is toegestaan en;

-de gevels op de derde bouwlaag niet ten minste 1,00 meter terug liggen ten opzichte van de gevels van de tweede bouwlaag.

Verweerder heeft voor deze strijdigheden vrijstelling verleend.

2.8 Eisers vinden de ruimtelijke onderbouwing ondeugdelijk mede omdat op meerdere essentiële onderdelen van het recent vastgestelde bestemmingsplan wordt afge-weken. Het verlenen van vrijstelling kan binnen zo'n korte termijn na vaststelling niet aan de orde zijn. Het bouwplan heeft negatieve gevolgen voor hun privacy en de bezonning. Ook is het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand, omdat het straatbeeld ter plaatse wordt aangetast, aldus eisers.

2.9 De beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft. Hieruit vloeit voort dat de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.10 De rechtbank acht in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen. In dat verband is allereerst van belang dat voor de overschrijding van de maximale goothoogte en de positionering van de zijgevels van de tweede etage ten opzichte van die van de eerste etage (in het bouwplan is dit 68 centimeter waar dit op grond van het bestemmingsplan minimaal 1 meter moet zijn) een binnenplanse vrijstelling kan worden verleend. Verweerder was enkel gehouden tot het volgen van de vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, tweede lid, WRO omdat het bouwplan is gelegen buiten het bouwvlak. Daaraan heeft verweerder zijn medewerking verleend, omdat was gebleken dat bij het opstellen van het bestemmingsplan een fout is gemaakt. Abusievelijk was nagelaten het bouwvlak op het betreffende perceel in het nieuwe bestemmingsplan zodanig in te tekenen op de plankaart dat het voorliggende bouwplan op dat punt in overeenstemming is met dat plan. Nu het bouwvlak in het bestemmingsplan ten gevolge van een fout van de planwetgever niet is afgestemd op het bouwplan en de overige strijdigheden middels een binnenplanse vrijstelling konden worden vergund, is sprake van een afwijking van het bestemmingsplan van geringe betekenis.

2.11 In het bouwplanadvies van de afdeling Ruimtelijk Beleid, team ruimtelijke kwaliteit d.d. 25 januari 2010 is het volgende opgenomen:

“Straatbeeld.

In de omgeving zijn veel vrijstaande woongebouwen gerealiseerd. Het bouwplan is vrijstaand op de kavel met voldoende afstand tot de omliggende bebouwing en is in de voorgevelrooilijn van de naast gelegen panden gelegen. Dit is een ruimtelijk kenmerk en kwaliteit voor deze omgeving. De nieuwbouw heeft ook een ruime afstand tot de naast gelegen erfgrenzen, deze is ruimer dan in de bestaande situatie. De nieuwe situering is een verbetering van het straatbeeld t.a.v. de bestaande situatie.”

En even verderop in hetzelfde document:

“Schaal.

Het niet 1m. terugliggen van de derde bouwlaag t.o.v. de zijgevel is ruimtelijk fysiek niet bezwaarlijk, omdat de afstand tot de naast gelegen kavelgrens voldoende is en de bouwmassa nagenoeg binnen het fysieke profiel valt als er een kap (70°) op het pand was gedacht. Twee bouwlagen met een terugliggende derde bouwlaag zijn passend in de schaal van de omgevingsbebouwing.”

Aangezien het bouwplan slechts in geringe mate afwijkt van het bestemmingsplan is de vrijstelling hiermee voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het betoog van eisers dat sprake is van een aantasting van het straatbeeld, omdat de omgeving wordt gekenmerkt door vrijstaande (villa)woningen veelal met een kap terwijl het bouwplan twee aan elkaar gebouwde woningen met één plat dak betreft, leidt niet tot een ander oordeel. In de eerste plaats niet, omdat de massaliteit van het bouwplan nagenoeg geheel blijft binnen de voorschriften van het bestemmingsplan. Alleen de goothoogte wordt overschreden, maar de maximaal toegestane bouwhoogte wordt geëerbiedigd. Verweerder heeft dan ook terecht aangegeven dat de steden-bouwkundige effecten van het bouwplan vergelijkbaar zijn met die welke op grond van het bestemmingsplan mogelijk zijn. Voorts is van belang dat de Advies-commissie Ruimtelijke Kwaliteit/CWM ten aanzien van het bouwplan -en derhalve ook voor het platte dak van beide woningen- een positief welstandsadvies heeft afgegeven. Blijkens de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan is een plat dak ter plaatse ook toegestaan.

2.12 Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers niet onevenredig worden benadeeld door het verlenen van vrijstelling met bouwvergunning. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan zodanige gevolgen heeft voor de bezonning van hun woningen en hun privacy dat verweerder in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen niet tot het verlenen van vrijstelling had mogen overgaan. Zo wordt -zoals reeds hiervoor is overwogen- de afstand van het bouwplan tot de erfgrens en daarmee tot de omliggende bebouwing ruimer dan in het geval het bestemmingsplan wordt nageleefd, waarmee in feite als gevolg van het bouwplan een voor omwonenden gunstiger situatie zal ontstaan, zowel qua bezonning als qua privacy, waarbij ook hier van betekenis is dat de massaliteit van het bouwplan niet in relevante mate afwijkt van hetgeen het bestemmingsplan toestaat. Voor de verder niet onderbouwde stelling van eisers dat de bezonningsstudie niet uitgaat van de juiste gegevens, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden.

2.13 Het betoog van eisers dat nu het bestemmingsplan zeer recent is vastgesteld het verlenen van vrijstelling thans nog niet aan de orde kan zijn, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Ook indien er sprake is van een recent vastgesteld bestemmingsplan, heeft verweerder immers de bevoegdheid om daarvan af te wijken.

2.14 Tot slot hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat het positieve welstandsadvies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit/CWM niet in overeenstemming is met de relevante passages uit de welstandsnota van de gemeente Haarlem, zodat ook dit betoog faalt.

2.15 Resumerend is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volgehouden dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is. Ook overigens zijn er geen aanknopings-punten voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten zoals hij heeft gedaan, en evenmin voor het oordeel dat overigens aan het bestreden besluit – onder meer wat betreft de zorgvuldigheid en de motivering – zodanige gebreken kleven dat dit niet in stand kan blijven. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

2.16 Tot slot wordt het volgende overwogen. Namens eisers is gevraagd om een proceskostenveroordeling. De wijze van besluitvorming van verweerder is voor eisers bij-zonder ondoorzichtig geweest. Het besluit van 11 maart 2010 was onvolledig, omdat de bezwaren voor een deel werden aangehouden. Van de verleende vrijstelling op 29 juni 2009 heeft verweerder eisers pas op 9 augustus 2010 mededeling gedaan. In verband hiermee ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van de beroepschriften die eisers tegen het besluit van 11 maart 2010 en de vrijstelling van 29 juni 2010 hebben ingediend tot een bedrag van in totaal € 874,-- (2 maal 1 punt voor de beroepschriften). De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te gelasten het door hen betaalde griffierecht te vergoeden nu er in deze zaak maar één keer griffierecht is geheven en het beroep ongegrond zal worden verklaard.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep van 21 april 2010 gericht tegen het besluit van 11 maart 2010 niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep van 3 augustus 2010 gericht tegen het vrijstellingsbesluit van 29 juni 2010 niet-ontvankelijk;

3.3 verklaart het beroep van 7 september 2010 gericht tegen het besluit op bezwaar van 9 augustus 2010 ongegrond;

3.4 veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,-- te betalen aan eisers;

3.5 wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.