Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ3272

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
15-840003-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0305, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Alpamayo. Zeven jaar gevangenisstraf wegens invoer 14 kilogram cocaïne, voorbereidingshandelingen en (gewoonte)witwassen. Gelegenheid uitluisteren tapgesprekken door verdediging; vertrouwelijkheid communicatie advocaat en verdachte; termijn vernietiging geheimhoudersgesprekken; inzet peilbaken en IMSI-catcher; vrijwillige terugtred.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840003-10

Uitspraakdatum: 29 april 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 september 2010, 7 december 2010, 4 maart 2011, 24 maart 2011, 25 maart 2011, 31 maart 2011, 5 april 2011, 8 april 2011 en 15 april 2011 in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel, locatie Demersluis, te Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na een nadere omschrijving van de tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:

Feit 1

(zaaksdossier B1)

hij op of omstreeks 21 juni 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 13.839,70 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Feit 2

(zaaksdossier B9)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 mei 2009 tot en met 2 december 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden of te bevorderen;

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

in de periode van 7 mei 2009 tot en met 21 juni 2009

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers en/of leveranciers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of hoeveelheid van (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van invoer van en/of de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

- (meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of

- (meermalen) vlucht- en/of bagage - en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) (een) vliegticket(s) gekocht en/of betaald

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd ( in en/of nabij de woning(en) van [medeverdachte E] ([woonadres medeverdachte E]) en/of [verdachte] ([woonadres verdachte]) en/of in en/of nabij de winkel [naam telefoonwinkel] aan het [adres telefoonwinkel] en/of in en/of nabij café [naam café] te Amsterdam en/of elders in Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of

- (meermalen) bij die ontmoeting(en) papieren/documenten verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en/of

- (meermalen) geld heeft ontvangen en/of gegeven

en/of

in de periode van 12 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers en/of leveranciers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of hoeveelheid van (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer van en/of overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd bij in en/of nabij de woning van [medeverdachte E] ([woonadres medeverdachte E]) en/of elders in Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of

- (meermalen) geld heeft ontvangen en/of gegeven.

Feit 3

(zaaksdossier B15)

hij op of omstreeks de periode van 17 maart 2010 tot en met 20 maart 2010 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2.000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2010 tot en met 20 maart 2010 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden of te bevorderen;

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemer(s) en/of leverancier(s) (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of kwaliteit en/of gewicht van (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de overdracht van een of meer partij(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd in en/of nabij de woning(en) van [verdachte] ([woonadres verdachte]) en/of [medeverdachte D] ([verblijfadres medeverdachte D]) en/of in en/of nabij de winkel [naam telefoonwinkel] aan het [adres telefoonwinkel] en/of de parkeergarage Hoogoord en/of elders in Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of

- (meermalen) geld heeft ontvangen en/of gegeven.

Feit 4

(zaaksdossier B16)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 april 2010 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar krachtens die gewoonte, (telkens) van een of meer voorwerp(en) , te weten;

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 105.637,42 euro op de bankrekening(en) [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] en/of [rekeningnummer 3] t.n.v. [verdachte] bij de ABN-AMRO en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 39.441,54 euro op de bankrekening(en) [rekeningnummer 4] en/of [rekeningnummer 5] ten name van [medeverdachte A] bij de ING en/of

- een geldbedrag van 3.990,06 euro (te weten de contante betaling van een personenauto (Ford Fusion, kenteken [kenteken 1])) en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 1945,- euro (te weten de contante betaling(en) van (een) kledingstuk(ken) bij (winkelbedrijf) Burberry en/of

- een geldbedrag van (totaal) 578 euro (te weten de contante betaling van een (een) kledingstuk(ken) bij (winkelbedrijf) Oger en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 602,- (te weten de contante betaling(en) van (een) kledingstuk(ken) bij (winkelbedrijf) Azuzurro Kids en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 6.500,- euro (te weten de contante betaling van een (compleet) bed bij (winkelbedrijf) Swiss Sense en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 4.372,44 euro (te weten de contante betaling(en) aan autoverhuurbedrijf AVIS en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 6.416,- euro (te weten verzonden moneytransfers)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren op die/dat voorwerp(en) en/of verborgen en/of verhuld wie die/dat voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren van enig misdrijf

en/of

die/dat voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Feit 5

(zaaksdossier B16)

hij op of omstreeks 7 april 2010 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten

- 45, althans een of meer handtas(sen) en/of sleuteltassen van het/de merk(en) Gucci en/of Louis Vuitton en/of Friis &Co Copenhagen en/of Evisu en/of Gianfranco Ferre en/of Furia en/of Lanvin en/of Burberry en/of Hugo Boss en/of DKNY en/of Prada en/of Bally en/of Dolce & Gabbana en/of Pepe Jeans en/of

- 18, althans een of meer, sjaals van het merk Louis Vuitton en/of 1 portemonnee van het merk Louis Vuitton en/of

- 35, althans een of meer, zonnebril(len) van het/de merk(en) Yves Saint Laurent en/of Louis Vuitton en/of Emilio Pucci en/of Jimmy Choo en/of Marc Jacobs en/of Calvin Klein en/of Gucci en/of Prada en/of Ray Ban en/of Tom Ford en/of Ralph Lauren en/of Roberto Cavalli en/of

- 2 mutsen en/of 10, althans een of meer, cap(s) van het/de merk(en) Louis Vuitton en/of Dsquared en/of Prada en/of Dolce & Gabbana en/of Gucci en/of

- 16, althans een of meer, jas(sen) van het merk Moncler en/of

- 115, althans een of meer, paar schoenen van het/de merken Burberry en/of Iceberg en/of Ralph Lauren en/of Converse All Star en/of Dolce & Gabbana en/of Christian Dior en/of Gucci en/of Louis Vuitton en/of Nike en/of Nike ID en/of Nike Jordan en/of Replay en/of Diesel en/of en Redwing en/of Lanvin en/of Adidas en/of Puma en/of

- 6 paar laarzen en/of 2 paar slippers van de/het merk(en) UGG Australia en/of Gucci,

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Feit 6

(zaaksdossier B9)

hij op of omstreeks 07 april 2010 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De raadsvrouw van verdachte heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit op grond van een aantal argumenten. Allereerst verwijt de verdediging dat ze niet in de gelegenheid is gesteld om de opgenomen telefoongesprekken uitsluitend met haar cliënt uit te luisteren en te bespreken. Bovendien is ze niet in de gelegenheid gesteld niet in het dossier opgenomen gesprekken te beluisteren. Voorts zou de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt zijn doorbroken.

De officier van justitie heeft het standpunt van de verdediging bestreden en onder meer aangevoerd dat de gesprekken in de politiesystemen zijn opgeslagen en er dus bij het uitluisteren altijd een persoon aanwezig moet zijn voor de bediening van de apparatuur. Voorts heeft de verdediging steeds de mogelijkheid gehad in afzondering de gesprekken te bespreken, zij het dat die gelegenheid niet na ieder gesprek werd geboden, maar steeds na enkele gesprekken. Dat van te voren moest worden aangegeven welke gesprekken beluisterd wensten te worden was noodzakelijk omdat het selecteren van één van de 76.000 gesprekken voorbereiding eist. Ook niet in het dossier opgenomen gesprekken konden worden beluisterd.

Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen grond voor de conclusie dat verdachte een eerlijk proces is onthouden dan wel anderszins de belangen van de verdediging zodanig zijn geschonden dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie geboden is. De rechtbank stelt allereerst vast dat sedert september 2010 de verdediging de gelegenheid heeft gehad om de tapgesprekken uit te luisteren. De aanwezigheid van een lid van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) die de apparatuur bedient is, gelet op hetgeen de officier van justitie daarover heeft opgemerkt, gerechtvaardigd en heeft de verdediging niet belet om in vertrouwelijkheid te kunnen overleggen. Dat dit slechts steeds na enkele gesprekken kon gebeuren is niet onoverkomelijk. Het verwijt dat de vertrouwelijkheid tussen advocaat en verdachte is geschonden mist iedere grond. De noodzaak om van te voren te weten welke gesprekken dienen te worden uitgeluisterd is door de officier van justitie toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van het bestand aan gesprekken deze eis rechtvaardigt. De rechtbank is, gelet ook op hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting hierover heeft gezegd, ervan overtuigd dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad om gesprekken uit te luisteren die niet in het dossier zijn opgenomen. Uit de uitvoerige briefwisseling tussen advocaat en officier van justitie blijkt niet van enige beperking. Wel mocht aan de verdediging de eis gesteld worden dat van te voren werd aangegeven welke gesprekken uitgeluisterd zouden worden. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande niet noodzakelijk om [verbalisant] als getuige te horen, zodat dit verzoek van de verdediging dient te worden afgewezen.

De verdediging heeft voorts betoogd dat bij het verwerken van getapte gesprekken met geheimhouders op grote schaal fouten zijn gemaakt, doordat ze niet binnen de daarvoor geldende termijnen zijn vernietigd.

De rechtbank stelt vast dat de beleidsregels van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de vernietiging van de desbetreffende tapverslagen in een aantal gevallen is overschreden. Deze stukken hebben als gevolg van deze handelwijze langer dan het beleid toestaat aan de Kmar ter beschikking gestaan. Evenwel is niet aannemelijk geworden dat tevens wettelijke of bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels zijn geschonden. Voorts is er geen enkele aanwijzing dat de Kmar de intentie had met behulp van de inhoud van voormelde geheimhoudergesprekken informatie te verwerven of dat het onderzoek op basis van deze tapverslagen of anderszins met gebruikmaking daarvan is gestuurd. Gevoegd bij de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat verdachte hierdoor is benadeeld, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een beperkte schending van de beleidsregels van het Openbaar Ministerie. De rechtbank volstaat met de enkele constatering daarvan en verbindt daar geen verdere gevolgen aan.

De verdediging heeft betoogd dat er tussen de periode van de eerste machtiging ex artikel 126l Sv, eindigend op 13 maart 2009, en de tweede machtiging, aanvangend op 15 maart 2009, een gat zit van drie dagen, waarin een peilbaken is ingezet zonder dat de rechter-commissaris daarvoor toestemming heeft verleend.

De officier van justitie heeft bestreden dat tijdens de eerste machtigingsperiode het bewuste opsporingsmiddel reeds was ingebouwd en heeft verklaard dat zulks pas na de start van de tweede periode plaatsvond. Van een gat van drie dagen onrechtmatig gebruik is volgens de officier van justitie daarom geen sprake. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin en concludeert dat de grief van de verdediging moet worden verworpen.

De verdediging heeft verder betoogd dat een zogenoemde IMSI-catcher is ingezet zonder dat daartoe machtiging door de rechter-commissaris was verleend.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat anders dan de raadsvrouw meent voor de onderhavige inzet van de IMSI-catcher (om (een) nog niet bij de Kmar bekend(e) telefoonnummer(s) van een verdachte te achterhalen) geen machtiging van de rechter-commissaris is vereist. Ingevolge artikel 126nb Sv kan de officier van justitie een bevel tot een dergelijke inzet van de IMSI-catcher geven. In het dossier bevinden zich ten aanzien van verschillende verdachten bevelen tot inzet van de IMSI-catcher. De rechtbank verwijst hier naar de volgende pagina's:

- [medeverdachte E] : dossier D1.1, deel 1, pagina 470-519;

- [medeverdachte K] : dossier D1.8, deel 2, pagina 722-791;

- [medeverdachte H] : dossier D1.13, pagina 364-376;

- [verdachte] : dossier D1.15, deel 1, pagina 460-474, en dossier D1.15, deel 2, pagina 947-968.

Nu gesteld noch gebleken is dat de IMSI-catcher buiten deze bevelen om is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank aan de wettelijke voorschriften voldaan en dient de klacht van de verdediging zoals gezegd te worden verworpen.

Voor de stelling dat verdachte ten gevolge van alle bovenstaande omstandigheden een eerlijk proces is onthouden en het Openbaar Ministerie om deze reden of om andere hierboven genoemde redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard bestaat geen grond.

Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanig ernstig verzuim bij het voorbereidend onderzoek dat bewijsuitsluiting of strafvermindering geboden is - een en ander als bedoeld in artikel 359a Sv.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten - behoudens ter zake van feit 2 de periode van 12 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009, waarvoor volgens de officier van justitie vrijspraak moet volgen - en gevorderd dat de verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tevens heeft de officier van justitie beslissingen omtrent nog in beslag genomen voorwerpen gevorderd, voor zover op deze voorwerpen op het moment van uitspraak geen (conservatoir) beslag ex artikel 94a Sv zal rusten.

De officier van justitie heeft voorts ter zitting aangekondigd een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te doen.

4. Bewijs

4.1. Partiële vrijspraak

Feit 4

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 4, eerste gedachtestreepje, genoemde bedrag van € 105.637,42 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Immers, uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzittingen is gebleken dat rekeningnummer [rekeningnummer 2] werd gebruikt door de moeder van verdachte en dat haar salaris op die rekening werd gestort. Van het grootste deel van de geldbedragen op deze rekening kan derhalve niet worden gesteld dat zij uit misdrijf afkomstig zijn. Wel kan, naar hieronder nader zal worden uiteengezet, worden bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte A] op deze rekening een bedrag van € 14.070 voorhanden hebben gehad, zijnde het totaalbedrag aan contante stortingen op deze rekening.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden[1]

Algemeen

In het kader van het onderzoek Alpamayo zijn onder meer telefoons getapt met de nummers [telefoonnummer 1], [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] van verdachte [verdachte]; nummers [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5] in gebruik bij [medeverdachte E] en de nummers [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 7] in gebruik bij [medeverdachte F]. [medeverdachte E] heeft in de relevante periode telefonisch contact met [medeverdachte G], [medeverdachte F], [medeverdachte H], [medeverdachte I], [verdachte], [medeverdachte J], [medeverdachte K], [medeverdachte L], [medeverdachte M], [medeverdachte N], [betrokkene 1] en een aantal onbekend gebleven personen. [medeverdachte F] heeft telefonisch contact met [medeverdachte E] en met personen uit Ecuador.

Medeverdachte [medeverdachte E] heeft verklaard[2] - nadat hem afgeluisterde gesprekken van 9 juni en 13 juni 2009 waren voorgehouden - dat het daar ging om een passagier die [medeverdachte F] had geregeld met zijn mensen. Die persoon moest komen om cocaïne te brengen.

Voorts heeft [medeverdachte F] op 23 december 2009 [3] onder meer verklaard - en ter terechtzitting heeft hij die verklaring bevestigd - dat [betrokkene 2] een hele grote man in Colombia is. Door [betrokkene 2] is hij voorgesteld aan [medeverdachte E] en door met [medeverdachte E] samen te werken kon hij geld verdienen. [Betrokkene 2] heeft contacten op Schiphol en [medeverdachte E] heeft contacten met mensen die de cocaïne eraf kunnen halen. Die zaak (naar de rechtbank begrijpt wordt hiermee zaaksdossier B01 bedoeld) heeft [betrokkene 2] ook geregeld, samen met Cachucha. Cachucha moest de mensen hier op Schiphol regelen. Dit waren douanemensen. Zij zijn tot het laatst bij het vliegtuig geweest; ze hebben de koffer niet van het vliegtuig gehaald omdat ze anders aangehouden zouden worden. De bedoeling was dat de douaniers de cocaïne mee zouden nemen. Op Schiphol geeft Cachucha een opening van drie dagen. Hiermee wordt bedoeld dat je in die drie dagen de cocaïne zonder controle kan invoeren. Een opening van drie dagen kost 10.000 euro. Als je de opening niet gebruikt, ben je je geld kwijt. Voorts verklaarde [medeverdachte F] dat Cachucha een belwinkel heeft op de [a-straat].

Uit diverse telefoongesprekken[4] en verklaringen, als ook ontmoetingen[5] volgt dat met 'Cachucha' verdachte [verdachte] wordt bedoeld. Zo heeft [medeverdachte F] ter terechtzitting verklaard dat Cachucha verdachte [verdachte] is en medeverdachte [medeverdachte I] heeft verklaard dat de man op foto 005 Cachucha is, de kapper.[6]

Feiten 1 en 2

(zaakdossier B01 en B09)

Invoer van ongeveer 14 kilogram cocaïne en voorbereidingshandelingen

Periode 7 mei 2010 tot en met 21 juni 2010

Vanaf begin mei 2009 vinden diverse ontmoetingen en telefonische contacten plaats tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte E], [medeverdachte F], [medeverdachte J], [medeverdachte G], [medeverdachte I] en [medeverdachte H]. Het onderzoeksteam Alpamayo heeft het vermoeden dat deze contacten zien onder meer op een transport van verdovende middelen vanuit Ecuador. Op 21 juni 2009 wordt [naam koerier] op Schiphol aangehouden.[7] In zijn bagage zaten 14 pakketten cocaïne met een totaalgewicht van 13.839,7 gram.[8] [9] De reisroute van deze koerier was KL 754 Quito-Bonaire-Amsterdam en LO 266 Amsterdam-Warschau. Aan zijn bagage is een bagagelabel aangetroffen met nr. [nummer bagagelabel].[10] Getuige [medeverdachte F] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 16 juni 2009 op verzoek van [medeverdachte E] bij [naam reisbureau] te Amsterdam het vliegticket voor [koerier] heeft gekocht.

Na de aanhouding van deze koerier vinden telefoongesprekken plaats waarin gesproken wordt over het feit dat de Kmar de cocaïne heeft onderschept.

Op 7 mei 2009 wordt medeverdachte [medeverdachte E] geobserveerd.[11] Hij ontmoet een nnman 3 en een nnman4. Later zal blijken dat dit respectievelijk [medeverdachte F] en [medeverdachte H] zijn. Er is onder andere waargenomen dat [medeverdachte H] een opgerold papier in zijn hand heeft en daaruit iets opleest. Daarna heeft [medeverdachte E] telefonisch contact met [medeverdachte G]. [medeverdachte G] vraagt of het hetzelfde is als de vorige keer en [medeverdachte E] zegt dan nee, het is niet die korte jongen van ons, weet je wel, het is gewoon, zijn Hollandse jongens.[12] Twee dagen later geeft [medeverdachte E] in een gesprek met [medeverdachte G] aan dat er problemen met die mensen waren gisteren en dat het echt afwachten is wat er gaat gebeuren.[13] Eerder had [medeverdachte E] dit al in een telefoongesprek met [betrokkene 3] besproken.[14] Een paar minuten later wordt het telefoongesprek tussen [medeverdachte G] en [medeverdachte E] voortgezet en [medeverdachte E] geeft aan dat hij samen met die kleine met die nieuwe mensen was. En dat ze op de Dam hadden afgesproken maar dat die jongens niet bij de Dam wilden afspreken omdat het daar te druk was. Vervolgens zegt [medeverdachte E] dat het niet door is gegaan en dat ze kwaad zijn weggelopen.[15] Op 12 en 13 mei 2009 wordt [medeverdachte E] gebeld door [verdachte] waarbij zij een afspraak maken om elkaar te zien.[16] Dan wordt op 13 mei 2009 gezien dat [medeverdachte E], [medeverdachte F], [verdachte] en een nnman elkaar ontmoeten.[17] In de daarop volgende twee gesprekken die [medeverdachte E] voert met twee onbekende mannen vraagt [medeverdachte E] wat het nummer van dat ding is, is het of kost het 3 0, 2 9, is het 2 8. Die ander zegt dan dat het 2 9 is en dat het echt goed is. [Medeverdachte E] vraagt vervolgens of hij ook 30 stuks kan krijgen. In het andere gesprek zegt [medeverdachte E] dat hij altijd in het midden staat (...) hij volgt dat ding bij de mannen nu en hij ziet dat het relax is en als er wat niet goed is dan zal hij hem bellen en zeggen dat het niet goed is.[18] Rond 20.25 uur belt een nnman naar [medeverdachte E] en zegt dat die andere man nu naar hem toe rijdt. [medeverdachte E] zegt dan 'oh, want die andere ehm Kapitein is er ook om met jou over dat ding te praten'. De nnman zegt dat hij goed nieuws heeft. [medeverdachte E] zegt dan dat hij die andere man ook alvast laat vertrekken.[19] Diezelfde avond belt een nnvrouw naar [medeverdachte E] en hij zegt dan dat hij nu met nog twee mannen zit. Dan onderbreekt hij het gesprek met de vrouw en zegt tegen iemand anders 'Hallo? Ja, neen, we zijn hier met twee mannen. Anders moeten we veel staan. Neen, Jasman praat met die kleine man, even. Ja ik zal je nog bellen. Oke, ik bel je weer'. [20] In een volgend gesprek zegt [medeverdachte E] dat hij niets van de man heeft gehoord, het komt misschien dat de man naar kickboksen is geweest. [medeverdachte E] zegt 'je kan niet communiceren, ik zal met de man praten om de telefoon te gebrui... of we moeten een telefoon voor hem voorlopig zoeken, als hij daarover bang is dan zoeken we een andere voor hem.[21]

Op 23 mei 2009 belt [medeverdachte E] met [medeverdachte F] en zegt dat hij gisteren met een vriend heeft gesproken en dat hij een heel goed ding voor ze heeft en dat het hetzelfde systeem van Cachucha is maar heel heel goed.[22] Op 25 mei 2009 belt [medeverdachte E] naar [medeverdachte F] en zegt dat 'de andere man belde me en hij zoekt de winkel en gaat samen praten, hij zegt tegen mij dat Cachucha tegen hem heeft gezegd dat hij hier komt wanneer wij willen....ik weet niet wanneer hij met geld komt maar hij komt hiermee....hij komt hier en wij...eh...ik wacht thuis op hem'.[23]

Door het observatieteam wordt gezien dat om 17.37 uur [medeverdachte H] het portiek aan de [woonadres medeverdachte E] te Amsterdam binnengaat en om 17.49 uur weer naar buiten komt en verder de straat in loopt. Om 17.55 uur komt verdachte [verdachte] aan bij de woning van [medeverdachte E] en belt aan. Te zien is dat als [medeverdachte H] terug komt lopen, hij de hand schudt van verdachte en weg loopt. Vervolgens komt [medeverdachte E] naar buiten. Verdachte heeft meerdere vellen papier van A4-formaat in zijn handen en bekijkt die samen met [medeverdachte E]. Vervolgens geeft verdachte een vel papier aan [medeverdachte E].[24]

Op 26 mei 2009 belt [medeverdachte E] met [medeverdachte G] en zegt tegen hem dat die man hartstikke lastig te bereiken is. Hij heeft geen telefoon en het is moeilijk hem te bereiken. [medeverdachte E] zegt dat hij meestal om 19.00/19.30 uur komt. [medeverdachte E] zegt tegen [medeverdachte G] 'ik heb gezegd dat 'ie de afspraak moet brengen voor jullie, hij zegt goed hij moet die andere bereiken maar die heeft ook geen telefoon, weet je, ze doen het zonder altijd en dat is lastig jongen om te wachten totdat die persoon komt. Je kan niet eens bellen van eh hoe is het of zo'. [medeverdachte G] vraagt 'wat heb je gekregen datum' en [medeverdachte E] zegt 'jajaja die hebben we al voor deze week ja dus ehhh hum hum. Ik moet even nog iets met hem bespreken, ik heb iets niet begrepen wat op het papier staat, dus hij moet het even uitleggen en dan ga ik het weg sturen en dan zijn we klaar en moeten we afspreken'. [medeverdachte G] zegt dat hij morgen daar komt.[25]

Op 27 mei om 00.17 uur stuurt [medeverdachte E] een sms bericht naar [medeverdachte J] met de tekst 'morgen weet ik meer hoe lekker het is ik bel je zelf' en om 00.21 uur stuurt [medeverdachte J] een bericht terug met 'oké niet vergeten ik heb echt honger'.[26] Dan volgen er wat gesprekken en twee sms berichten waarin gesproken wordt over papieren waar drie dagen op staan vermeld. [verdachte] zegt dat hij die dagen moet hebben die op het blaadje staan die hij aan [medeverdachte E] heeft gegeven. [Medeverdachte E] belt daarop [medeverdachte F] en zegt dat hij de dagen wil weten die op de papieren staan van Cachucha die hij eerder aan [medeverdachte F] heeft gegeven.[27] [Medeverdachte E] belt naar [medeverdachte I] en zegt dat die mannen hem hebben gebeld en dat ze bij hem willen komen. Verder zegt hij dat de mannen zondag een en ander moeten horen en....dat het systeem veranderd is.[28] Op 28 mei wordt gezien dat [medeverdachte H] de woning van [medeverdachte E] binnen gaat.[29] In een daaropvolgend telefoongesprek tussen [medeverdachte E] en [medeverdachte I] vraagt [medeverdachte I] hoe het met Jacksiman is en of hij bij [medeverdachte E] is geweest met de spullen. [Medeverdachte E] zegt dat Jacksiman net bij hem weg is en dat zijn man gezegd zou hebben dat het vandaag nog zal zijn.[30]

Tijdens een observatie op 28 mei 2009 wordt gezien dat verdachte uit de winkel [naam telefoonwinkel] komt lopen en naar [medeverdachte E] en [medeverdachte F] loopt. Een minuut later loopt hij de steeg naast de winkel in en vier minuten later loopt hij weer terug met een zilver-/blauwkleurig plastic tasje bij zich. Dit tasje geeft hij aan [medeverdachte E] en daarna loopt vedachte weg.[31] Op 29 mei 2009 heeft [medeverdachte E] telefonisch contact met [medeverdachte I] waarin gesproken wordt over 'geld voor de kaarten'[32] en een sms bericht aan verdachte met de tekst "die kleine is hier en zegt dat die reserv niet gaat volgens de laatste info wat hij vandaag heeft ontv dus ze willen dringend die kaart kopen vandaag of morgen voor volgende week vrd zatd zond als hunnie het goed vinden is dringend'.[33] [Medeverdachte H] laat op 31 mei [medeverdachte E] weten dat hij hem niet eerder kon bereiken en dat 'de boodschap is de volgende van [betrokkene 4]....vanaf 9 juni'.[34] Eerder had [medeverdachte H] laten weten nog steeds op [betrokkene 4] te wachten.[35]

Verdachte belt naar [medeverdachte E] en zegt 'ik zie de mensen morgen man. Morgen ga ik je precies zeggen wanneer je die kaart kan kopen ja'.[36] Daarop belt [medeverdachte E] naar [medeverdachte F] en zegt dat 'hij belde me net en zei dat jij morgen een ticket gaat kopen, morgen heeft hij ....om ticket te kopen'.[37] In een telefoongesprek met [medeverdachte I] zegt [medeverdachte E] 'vandaag is het wel van belang dat ze er naar toe gaan...ze hebben het al betaald en kunnen ze het niet meer stopzetten.... [medeverdachte E] zegt dat de mannen hun eigen functie in dit geheel hebben en dat hij zelf een loopjongen is, een man die voor de ontmoetingen moet zorgen.[38]

[Medeverdachte E] belt naar [medeverdachte G] en vraagt hem wanneer ze gaan starten met die broer van hem. [Medeverdachte G] antwoordt 'kijk jij maar, ik wacht op jou'. [medeverdachte E] zegt dan 'oke... eh... eh straks als ik iets hoor, want we zijn bezig ja, je weet toch...eh...even kijken...9...9...9...9....9...9 moet het worden...9 officieel ja. Volgende week. (...) ja die man is in Peru man. Hij is met Peru... hij had die mensen al eigenlijk maar die mensen gingen lang wachten, daarom kwam hij mij vragen weet je wel. (...) nee die ken ik niet, dat zijn mensen van hem.[39] Op 7 juni belt [medeverdachte F] naar [medeverdachte E] en zegt 'de mensen bellen me en zeggen morgen om dat te kopen, ik zei hem dus dat hij moest wachten tot Cachucha me het bevestigd heeft, omdat hij me zegt dat er een beetje ontbreekt. [Medeverdachte E] antwoordt dat hij hem een bericht gaat sturen.[40] Als [medeverdachte G] naar [medeverdachte E] belt zegt [medeverdachte E] hem dat er een kleine stagnatie was maar dat deze is opgelost en dat die jongens morgen die kar moeten regelen.[41] De volgende dag geeft [medeverdachte E] aan [medeverdachte I] door dat 'de bewaking minstens drie uur duurt'. Wil hij langer blijven, dan moet hij ook kaarten kopen die langer dan drie uren gelden.[42] In een telefoongesprek tussen [medeverdachte F] en een nnman in Ecuador wordt dan gesproken over '286' en '266'.[43] In een later gesprek zegt [medeverdachte F] tegen de nnman 'u gaat naar het kantoor en u zegt dat ze het niet naar Milaan maar naar die stad veranderen...naar Warschau.'[44] [medeverdachte E] belt naar [medeverdachte J] en zegt 'we moeten de kaart sturen en dan ben je ook in de groep zeg maar. Dus dan ehm, ik heb al met deze mannen gepraat en ze zeggen dat ze dan voor je regelen wat jij wilt. Je kan komen en dan zal je zien dat alle papieren al hier zijn. Alles is er al, alles. Klaar klaar. Dus komen wij alleen nog maar een ding tekort.'[45] Op 16 juni belt [medeverdachte I] naar [medeverdachte E]. [medeverdachte E] zegt dat ze het gaan regelen en dat ze direct weer bij Cachucha moeten zijn om de kopie af te geven en dat ze dan klaar zijn.[46] Om 13.26 uur belt [medeverdachte F] naar [medeverdachte E] en zegt dat hij in de winkel is. [Medeverdachte E] zegt dat hij alles heeft en naar de winkel komt.[47] Later belt [medeverdachte F] naar nnman in Ecuador en zegt 'nee, haal het van internet het is gedrukt en klaar. Je hebt de nummers en daarmee pak je het ticket, geen probleem, je hoeft het niet op te halen bij een kantoor, wat we nodig hebben is betaald en alles is gedaan.[48] Op 19 juni belt [medeverdachte G] naar [medeverdachte E]. [Medeverdachte G] zegt in dit gesprek 'ze kunnen toch niet zomaar met ons spelen.... Afspraak is afspraak. We moeten niet zomaar over ons laten lopen.' Even later vraagt hij aan [medeverdachte E] of de hoeveelheid wel hetzelfde blijft. [medeverdachte E] zegt dat die 15 blijft en 'nee want gaat nog naar die man toch. Blijft 10 over of zo. 10 en een half. Begrijp je. Maar we gaan morgen praten anders zeggen we teveel.'[49] [Medeverdachte E] belt naar [medeverdachte J] en zegt dat hij dat ding heeft en dat het een mooi ding is... morgen is het de dag.[50] In de volgende telefoongesprekken bespreekt [medeverdachte E] met [medeverdachte I], [medeverdachte G] en [medeverdachte J] dat alles mis is gegaan en dat ze het volgende week met een andere man willen doen. [Medeverdachte E] geeft bij [medeverdachte G] aan dat hij zijn telefoon weg moet doen en dat hij hem een ander nummer gaat geven. [Medeverdachte G] zegt dan 'shit, dan moet ik deze ook weggooien.'[51]

Medeverdachte [medeverdachte F] heeft verklaard [52] dat hij met [medeverdachte E] heeft gesproken en dat deze hem geld heeft gegeven om een ticket voor 1 persoon te kopen. De naam die op het ticket moest komen heeft hij doorgekregen van [betrokkene 2]. Het ticket moest gekocht worden van [betrokkene 2]. Het transport werd door [medeverdachte E] en [betrokkene 2] geregeld en de koerier hebben ze in Ecuador geregeld. Tijdens dit verhoor is aan [medeverdachte F] een foto (nr. 005) getoond. Hiervan heeft hij gezegd dat het Cachucha is en dat hij hem kent van bij [medeverdachte E] thuis. Hij heeft verklaard dat zij veel contact met elkaar hadden. Op de getoonde foto nr. 004 herkent hij Gino, op foto nr. 006 , waarop [betrokkene 1] is afgebeeld, herkent hij 'de Duitser', op foto 009, waarop [medeverdachte J] is afgebeeld, herkent hij de Surinaamse meneer die in een grijze Mercedes rijdt. Uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte J] gebruik maakt van een grijze Mercedes, kenteken [kenteken 2].[53] Op foto 010, waarop [medeverdachte G] is afgebeeld, herkent [medeverdachte F] de Marokkaan. Alle personen heeft hij bij [medeverdachte E] thuis gezien.[54]

Periode 12 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009

Op 12 oktober 2009 belt [medeverdachte J] naar [medeverdachte E]. [Medeverdachte J] zegt dat de man 37,5 (zeven en dertig en een half) zal afrekenen, de 500 (vijfhonderd) en dat [medeverdachte E] het geld moet houden. Hij zegt dat [medeverdachte E] 250 (tweehonderd en vijftig) apart moet zetten.[55] Op 19 oktober 2009 belt [medeverdachte F] naar [medeverdachte E]. [medeverdachte F] zegt tegen [medeverdachte E] dat hij de Marokkaan moet bellen en tegen hem zeggen dat de Marokkaan naar hem toe moet komen. [Medeverdachte E] antwoordt daarop 'naar jou? Man laten we praten...nu eh...ik begrijp niet wat je hebt. [medeverdachte F] antwoordt dan 'je weet als ik je bel dat ik iets goed heb weet je? [medeverdachte E] zegt 'ja laten we hier praten en daarna gaan we werken, dat is beter.'[56] Te zien is vervolgens dat [medeverdachte F] om 16.07 uur de woning van [medeverdachte E] betreedt en deze om 16.32 uur weer verlaat.[57] Om 16.34 uur belt [medeverdachte E] naar [medeverdachte J] en zegt dat hij een boodschap van een van zijn mannen heeft gekregen waarin hij zegt dat het goed is. [Medeverdachte E] zegt tegen [medeverdachte J], dat wat die man heeft, in geen jaren meer gezien heeft. [medeverdachte E] zegt dat het op 375 (zeven en dertig vijf) komt. Het komt op 92 en 93 als het warm wordt. [Medeverdachte E] denkt niet dat hij ooit nog aan zoiets moois kan komen.[58] 's Avonds belt [medeverdachte E] naar [medeverdachte G] en zegt tegen hem 'ik zou je morgen bellen, er is wel goed nieuws (...) van die kleine...ze zijn zo ver (...) want hij heeft heel veel zeg maar gereserveerd eigenlijk voor ons zeg maar he. Dus we gaan kijken. Laten we eerst even werken toch om eventjes nog wat er bij. Het is drie... Zeg maar voor ons is het eh... 3 7, maar ik dacht eh voor zetten, hij zegt 3 7, dus dan kan hij mij wat daarin gegeven. Maar voor andere mensen hier vraag ik 3 7 en een half. Begrijp je?' [Medeverdachte G] vraagt dan 'moeten we voor die vijf al die moeite gaan doen?' [Medeverdachte E] zegt 'voor die vijf geen moei...ja maar het is veel, als je de eerste keer 3 pakt is niks man. Als we 3 kopen en je regelt het eerst en hij vraagt 10 hij gaat het brengen, je vraagt 20 daarna dan brengt hij ook. Weet je wat ik bedoel? Want er is zat. Het is pas binnen. Weet je wat ik bedoel? En dan kan je zeggen van je neemt die risico voor 10 of eh 20. Maar niet bij drie. Snap je wat ik bedoel, die vertrouwen moet eerst komen toch.' [Medeverdachte G] zegt vervolgens dat ze veel praten aan de telefoon en dat hij morgen pas na 6 uur kan. [Medeverdachte E] zegt 'ja na 6 is goed toch. Want kijk als je...als je ook wil...zeg maar je wil echt iets regelen met hem, dan regelen we echt. Weet je wel een paar keer en dan zeg je van breng zoveel die kant en dan gaat hij het doen, want hij kent ons, hij kent jou ook toch. En dan zeg je ik wil zoveel die kant hebben en dat je weet je wel en dan kunnen we gewoon kijken hoe of wat, maar 3 of 4 in het begin niet is weinig man, er is nog meer. Begrijp je?' [Medeverdachte G] zegt vervolgens dat het toch wat minder moet worden. Ze hebben zoveel gedaan voor hem, dan moet hij voor hen eh... dan kan toch niet....ze worden gelijk gierig.[59] De volgende dag belt [medeverdachte F] naar [medeverdachte E] en zegt tegen hem dat het vriendje wat ver weg was maar die komt wel en het straks zal uitleggen thuis bij [medeverdachte E]. Hij zal om half drie komen.[60] [Medeverdachte E] geeft aan [medeverdachte I] door dat die man om half drie bij hem thuis komt met een plaatje van het boekje.[61] Om 13.27 uur belt [medeverdachte G] naar [medeverdachte E] en [medeverdachte E] deelt [medeverdachte G] mede dat hij een afspraak heeft om 14.30 uur en dat [medeverdachte G] om 16.00 uur kan komen, waarop [medeverdachte G] te kennen geeft eerder te willen komen. [Medeverdachte E] zegt hierop dat die man die komt kijken, hij weet niet of die man het leuk gaat vinden als er teveel mensen bij zijn. [Medeverdachte E] heeft hem beloofd dat ze met hun drieën zouden zijn. [Medeverdachte G] zegt er om 15.30 uur te zijn. Om 14.26 uur stuurt [medeverdachte G] een sms bericht naar [medeverdachte E] waarin hij zegt dat die man zich aan zijn afspraak moet houden.[62] Even later belt [medeverdachte F] naar [medeverdachte E] en vraagt hem of de vriend al in huis is. [Medeverdachte E] zegt dan 'komen...eh...hier maar wel alleen niet auto, om te praten.' [Medeverdachte F] antwoordt dan 'ah ik neem niets mee.[63] Dan belt [medeverdachte I] naar [medeverdachte E] en zegt 'maar...die mannen zeiden (onduidelijk). Hij is staan kijken tot het versneden was...vijf gulden...' en [medeverdachte E] vraagt dan 'gaat hij het werk wel uitvoeren? (...) maar...het was hetzelfde toch?' [medeverdachte I] bevestigt dit.[64] [Medeverdachte G] belt [medeverdachte E] en zegt dat die mannen hun alles moeten geven en dat die man moet nakomen wat hij beloofd, en niet gierig moet gaan worden.[65] Uit camerabeelden bij de portiek van de woning van [medeverdachte E] is te zien dat op 20 oktober 2009 om 15.30 uur [medeverdachte F] naar binnen gaat en twee minuten later [verdachte]. Om 15.56 uur komt [verdachte] naar buiten en vier minuten later [medeverdachte F].[66] Hierna vinden nog tal van telefoongesprekken plaats en wordt de woning van [medeverdachte E] druk bezocht door onder andere [medeverdachte F], [medeverdachte G], [medeverdachte J] en [medeverdachte H]. In een gesprek op 31 oktober 2009 tussen [medeverdachte E] en [medeverdachte G] zegt [medeverdachte E] dat die mensen hem echt hebben gestuurd en dat ze zeker van hun zaak waren, maar alles veranderd is. Het gaat dus niet goed, maar verder is het wel oké. Ze hebben hem weer laten stikken.[67]

Nadere bewijsoverwegingen

Op 7 april 2010 heeft bij de aanhouding van verdachte een doorzoeking in de woning [woonadres verdachte] te Amsterdam plaatsgevonden. Daarbij werd onder andere aangetroffen een bruine doos van Louis Vuitton met daarin versnijdingsmiddelen. Ook werd een hoeveelheid van 12,9 gram cocaïne bij verdachte aangetroffen.

Verdachte zelf heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 hoofdzakelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Aan hem werden foto's getoond waarop hij heeft geantwoord dat hij al deze mensen nooit heeft gezien of telefonisch heeft gesproken. Even later verklaart hij echter dat hij de man van foto 001 ([medeverdachte E]) wel eens in zijn winkel heeft gezien en dat hij in bladeren doet en dat de betreffende verbalisant zijn geheugen heeft opgefrist.

Op 21 juni 2009 is een koerier, genaamd [naam koerier], op Schiphol aangehouden met in zijn bagage 14 pakketten cocaïne met een totaalgewicht van 13.839,7 gram. De rechtbank is van oordeel dat uit de opgenomen via de telefoon gevoerde gesprekken die veelal in versluierde taal zijn gevoerd en de observaties, naar voren komt dat verdachte contact heeft onderhouden met medeverdachte [medeverdachte E] en deze ook heeft ontmoet. Bij die ontmoeting was tevens [medeverdachte F] aanwezig. [Medeverdachte E] onderhield de contacten met de andere medeverdachten. De rechtbank is van oordeel dat deze contacten - ten aanzien van de eerste ten laste gelegde periode - zien op de invoer van de bijna 14 kilo cocaïne. Dit blijkt ook uit de gesprekken zoals die hebben plaatsgevonden nadat de koerier op 21 juni 2009 te Schiphol was aangehouden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte afspraken maakte omtrent het doorlaten op Schiphol van de koffer met cocaïne. In de bij medeverdachte [medeverdachte E] aangetroffen telefoon stond een sms bericht aan [verdachte] met het nummer van de claimtag van de koffer van de aangehouden koerier. Uit de opgenomen telefoongesprekken blijkt dat verdachte door tussenkomst van medeverdachte [medeverdachte E] contacten onderhield met medeverdachte [medeverdachte F], [medeverdachte G], [medeverdachte I], [medeverdachte J] en [medeverdachte H]. Ook in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte F] - welke verklaring door de rechtbank geloofwaardig wordt geacht - wordt bevestiging daarvan gevonden.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat telkens in versluierde termen werd gesproken over cocaïne.

Feit 3

(zaaksdossier B15)

De rechtbank zal bij de navolgende bespreking van de redengevende feiten en omstandigheden ervan uitgaan dat met na te noemen bijnamen steeds de volgende personen worden bedoeld:

[namen verdachte], Mason, Cachucha - [verdachte][68]

Gele - [medeverdachte D][69]

Broertje - [medeverdachte C][70]

Rasta - [medeverdachte B][71]

In de periode van 23 februari 2010 tot en met 20 maart 2010 is er veelvuldig telefonisch contact tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte B], [medeverdachte C] en [medeverdachte D]. In deze telefonische contacten worden woorden gebruikt als 'schoenen, papieren, stukje meenemen om te checken, hetzelfde stempel, borg halen, drie twee en drie drie, tjap tjoy, 62 en 64, en maatje 31'. Voorts vinden er diverse ontmoetingen plaats tussen verdachte en medeverdachten.

Op 17 maart 2010 belt medeverdachte [medeverdachte B] naar medeverdachte [medeverdachte C]. [Medeverdachte B] geeft vervolgens de telefoon aan verdachte. [Medeverdachte C] vraagt aan hem wat hij met 'die pra' kan doen. Verdachte vraagt wat de hoogte is en hoeveel hij er heeft en hoe laat hij er eentje aan die man kan laten zien. [Medeverdachte C] antwoordt dat de hoogte drie twee is en dat hij 'een donald' heeft.[72] In een daaropvolgend gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte D], vraagt verdachte of alles 'origie' is. [Medeverdachte D] zegt dan dat het wel alles doet maar dat het niet hard wordt.[73] Dan volgen er twee gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte B]. Verdachte zegt dat hij naar Diemen moet en als die man oké zegt dan moet hij daar om half drie zijn.[74] Medeverdachte [medeverdachte B] vraag hoe het met 'gouden tand' is en dat verdachte om half drie ook bij die andere man moet zijn.[75] In twee telefoongesprekken tussen verdachte en [medeverdachte C] wordt door verdachte gezegd dat die man oké heeft gezegd en [medeverdachte C] zegt dan dat verdachte even Gele moet bellen. [Medeverdachte C] zegt in een daaropvolgend gesprek dat verdachte naar Hoogie moet komen en verdachte zegt dat die mannen van gister er zijn en dat die man de papieren gaat halen.[76] Drie minuten daarna belt medeverdachte [medeverdachte B] naar verdachte en vraagt welke die man wil hebben. Verdachte zegt niet die van Gouden Tand maar die van broertje. Hij wil alles snel regelen omdat die ander alles wil hebben. Hij zegt dat ze bij die mannen van gisteren een stukje hadden genomen om te checken. Hij zegt dat hij het bij die andere man moet gaan halen op Hoogoord. Verdachte zegt dat die man in ieder geval naar hem onderweg is en dat ze samen de dingen moeten gaan halen.[77] Weer een paar minuten later wordt verdachte gebeld door [medeverdachte C] die vraagt of het lang gaat duren om het te pasen. Hij zegt dat verdachte naar Hoogie kan komen.[78] In het daaropvolgend gesprek zegt verdachte tegen [medeverdachte B] dat hij dat ding al heeft afgegeven en dat hij nu de papieren moet gaan pakken. De andere man heeft oké gezegd en dat hij zelf gaat maar dat hij die man tot halverwege laat rijden.[79] Rond half drie wordt verdachte door [medeverdachte D] gebeld die vraagt of verdachte klaar is. Verdachte zegt dat hij er nu aan komt rijden en dat het in ieder geval wel goed is.[80] Een minuut later belt [medeverdachte D] naar verdachte en vraagt wat nou de bedoeling is. Moet hij dat ding weer terugnemen of of of eh eh eh de groente. Verdachte zegt dat hij dat ding moet meenemen en zegt vervolgens dat hij hem niet zoveel dingen door de telefoon moet vragen en dat hij moet komen en dat het goed zit.[81] Drie minuten daarna belt verdachte naar [medeverdachte C] en zegt dat die werkman van hem niet moet bellen en allerlei gekke vragen moet stellen. Hij zegt dat het orgie is en dat de mannen zeker willen weten dat dàt er is. Die man heeft hem een beetje papieren en dat ding teruggegeven. Die man heeft gezegd dat als dat orgie is, hij alles wil hebben. Ook al willen we het één één keer doen, dan heeft hij er geen problemen mee. Maar dat moet zeker zijn en het moet hetzelfde stempel zijn. Die man is er al maar die papieren waren er nog niet. [Medeverdachte C] zegt dan dat hij daar niet op kan gaan borduren. Hij gaat niet wachten op mensen, de eerste die komt die eet.[82] 's Avonds belt verdachte naar [medeverdachte C] en zegt dat die man morgen in de middag heeft gezegd omdat hij het in de ochtend niet gaat redden. [medeverdachte C] zegt dat hij er geen vertrouwen meer in heeft en dat een borg op afspraak gaat. Als de afspraak niet nagekomen wordt dat ben je de borg kwijt.[83] De volgende dag belt [medeverdachte C] naar [medeverdachte B] en vraagt hoe het met Mason zit omdat hij niet opneemt als hij hem belt.[84] Wat later belt verdachte naar [medeverdachte B] en [medeverdachte B] vraagt hem of hij broertje heeft gesproken omdat broertje hem had gebeld om te vragen waar verdachte was. Verdachte zegt dat hij natuurlijk die centen wil hebben, maar dat het natuurlijk niet gaat.[85] [Medeverdachte C] belt dan nog naar verdachte en zegt dat als ze om vier uur niet komen, hij die borg komt halen. Verdachte reageert met 'neen, neen, luister dan. Neen. Is lekker makkelijk verdiend broertje.[86] Vlak daarna hebben beiden weer telefonisch contact en zegt verdachte dat die mannen in hem vertrouwen hebben en wat moet hij tegen die mannen zeggen als ze komen. [Medeverdachte C] zegt daarop dat als ze zeker zijn van hun zaak ze toch moeten komen, want anders ga je dat niet eens sturen. Verdachte zegt dat ze rustig even moeten wachten.[87] Even later is er dan verwarring in een telefoongesprek tussen verdachte, [medeverdachte B] en [medeverdachte C] of het drie drie of drie twee moet zijn.[88]

Op 18 maart 2010 tussen 10.45 en 16.15 uur heeft een observatie plaatsgevonden. Om 11.46 uur wordt gezien dat [verdachte] in zijn auto stapt in de directe omgeving van de [woonadres verdachte]. Een uur later verlaten [verdachte] en een onbekende man de [woonadres verdachte] weer. Om 13.02 uur wordt gezien dat [verdachte] in zijn auto stopt voor de parkeerplaats Hoogoord, gelegen aan de Hoogoorddreef in Amsterdam.[89] [B-straat] met huisnummer [huisnummer] is de verblijfplaats van medeverdachte [medeverdachte D].[90] Op de parkeerplaats staat een man met een plastic zak bij zich naar verdachte te zwaaien. Die man was 'Gele', de bijnaam van [medeverdachte D].[91] Verdachte heeft voorts verklaard dat broertje en gele bij deze ontmoeting rond 13.00 uur aanwezig waren. Zeer kort voor de ontmoeting heeft [medeverdachte C] contact met verdachte om te zeggen dat hij helemaal naar boven moet komen.[92] Er wordt ook gezien dat verdachte met zijn auto staat geparkeerd op het bovendek van Hoogoord. Een paar minuten later rijdt verdachte in zijn auto weg om even later te parkeren op de parkeerplaats van de Foodstrip aan de Tafelbergweg. Rond drie uur wordt de Opel van verdachte dan weer gezien bij Hoogoord waar medeverdachte [medeverdachte B] in de auto stapt als bijrijder. Een andere man stapt uit de auto en loopt weg. Even later loopt verdachte ook even weg om vervolgens weg ter rijden met [medeverdachte B] als bijrijder in de auto.

In de afgeluisterde telefoongesprekken op 20 maart 2010 tussen verdachte en medeverdachten komt naar voren dat verdachte bij 'Geel' twee paar schoenen gaat nemen/ophalen en dat 'Geel' een paar aan andere mannen heeft gegeven omdat verdachte er niet om tien uur was. [Medeverdachte B] belt dan naar [medeverdachte C] en zegt dat ze twee voor die mannen willen brengen.[93] Om 15.06 uur belt verdachte naar [medeverdachte C] en zegt dat het niet netjes is omdat afgesproken was die man het andere model te geven. [Medeverdachte C] zegt daarop dat die gele het gewoon aan die andere mannen heeft gegeven en dat hij er een paar mee naar huis heeft genomen. Hij kon niet alles bij die man laten. Verdachte zegt 'je moet tegen je werkmannen zeggen dat dit niet kan'. [Medeverdachte C] zegt dat hij er pas achter kwam dat hij die dingen aan het doorgeven was toen die man hem belde. Verdachte zegt dat dit het tegenovergestelde is van die andere. [medeverdachte C] zegt dat die andere man die schoenen niet meer leuk vindt. Verdachte zegt dat hij ook die andere man kan bellen; wanneer je die andere omruilt.[94] In de laatste telefoongesprekken wordt gesproken over aantallen en dat het niet 64 maar 62 is. Verdachte zegt tegen [medeverdachte C] dat hij die man 2 heeft gegeven en [medeverdachte C] zegt dan dat het maar 62 is in plaats van 64. Verdachte zegt dat hij het heeft nageteld en dat hij precies is met geld. [95] [Medeverdachte D] zegt tegen [medeverdachte B] dat hij het aan het tellen is en dat het niet klopt. [Medeverdachte B] geeft aan dat dit niet kan want hij was er zelf bij en hij heeft het zelf gezien.[96]

[Medeverdachte C], [medeverdachte D] en [medeverdachte B] hebben in hun verhoren niets willen verklaren. Verdachte heeft in zijn verhoor verklaard dat waar in het voorgehouden telefoongesprek wordt gesproken over 'pra' en 'de hoogte is drie twee', LG Prada telefoons worden bedoeld. Ook de andere telefoongesprekken gaan over telefoons. De hoogte drie twee staat voor 320 euro. Verdachte heeft verklaard dat met 'donald' tien wordt bedoeld. Broertje ([medeverdachte C]) had tien telefoons die van de truck waren gevallen en hij bood deze aan verdachte aan. Het ging in de gesprekken erover, of die telefoons simlock vrij waren en of ze origineel in de doos zaten. Met 'niet hard' wordt bedoeld dat ze niet simlock vrij zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij twee van de tien telefoons van [medeverdachte C] heeft gekocht en deze op 18 maart 2010 heeft opgehaald. Ze zaten in de plastic zak. Het ging oorspronkelijk om een hele partij van 10 telefoons, maar hij heeft er maar twee gekocht. Het geld hiervoor heeft hij aan [medeverdachte D] / [medeverdachte C] betaald.[97]

De rechtbank acht de verklaring van verdachte voor zover inhoudende dat de gesprekken over telefoons gaan ongeloofwaardig. Niet valt in te zien waarom verdachte, die zelf een telefoonwinkel heeft, in onbegrijpelijke (code-)bewoordingen, zoals blijkt uit de aangehaalde tapgesprekken, over een koop/verkoop van een aantal telefoons zou praten. De verklaring van verdachte past ook niet op de tapgesprekken waarin bijvoorbeeld over tjap tjoy, maatje 31 en schoenen wordt gesproken. Gelet op het versluierde en verhullende taalgebruik, waarin woorden voorkomen als "origie/orgie" en "een stukje nemen om te checken", en ook de niet mis te verstane boodschappen in de tapgesprekken "dat niet zoveel door de telefoon moet worden gevraagd" en dat iemands werkman "niet zoveel moet bellen en gekke vragen moet stellen", acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het hier telkens gaat om cocaïne. Daarbij betrekt de rechtbank dat bij een aantal verdachten, waaronder verdachte, drugsgerelateerde spullen zijn aangetroffen[98] en dat verdachte zich in 2009 ook geruime tijd heeft ingelaten met de handel in cocaïne.

De verklaring van verdachte dat het over een partij van 10 - naar het oordeel van de rechtbank dus 10 kilogram cocaïne, mede gelet op de gemiddelde straatprijs van cocaïne, welke rond de € 32.000,00 ligt[99] - ging, waarvan hij er 2 heeft gekocht, bevestigt overigens wel de verkoop, de aflevering en het vervoer van 2 kilogram cocaïne alsmede de voorbereidingshandelingen van de totale partij. In zoverre bezigt de rechtbank de verklaring van verdachte tot het bewijs.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 3 (cumulatief) ten laste gelegde.

Feit 4 en 5

(zaaksdossier B16)

Op 7 april 2010 wordt in de woning van [medeverdachte A] aan de [a-straat] te Amsterdam aanvankelijk alleen verdachte aangehouden.[100] Tijdens de doorzoeking in de woning en het voertuig van verdachte [101] wordt onder meer een groot aantal luxe, originele merkgoederen[102] aangetroffen. [Medeverdachte A], de partner van verdachte, wordt daarna tevens aangehouden.[103] Vervolgens is tegen verdachte en zijn partner [medeverdachte A] een financieel onderzoek gestart. Het onderzoek betreft de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 april 2010.

[Medeverdachte A] heeft verklaard dat zij sinds 2003 een relatie heeft met verdachte maar dat zij niet officieel samen wonen. Zij werkt 32 uur per week bij Slachtofferhulp Nederland en verdient ongeveer 1500 euro netto per maand. Als zij alle kosten heeft betaald, komt zij elke maand net uit.[104] Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte A] en hun dochter woont op [woonadres verdachte] en dat ze samen de lasten dragen, maar meestal de kosten voor de hypotheek en de energienota van de rekening van [medeverdachte A] betalen. Verdachte verklaart als volgt. Hij heeft samen met [getuige 5] een telefoonzaak aan [a-straat] en hij werkt daar drie, vier dagen in de week. De eerste twee jaren draaide de zaak goed en verdiende hij grof geld. In 2009 was het minder, maar ze konden wel de huur van € 1.700,- per maand betalen.[105] Uit de verklaring van de moeder van verdachte blijkt ook dat hij samen met [medeverdachte A] op [a-straat] woonde.[106] Voorts is verdachte in de genoemde woning aangehouden en is aldaar kleding van hem aangetroffen. Hieruit blijkt dat zij samen een gemeenschappelijke huishouding voerden.

[Medeverdachte A] heeft zich hoofdzakelijk in de verhoren, als ook ter terechtzitting, op haar zwijgrecht, dan wel verschoningsrecht beroepen. Zij heeft echter wel verklaard dat de aangetroffen vrouwenkleding en -schoenen in de kamer in haar woning van haar zijn, de mannenkleding en -schoenen van [verdachte] en de kinderkleding en -schoenen van haar dochter.[107]

Het brutoloon van [medeverdachte A] over de jaren 2007, 2008 en 2009 is respectievelijk € 26.811,-,

€ 27.915,- en € 29.227,-.[108] Er is niet gebleken van andere legale inkomensbronnen. Van verdachte zijn geen inkomensgegevens bij de belastingdienst bekend over de jaren 2007, 2008 en 2009. Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat verdachte sedert 1 juli 2008 staat ingeschreven als vennoot van de [naam telefoonwinkel].[109] Deze VOF is op 6 september 2006 opgericht.[110] De boekhoudster van de vof [naam telefoonwinkel], [getuige 4], heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij samen met haar moeder een administratiekantoor heeft, genaamd [naam administratiekantoor]. Haar moeder is al drie jaar ziek en onderhoudt sinds februari 2009 geen contact meer met klanten. Sinds het moment dat de [telefoonwinkel] is open gegaan, hebben zij de boekhouding voor hen verzorgd. De vennoten zijn de heren [getuige 5] en [betrokkene 5]. [Betrokkene 5] wordt ook wel [(bij)naam betrokkene 5] genoemd. Zij heeft alleen contact met de [getuige 5]. Hij komt ongeveer eens in de drie maanden bij hen op kantoor. Toen [getuige 5] in januari 2011 bij haar langs kwam, heeft zij hem gevraagd wie [verdachte] is. Hij heeft toen gezegd dat het een medevennoot is en dat hij het uittreksel van de Kamer van Koophandel bij haar langs zou brengen. [Getuige 4] verklaarde dat zij dit vreemd vond omdat [verdachte] al een jaar medevennoot was en de balans van 2009 nog op naam van de oude vennoot was opgemaakt. Het enige uittreksel van de KvK wat zij op kantoor had, is uit 2007. Zij verklaarde voorts dat zij geen kasboeken kent van de [telefoonwinkel]. Zij krijgt de bonnetjes van de verkoop, dagtotaalafslagen van de kassa en wat er op de bank binnenkomt aan abonnementen. Zij verzorgt de jaarstukken voor de belastingdienst van de vof en kijkt meer naar de omzetten die overigens gelijk zijn gebleven. Het klopt wel dat er over 2008 een verlies is geleden van ruim 23.000 euro.[111] In zijn verklaring bij de rechter-commissaris heeft de heer [getuige 5] zich veel op zijn verschoningsrecht beroepen. Voorts heeft hij verklaard niet te weten hoe het kan dat [getuige 4] heeft verklaard [verdachte] niet te kennen als medevennoot. Hij verklaarde dat hij voor de aanhouding van [verdachte] in 2010 een uittreksel van de KvK aan de boekhoudster heeft gegeven. Tot slot heeft hij verklaard dat hij rond mei 2010 in het jaarverslag van 2009 de naam van de oude vennoot nog zag opgenomen. Hij heeft toen met de 'oude' [naam getuige 4] afgesproken dat hij haar een recent uittreksel van de KvK zou verstrekken.

Op de bankrekeningen van verdachte en zijn partner [medeverdachte A] werden diverse bedragen contant gestort en opgenomen. Op de rekeningen van verdachte is in de onderzoeksperiode het verschil tussen de gestorte en opgenomen bedragen € 105.637,42 en op de rekeningen van [medeverdachte A] is het verschil totaal € 39.441,54.[112]

Bij de rechter-commissaris is de broer van verdachte, [getuige 2] gehoord. Hij verklaarde dat zijn broer samen met [getuige 5] een telefoonshop heeft, genaamd [naam telefoonwinkel]. [Verdachte] heeft hem wel eens verteld plannen te hebben om een tweede shop te openen. Op de vraag hoe dat financieel geregeld zou worden, heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen. Voorts heeft [getuige 2] verklaard dat de hoeveelheid luxe goederen bij [verdachte] thuis hem niet is opgevallen omdat de meeste goederen van hem zijn. Heel veel schoenen zijn van hem en zijn door hem bekostigd. Hij heeft ook wel eens schoenen voor [medeverdachte A] en zijn nichtje gekocht. Ook wordt hij wel uitgenodigd voor sales, zoals bij Moncler. Hij haalt dan winterjassen voor iedereen. Voorts heeft [getuige 2] verklaard dat hij [getuige 3] al van kleins af aan kent. Hij weet dat [verdachte] geld van [getuige 3] heeft geleend om een nieuwe zaak te openen. Hij weet niet om hoeveel geld het gaat, maar het is in termijnen gegaan.[113]

[getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij [verdachte] en [getuige 2] kent sinds zijn jeugd. Hij wist van [getuige 2] dat [verdachte] op enig moment geld nodig had voor zijn telefoonzaak. Hij heeft toen geld aan [getuige 2] gegeven voor [verdachte]. Hij weet niet hoeveel dat in de jaren is geweest. Vanaf 2006 heeft hij [verdachte] geld gegeven. Het ging in termijnen. Het ging soms om een lening en soms om een gift. Het zal in totaal om 50.000 euro gaan, misschien wat meer. Hij weet niet of [verdachte] uitbreidingsplannen heeft gehad voor nog een telefoonwinkel.[114] Verdachte zelf heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij rond 2008 een lening van € 100.000,- heeft gekregen van [getuige 3]. Dit geld was bedoeld om een telefoonzaak te beginnen. Het ging echter niet door en toen heeft hij het geleende geld gebruikt om luxe goederen te kopen.[115]

Uit het kentekenregister blijkt dat [medeverdachte A] sinds 7 mei 2008 de ten naam gestelde is van een Ford Fusion, kenteken [kenteken 1]. De vorige eigenaar was de Ford dealer in Amsterdam. Uit gegevens van die dealer blijkt dat de Ford Fusion is aangekocht voor een nettobedrag van € 13.025,06. Van het aankoopbedrag is € 9.035,- bancair betaald via de rekening van [medeverdachte A] aan Ford Amsterdam op 31 maart 2008 en het overige bedrag ad € 3.990.06 is contant betaald. Opvallend hierbij is dat vlak voor genoemde betalingen stortingen van grote geldbedragen op die rekening plaatsvinden.[116] [117]

Zoals gezegd is in de woning [woonadres verdachte] een groot aantal luxe goederen aangetroffen. Tevens zijn facturen aangetroffen van o.a. Louis Vuitton, Burberry, Oger, Azzurro Kids en Swiss Sense. Hiernaar is onderzoek gedaan. Daaruit blijkt dat in de periode van 7 maart 2008 tot en met 27 maart 2010 bij Louis Vuitton door verdachte aankopen zijn gedaan tot een totaalbedrag van € 57.225,-. Dit bedrag is contant voldaan, waarbij zeven aankopen aantoonbaar met biljetten van 500 euro zijn voldaan.[118] De factuur van Burberry van 12 september 2009 ten name van [medeverdachte A] vermeldt een bedrag van € 1.650,-. Tevens blijkt op 19 september 2009 een aankoop op naam van [verdachte] te zijn gedaan ad € 295,-. [119] De factuur van Oger vermeldt een bedrag van € 578,- voor een herenjack[120] en de aankoopfactuur van Azzurro Kids vermeldt een bedrag van € 602,-.[121] Deze betaling is niet gedaan via één van de bankrekeningen in gebruik bij verdachte of [medeverdachte A] en is derhalve contant betaald. De factuur van Swiss Sense van 23 juli 2009 ad € 6.500,- is - zo blijkt uit het antwoord van Swiss Sense - contant voldaan.[122]

Verdachte maakte gebruik van huurauto's bij autoverhuurbedrijf Avis. Ook zijn partner heeft verklaard wel eens een auto te huren.[123] Uit onderzoek is gebleken dat alle huurcontracten en facturen op naam van [verdachte] en [medeverdachte A] stonden en dat steeds contant is afgerekend. Het gaat om een totaalbedrag van € 4.372,44.[124] Tot slot zijn er vouchers van moneytransfers aangetroffen in de [telefoonwinkel]. Als omschrijving was vermeld 'family assistance' en het geld was afkomstig van 'salary'. Het totaalbedrag aan moneytransfers is € 6.416,-.[125]

Nadere bewijsoverwegingen

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden volgt dat verdachte in de ten laste gelegde periode de beschikking had over omvangrijke banksaldi, dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte A] aanzienlijke contante uitgaven deden voor kleding en luxegoederen, en dat zij beschikten over een uitgebreide garderobe vol kleding, schoeisel en accessoires van exclusieve modehuizen. Tegenover deze grote uitgaven die verdachte en [medeverdachte A] hebben gedaan, staan maar zeer beperkte legale inkomsten. Bij de belastingdienst zijn over de ten laste gelegde periode geen inkomensgegevens van verdachte bekend. [medeverdachte A] werkte in loondienst en verdiende daarmee ten tijde in geding bruto € 26.811 tot € 29.227 per jaar. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de contante uitgaven, en kan de aanwezigheid van genoemde banksaldi en garderobe, niet worden verklaard uit de bekende inkomsten van verdachte en van [medeverdachte A]. Aangenomen moet worden dat verdachte en [medeverdachte A] beschikten over een onbekende bron van inkomen. Nu heeft het Alpamayo-onderzoek tot de verdenking geleid dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij de invoer van en de handel in cocaïne. Verdachte wordt bij dit vonnis ook veroordeeld voor meerdere overtredingen van de Opiumwet. Bij zoeking in de woning van verdachte is een hoeveelheid cocaïne aangetroffen alsmede versnijdingmiddelen, een weegschaaltje en verpakkingsmateriaal. Deze bevindingen bieden steun aan de gedachte dat verdachte inkomsten heeft genoten uit cocaïnehandel. Aldus rijst het vermoeden dat evenbedoelde banksaldi, de contante uitgaven door verdachte en door [medeverdachte A] en hun garderobe middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de gegeven omstandigheden op de weg van verdachte om het hiervoor uitgesproken vermoeden te ontzenuwen door te verklaren dat evenbedoelde zaken legale herkomst hebben. Aan deze verklaring wordt de eis gesteld dat deze minst genomen concreet is, verifieerbaar op punten die eenvoudig te achterhalen zijn, en niet hoogst onwaarschijnlijk. Voorts neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat in het geval van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als 'mede' of 'deels' uit misdrijf afkomstig (HR 23 november 2010, LJN BN0578, rov. 3.5.2.).

Verdachte weerspreekt dat hij inkomsten heeft genoten uit de handel in verdovende middelen en stelt dat hij veel van de hiervoor bedoelde luxegoederen heeft gekregen van zijn broer en van zijn moeder, dat voor € 100.000 aan luxegoederen deze zijn bekostigd uit een lening van [getuige 3], een vriend van hem, en voorts stelt hij inkomsten te hebben genoten uit een mede voor zijn rekening gedreven onderneming. Dit standpunt steunt op getuigenverklaringen van achtereenvolgens verdachtes moeder [getuige 1], verdachtes broer [getuige 2] en [getuige 3], alsmede op documenten die betrekking hebben op de vennootschap onder firma '[naam telefoonwinkel].' Ook heeft [verdachte] een verklaring gegeven voor contante stortingen op zijn bankrekeningen. Verder betwist [verdachte] de hoogte van het bedrag dat door de officier van justitie aan de in beslag genomen luxegoederen is toegekend.

Getuige [getuige 1], moeder van verdachte, verklaarde op 11 januari 2011 bij de rechter-commissaris onder meer dat zij haar kinderen, haar kleinkind en [medeverdachte A] regelmatig verwent. Zo koopt zij geregeld kleding voor haar kleindochter, heeft zij verdachte wel eens een horloge cadeau gedaan en kreeg [medeverdachte A] drie tassen van het merk Louis Vuitton. Die cadeaus werden meestal cash voldaan. De getuige kon niet aangeven hoeveel geld met deze schenkingen was gemoeid.

Getuige [getuige 2], broer van verdachte, heeft onder meer verklaard dat veel van de luxegoederen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, van hem zijn en door hem zijn bekostigd. Hij zou de woning van verdachte als een soort opslagplaats voor (met name) zijn schoenen gebruiken, omdat hij zelf veel in het buitenland verblijft. De getuige verklaart ongeveer dezelfde schoenmaat als verdachte te hebben en beschouwt de schoenencollectie als gezamenlijke eigendom. Voorts verklaart deze getuige dat hij het grootste deel van de schoenen heeft bekostigd, vooral de schoenen van het merk Lanvin en Louis Vuitton.

Getuige [getuige 3] verklaarde op 2 maart 2011 bij de rechter-commissaris onder meer dat hij over de afgelopen zeven jaren aan [verdachte] zo'n € 50.000 heeft verstrekt, voor een deel in de vorm van een lening en voor een deel als schenking, telkens in contante hoeveelheden van € 1000 of meer. Hiervan is nooit iets op papier gezet. Aan de leningen waren geen voorwaarden verbonden en getuige weet niet in hoeverre er op de leningen is afgelost.

Ter terechtzitting op 31 maart 2011 heeft verdachte verklaard dat de contante stortingen op zijn bankrekeningen - voor zover nog niet verklaard - afstortingen zijn van kasopnamen uit de vof [naam telefoonwinkel]. Daarnaast stelt verdachte dat hij geld verdiende met de handel in tickets voor feesten. Verder zou verdachte van vrienden contante bedragen hebben ontvangen als bijdrage voor bijvoorbeeld gezamenlijk restaurantbezoek en autohuur, welke bedragen hij vervolgens op zijn eigen bankrekening zou hebben gestort en de factuur per bank zou hebben voldaan.

Ten slotte stelt verdachte dat hij goederen (bijvoorbeeld de jassen van het merk Moncler) tijdens de uitverkoop heeft aangeschaft voor een beduidend lagere prijs dan de door de officier van justitie gehanteerde prijs, en dat sommige luxegoederen al vóór de periode van de tenlastelegging zijn verworven.

De rechtbank zal hetgeen verdachte tot zijn verdediging heeft aangevoerd in het hiernavolgende bespreken.

Nu onduidelijk is welke bedragen met de cadeaus van de moeder van verdachte zijn gemoeid, stelt de rechtbank haar verklaring als onvoldoende concreet ter zijde. Haar verklaring dat zij een horloge aan verdachte heeft geschonken raakt de tenlastelegging niet, nu de tenlastelegging geen horloge vermeldt.

[Medeverdachte A] heeft tijdens haar verhoor op 15 april 2010[126] verklaard dat de aangetroffen mannenkleding en het aangetroffen mannenschoeisel van [verdachte] is. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van getuige [getuige 2], die stelt dat de meeste schoenen van hem zijn, hiermee niet overeenkomt. In zoverre vindt de verklaring van getuige [getuige 2] geen steun in de feiten zoals die in het dossier zijn opgenomen.

Voorts bevat het dossier voor € 57.225 aan op naam van [verdachte] gestelde aankoopnota's van de firma Louis Vuitton. Onder de in beslag genomen goederen uit de garderobe van verdachte bevinden zich merkgoederen van Louis Vuitton die door medewerkers van de douane zijn gewaardeerd op € 53.829. Zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, acht de rechtbank de verklaring dat getuige [getuige 2] het merendeel van de Louis Vuitton schoenen zou hebben bekostigd niet aannemelijk. Veeleer is aannemelijk dat het verdachte zelf geweest is die de op zijn naam gestelde aankopen heeft gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van getuige [getuige 2] onvoldoende steun in de feiten zoals die in het dossier zijn opgenomen, om te kunnen bijdragen aan het door verdachte te ontzenuwen vermoeden.

Verdachte heeft verklaard dat hij een bedrag van € 100.000 heeft geleend van getuige [getuige 3] ter financiering van een tweede telefoonwinkel. Door gewijzigde marktomstandigheden kwam de tweede telefoonwinkel er niet en vervolgens zou verdachte die € 100.000 hebben aangewend voor luxegoederen. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van verdachte en de verklaring van [getuige 3] op essentiële punten niet overeen stemt, zowel ten aanzien van de omvang van het bedrag als het moment waarop gelden zouden zijn verstrekt. Immers, verdachte spreekt over een lening van € 100.000 waar de getuige een bedrag van € 50.000 noemt, en verdachte heeft het over een uitbreidingsinvestering die in 2008 werd overwogen terwijl de getuige spreekt over geldverstrekkingen in de loop van de afgelopen zeven jaren. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de getuige verklaart een deel van het geld te hebben geschonken terwijl verdachte spreekt over een lening. Ten slotte moet als hoogst onwaarschijnlijk worden aangemerkt dat het bestaan van een zakelijke lening voor een investering in een regulier bij de belastingdienst bekend bedrijf en de voorwaarden waaronder deze tot stand is gekomen, niet op schrift zou zijn gesteld. Al met al rijst er zoveel twijfel aan de verklaring dat getuige [getuige 3] aan verdachte een geldbedrag van € 100.000 ter beschikking heeft gesteld, dat de rechtbank deze verklaring als niet geloofwaardig terzijde stelt.

Uit een door verdachte ondertekend formulier 'inschrijving vennoot'[127] volgt dat hij per 1 juli 2008 is toegetreden tot de VoF [naam telefoonwinkel] (hierna ook: de VoF). Deze mutatie is niet verwerkt in de jaarstukken van de VoF[128], daarin komt de naam van verdachte niet voor. Getuige [getuige 4] heeft op 12 januari 2011 bij de rechter-commissaris verklaard dat [naam telefoonwinkel] klant is van haar administratiekantoor, en dat haar administratiekantoor vanaf de opening de boekhouding van de VoF verzorgt. [getuige 4] verklaart evenwel dat zij verdachte niet kent, dat zij niet op de hoogte was van zijn toetreding tot de vof, en dat ook bij het samenstellen van de balans over 2009 geen rekening met deze toetreding is gehouden. De door de verdediging als 'kasboeken 2008, 2009 en begin 2010' gepresenteerde stukken komen getuige [getuige 4] niet bekend voor. In de ten laste gelegde periode was verdachte bij de belastingdienst niet als ondernemer bekend. Tijdens zijn verhoor op 7 april 2010[129] is verdachte bevraagd over zijn werkzaamheden. Hij verklaart daar dat hij drie jaar geleden met de telefoonzaak is begonnen maar weet geen antwoord te geven op de vraag wie de boekhouding doet en hoe hoog de omzet is. Wel verklaart hij dat de omzet over 2009 lager is dan die van het jaar ervoor.

De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens zijn verhoor geen antwoord kon geven op eenvoudige vragen aangaande de VoF en dat overigens verificatie van de stelling dat hij een firma-aandeel ontving op punten die eenvoudig te achterhalen zijn geen enkele steun biedt aan de verklaring van verdachte. Daarom acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij inkomsten heeft genoten uit de vof niet geloofwaardig.

Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen overigens door verdachte naar voren is gebracht om de legale herkomst van de aangewende middelen te verklaren concreet noch verifieerbaar op punten die eenvoudig te achterhalen zijn en kan het daarom niet bijdragen aan het door verdachte te ontzenuwen vermoeden.

De slotsom is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat de middelen waarmee de banksaldi van verdachte zijn gevoed, waarmee verdachte en [medeverdachte A] contante uitgaven hebben gedaan en waarmee hun garderobe is aangeschaft, een legale herkomst hebben. Dit zo zijnde kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat bedoelde vermogensbestanddelen, geheel of gedeeltelijk en middellijk of onmiddellijk, van misdrijf afkomstig zijn en dat zij dit hebben geweten. Nu de uitgaven zowel door verdachte als door [medeverdachte A] zijn gedaan, uit verdachtes bankafschriften blijkt dat vlak voor die uitgaven stortingen van ongeveer dezelfde geldbedragen op rekening van [medeverdachte A] plaatsvonden, en de luxegoederen door hen beiden in hun gezamenlijke woning voorhanden werden gehouden, houdt de rechtbank hen daar ook samen verantwoordelijk voor. Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank nog dat het witwassen zich gedurende een langere tijd volgens eenzelfde modus operandi heeft voorgedaan, zodat moet worden geoordeeld dat verdachte en zijn medeverdachte van dat witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

De rechtbank acht het onder 4 primair ten laste gelegde feit - met uitzondering van hetgeen onder 4.1. is overwogen - bewezen. Tevens acht de rechtbank het onder 5 ten laste gelegde feit bewezen.

Feit 6

(zaaksdossier B09)

Tijdens de doorzoeking op 7 april 2010 in de woning aan de [woonadres verdachte] te Amsterdam, alwaar verdachte is aangehouden130, werd in de kledingkamer een bruine doos van Louis Vuitton aangetroffen met daarin twee kleine boterhamzakjes met vermoedelijk verdovende middelen.[131] Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat in de zakjes totaal 12,76 gram cocaïne zat.[132] Verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn partner woont aan de [woonadres verdachte].[133] Over de aangetroffen verdovende middelen heeft hij geen verklaring afgelegd.

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12,9 gram cocaïne.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

(zaaksdossier B1)

hij op 21 juni 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 13.839,70 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Feit 2

(zaaksdossier B9)

hij in de periode van 7 mei 2009 tot en met 31 oktober 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en Amsterdam en elders in Nederland meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen,

telkens om een feit, bedoeld in het vierde en/of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,

- zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft verschaft en

- voorwerpen en stoffen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders,

in de periode van 7 mei 2009 tot en met 21 juni 2009

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers en/of leveranciers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of hoeveelheid van (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van invoer van en/of de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

- (meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of

- (meermalen) vlucht- en/of bagage - en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) (een) vliegticket(s) gekocht en/of betaald en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd ( in en/of nabij de woning(en) van [medeverdachte E] ([woonadres medeverdachte E]) en/of [verdachte] ([woonadres verdachte]) en/of in en/of nabij de winkel [naam telefoonwinkel] aan het [adres telefoonwinkel] en/of in en/of nabij café [naam café] te Amsterdam en/of elders in Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of

- (meermalen) bij die ontmoeting(en) papieren/documenten verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en/of

- (meermalen) geld ontvangen en/of gegeven

en

in de periode van 12 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers en/of leveranciers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of hoeveelheid van (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer van en/of overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd bij in en/of nabij de woning van [medeverdachte E] ([woonadres medeverdachte E]) en/of elders in Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of

- (meermalen) geld ontvangen en/of gegeven

Feit 3

(zaaksdossier B15)

hij in de periode van 17 maart 2010 tot en met 20 maart 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd ongeveer 2.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en

hij in de periode van 23 februari 2010 tot en met 20 maart 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,

- zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en

- stoffen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit

immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders,

in die periode

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemer(s) en/of leverancier(s) (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of kwaliteit en/of gewicht van (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de overdracht van verdovende middelen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd in en/of nabij de woning(en) van [verdachte] ([woonadres verdachte]) en/of [medeverdachte D] ([verblijfadres medeverdachte D]) en/of in en/of nabij de winkel [naam telefoonwinkel] aan het [adres telefoonwinkel] en/of de parkeergarage Hoogoord en/of elders in Amsterdam, en/of

- geld ontvangen en/of gegeven.

Feit 4

(zaaksdossier B16)

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 april 2010 te Amsterdam en elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben verdachte en zijn mededader toen en daar krachtens die gewoonte, voorwerpen, te weten:

- geldbedragen van totaal 42.501,- euro op de bankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] t.n.v. [verdachte] bij de ABN-AMRO en

- geldbedragen van totaal 39.441,54 euro op de bankrekeningen [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] ten name van [medeverdachte A] bij de ING en

- een geldbedrag van 3.990,06 euro (te weten de contante betaling van een personenauto (Ford Fusion, kenteken [kenteken 1])) en

- geldbedragen van totaal 1940,- euro (te weten de contante betalingen van kledingstukken bij winkelbedrijf Burberry) en

- een geldbedrag van totaal 578 euro (te weten de contante betaling van een kledingstuk bij winkelbedrijf Oger) en

- geldbedragen van totaal 602,- (te weten de contante betaling van kledingstukken bij winkelbedrijf Azuzurro Kids) en

- een geldbedrag van totaal 6.500,- euro (te weten de contante betaling van een compleet bed bij winkelbedrijf Swiss Sense) en

- geldbedragen van totaal 3.675,26 euro (te weten de contante betalingen aan autoverhuurbedrijf AVIS) en

- geldbedragen van totaal 6.416,- euro (te weten verzonden moneytransfers)

voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Feit 5

(zaaksdossier B16)

hij op 7 april 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten

- 45 handtassen en sleuteltassen van de merken Gucci en Louis Vuitton en Evisu en Gianfranco Ferre en Lanvin en Burberry en Hugo Boss en DKNY en Prada en Bally en Dolce & Gabbana en

- 10 sjaals van het merk Louis Vuitton en

- 1 portemonnee van het merk Louis Vuitton en

- 33 zonnebrillen van de merken Yves Saint Laurent en Louis Vuitton en Emilio Pucci en Jimmy Choo en Marc Jacobs en Calvin Klein en Gucci en Prada en Ray Ban en Tom Ford en Ralph Lauren en Roberto Cavalli en

- 12 mutsen en/of caps van de merken Louis Vuitton en Dsquared en Prada en Dolce & Gabbana en Gucci en

- 16 jassen van het merk Moncler en

- 115 paar schoenen van de merken Burberry en Iceberg en Ralph Lauren en Converse All Star en Dolce & Gabbana en Christian Dior en Gucci en Louis Vuitton en Nike en Replay en Diesel en Redwing en Lanvin en Adidas en Puma en

- 6 paar laarzen het merk UGG Australia,

voorhanden heeft gehad , terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Feit 6

(zaaksdossier B09)

hij op 7 april 2010 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12,9 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoel in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

5.1. Beroep op vrijwillige terugtred ex artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu sprake zou zijn geweest van vrijwillige terugtred, zoals bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is - gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 10a van de Opiumwet - artikel 46b Sr niet van toepassing bij de voorbereidingsdelicten die in artikel 10a van de Opiumwet zelfstandig strafbaar zijn gesteld (zie onder andere HR 29 april 1997, NJ 1997/667). Reeds hierom dient het verweer van de raadsvrouw te worden verworpen. Overigens is op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geenszins aannemelijk geworden dat überhaupt sprake is geweest van een terugtreden aan de zijde van verdachte,

5.2. Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2, voor zover dit betreft de periode van 7 mei 2009 tot en met 21 juni 2009:

De voortgezette handeling van:

Medeplegen van het voorbereiden van een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door

- zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen;

- voorwerpen en stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2, voor zover dit betreft de periode van 12 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009:

Medeplegen van het voorbereiden van een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door

- zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen;

- voorwerpen en stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Ten aanzien van de overige feiten:

3. de voortgezette handeling van medeplegen van het voorbereiden van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

4. medeplegen van gewoontewitwassen;

5. medeplegen van witwassen;

6. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1. Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van bijna 14 kilogram cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ook de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank allereerst gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd aan standaardkoeriers die ongeveer 14 kilogram cocaïne in Nederland hebben ingevoerd. Aan deze koeriers, voor wie geldt dat zij veelal vanuit financieel minder rooskleurige omstandigheden tot de invoer van cocaïne zijn overgegaan en die een aanmerkelijke kans op betrapping lopen, wordt doorgaans een hoge gevangenisstraf opgelegd. In casu is de koerier bestraft met een gevangenisstraf van vier jaren. Aan deze - relatief hoge - strafoplegging ligt - naast het gevaar voor de volksgezondheid dat door deze delicten wordt veroorzaakt en de (financiële) schade die gebruikers van cocaïne aan de samenleving toebrengen om te kunnen voorzien in hun behoefte aan die stof - mede als overweging ten grondslag dat het door deze relatief hoge straffen voor en de aanmerkelijke kans op betrapping van die koeriers voor organisatoren van cocaïnesmokkel moeilijker wordt gemaakt om koeriers te kunnen ronselen. Daarnaast noopt de generale en speciale preventie, mede vanwege de betrekkelijk geringe kans op betrapping van de organisatoren, tot een hogere bestraffing dan thans veelal gebruikelijk is bij genoemde koeriers.

In de onderhavige zaak gaat het om verdachte die zich bovendien heeft bezig gehouden met voorbereidingshandelingen van Opiumwetgerelateerde strafbare feiten, alsmede de handel in cocaïne. De rechtbank verwijst naar hetgeen onder 2, maar met name ook onder 3 is bewezen verklaard. Bij het laatste feit ging het om voorbereidingshandelingen ten aanzien van een partij van 10 kilogram cocaïne, waarvan 2 kilo daadwerkelijk is verkocht, afgeleverd en vervoerd.

Verdachte heeft zich daarnaast - samen met zijn partner - schuldig gemaakt aan het (gewoonte-)witwassen. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door witwassen wordt bovendien het plegen van strafbare feiten gefaciliteerd.

Verdachte heeft zich bij de bewezen verklaarde feiten (kennelijk) enkel laten leiden door het oogmerk van snel en eenvoudig financieel gewin ten koste van anderen. Dit wordt bevestigd door de hoeveelheid luxe goederen die bij hem zijn aangetroffen.

Mede in aanmerking nemend de hoeveelheid bewezen verklaarde feiten en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld, de hoeveelheid cocaïne die het (naar schatting) betreft en de straffen die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, acht de rechtbank geen andere straf dan een die vrijheidsbeneming van na te melden duur meebrengt, passend en geboden.

7.2. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de navolgende onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen:

- een zonnebril, merk Louis Vuitton, kleur zwart (nr. 19);

- een zonnebril, merk Prada, kleur zilver (nr. 20);

- 165 paar schoenen, diverse merken, o.a. Louis Vuitton, Gucci, Dior (nr. 34);

- 33 zonnebrillen, diverse merken, o.z. Louis Vuitton, R. Vacalli, Gucci (nr. 47);

- 16 winterjassen, merk Moncler (nr. 50);

- 12 petten, diverse merken, o.a. Louis Vuitton, Prada, Dolce & Gabbana (nr. 51);

- 56 tassen, divers merken, o.a. Louis Vuitton, Gucci, Prada, Lanvin (nr. 53);

- een semafoon,merk Maxer N10, kleur zwart (nr. 64);

- een computer, merk Packard Bell easynote + adapter, kleur zwart (nr. 65);

- een computer, merk Apple desktop, kleur zilver, incl. muis, toetsenbord, afstandsbediening (nr. 66);

- een computer, kleur wit (EEE PC EE PC 4G in doos met factuur en toebehoren (nr. 67));

- een mp3 speler, merk Apple 30G, kleur zwart, met oplader (nr. 82);

- een tas, merk Louis Vuitton, kleur bruin (nr. 83);

- een zonnebril, merk Louis Vuitton (nr. 84);

- 12 sjaals, merk Louis Vuitton, in bruine doos (nr. 88);

- een portefeuille van Louis Vuitton met doos (nr. 134);

- twee dozen met meerkleurige Louis Vuitton sjaal (nr. 139);

- een doos met Louis Vuitton sjaal (nr. 140);

- drie Louis Vuitton sjaals met zwart zakje (nr. 141);

- vier Louis Vuitton portemonnees (nr. 142);

- een doos Tom Ford (nr. 143);

- twee tassen van Dolce & Gabbana en Burberry (nr. 144);

- een portefeuille Louis Vuitton (nr. 145);

- twee transparante boxen (nr. 146),

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot dan wel met behulp van deze voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

7.3. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het volgende nog in beslag genomen voorwerp:

- een bruine Louis Vuitton doos met spullen ten behoeve van versnijdingsmiddelen (nr. 61),

dient te worden onttrokken aan het verkeer. Dit voorwerp behoort verdachte toe. Dit voorwerp is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten. Het ongecontroleerde bezit van dit voorwerp is in strijd met de wet en het algemeen belang.

8. Beslag

Onder verdachte zijn horloges en sieraden in beslag genomen, welke voorwerpen voorkomen op de beslaglijst onder de nummers 1 tot en met 17, 25, 30, 35, 38, 43, 46, 52, 54 tot en met 60, 81, 82, 86, 90 tot en met 92 en 147.

Nu voor deze in beslag genomen voorwerpen door de rechter-commissaris d.d. 13 april 2011 machtiging is verleend tot het leggen van conservatoir beslag, zal de rechtbank omtrent deze voorwerpen geen beslissing nemen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 33, 33a, 36d, 47, 56, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 tot en met 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5.2. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een zonnebril, merk Louis Vuitton, kleur zwart (nr. 19);

- een zonnebril, merk Prada, kleur zilver (nr. 20);

- 165 paar schoenen, diverse merken, o.a. Louis Vuitton, Gucci, Dior (nr. 34);

- 33 zonnebrillen, diverse merken, o.z. Louis Vuitton, R. Vacalli, Gucci (nr. 47);

- 16 winterjassen, merk Moncler (nr. 50);

- 12 petten, diverse merken, o.a. Louis Vuitton, Prada, Dolce & Gabbana (nr. 51);

- 56 tassen, divers merken, o.a. Louis Vuitton, Gucci, Prada, Lanvin (nr. 53);

- een semafoon,merk Maxer N10, kleur zwart (nr. 64);

- een computer, merk Packard Bell easynote + adapter, kleur zwart (nr. 65);

- een computer, merk Apple desktop, kleur zilver, incl. muis, toetsenbord, afstandsbediening (nr. 66);

- een computer, kleur wit (EEE PC EE PC 4G in doos met factuur en toebehoren (nr. 67));

- een mp3 speler, merk Apple 30G, kleur zwart, met oplader (nr. 82);

- een tas, merk Louis Vuitton, kleur bruin (nr. 83);

- een zonnebril, merk Louis Vuitton (nr. 84);

- 12 sjaals, merk Louis Vuitton, in bruine doos (nr. 88);

- een portefeuille van Louis Vuitton met doos (nr. 134);

- twee dozen met meerkleurige Louis Vuitton sjaal (nr. 139);

- een doos met Louis Vuitton sjaal (nr. 140);

- drie Louis Vuitton sjaals met zwart zakje (nr. 141);

- vier Louis Vuitton portemonnees (nr. 142);

- een doos Tom Ford (nr. 143);

- twee tassen van Dolce & Gabbana en Burberry (nr. 144);

- een portefeuille Louis Vuitton (nr. 145);

- twee transparante boxen (nr. 146),

Onttrekt aan het verkeer:

- een bruine Louis Vuitton doos met spullen ten behoeve van versnijdingsmiddelen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

- een horloge met zwart lederen bandje, merk Breitling (A24322 2322697);

- een horloge, kleur zilver, merk Breitling (A77380).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mr. J. Snitker en mr. S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. H. van de Vijver en D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 april 2011.

Voetnoten:

[1] De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

[2] Proces-verbaal van verhoor d.d. 23 december 2009 (dossier C1, p. 77 en 78).

[3] Proces-verbaal van bevindingen verklaring [medeverdachte F] d.d. 24 december 2009 (dossier C2, p. 58-61).

[4] Schriftelijke stukken, inhoudende tapgesprekken d.d. 25 mei 2009, 16.58 uur (B01, p. 3440; 25 mei 2009, 18.37 uur (B01, p. 345), 27 mei 2009, 18.26 en 18.30 en 18.33 uur (B01, p. 356-358).

[5] Proces-verbaal observeren d.d. 25 mei 2009 (dossier D3, observeren, deel 1, p. 64-67).

[6] Proces-verbaal van verhoor d.d. 30 juni 2010 (1e aanvullend dossier, p. 009).

[7] Proces-verbaal van aanhouding d.d. 21 juni 2009 (zaaksdossier B01, deel 2, p. 590-591).

[8] Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d.1 juli 2009 (zaaksdossier B01, deel 2, p. 632-648).

[9] Deskundigenrapport van het Douane Laboratorium d.d.3 juli 2009 (dossier aanvullende stukken Alpamayo).

[10] Een kopie claimtag (zaaksdossier B01, deel 2, p. 630).

[11] Proces-verbaal observeren 7 mei 2009 (dossier D3, observatie, p. 15-18).

[12] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 7 mei 2009, 16.43 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 480).

[13] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 9 mei 2009, 00.08 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 485).

[14] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 8 mei 2009, 12.44 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 484).

[15] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 9 mei 2009, 00.11 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 486).

[16] Schriftelijke stukken, inhoudende tapgesprekken d.d. 12 en 13 mei 2009, 17.44 uur en 11.44 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 491-492).

[17] Proces-verbaal observeren 13 mei 2009 (dossier D3, observatie, deel 1, p. 39-43).

[18] Schriftelijke stukken, inhoudende tapgesprekken d.d. 13 mei 2009, 14.49 uur en 16.27 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 493-496).

[19] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 13 mei 2009, 20.25 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 497).

[20] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 13 mei 2009, 22.56 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 498).

[21] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 17 mei 2009, 21.19 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 500).

[22] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 23 mei 2009, 17.46 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 340).

[23] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 25 mei 2009, 16.58 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 344).

[24] Proces-verbaal observeren 25 mei 2009 (dossier D3, observatie, deel 1, p. 64-67).

[25] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 26 mei 2009, 17.26 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 346).

[26] Schriftelijk stuk, inhoudende een sms bericht d.d. 27 mei 2009, 00.17 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 348).

[27] Schriftelijke stukken, inhoudende tapgesprekken en sms berichten d.d. 27 mei 2009 te 14.09 uur, 14.11 uur, 14.17 uur, 14.19 uur, 14.30 uur (zaakdossier B01, deel 1, p. 349-353).

[28] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 27 mei 2009, 22.34 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 526).

[29] Proces-verbaal observeren 28 mei 2009 (dossier D3, observatie, deel 1, p. 86-88).

[30] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 28 mei 2009, 13.58 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 364).

[31] Proces-verbaal observeren 28 mei 2009 (dossier D3, observatie, deel 1, p. 92-97).

[32] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 29 mei 2009, 12.11 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 368).

[33] Schriftelijk stuk, inhoudende een sms bericht d.d. 29 mei 2009, 13.58 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 372).

[34] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 31 mei 2009, 12.52 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 382).

[35] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 26 mei 2009, 18.19 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 347).

[36] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 31 mei 2009, 18.39 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 384).

[37] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 31 mei 2009, 18.40 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 385).

[38] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 3 juni 2009, 10.44 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 533-534).

[39] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 3 juni 2009, 15.32 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 388).

[40] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 7 juni 2009, 20.21 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 390).

[41] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 7 juni 2009, 22.33 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 393).

[42] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 8 juni 2009, 17.48 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 576).

[43] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 10 juni 2009, 00.36 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 408).

[44] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 13 juni 2009, 17.10 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 425).

[45] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 15 juni 2009, 12.20 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 440).

[46] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 16 juni 2009, 12.07 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 457).

[47] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 16 juni 2009, 13.26 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 459 ).

[48] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 16 juni 2009, 16.37 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 467).

[49] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 19 juni 2009, 23.19 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 471).

[50] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 juni 2009, 17.42 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p.474).

[51] Schriftelijk stukken, inhoudende tapgesprekken d.d. 22 juni 2009, 12.26 uur, 15.46 uur, 19.24 uur, 24 juni 2009, 16.44 uur (zaaksdossier B01, deel 1, p. 482, 484, 485, 489).

[52] Proces-verbaal van verhoor d.d. 20 december 2010 (ordner aanvullende stukken).

[53] Persoonsdossier C7, p. 4-5).

[54] Dossier E3, fotomap, inhoudsopgave, p. 4, 5, 6, 9 en 10.

[55] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 12 oktober 2009, 10.59 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 684-685).

[56] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 19 oktober 2009, 15.34 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 699).

[57] Proces-verbaal van relaas d.d.4 juni 2010 (zaaksdossier B09, deel 1, p. 124).

[58] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 19 oktober 2009, 16.34 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 701).

[59] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 19 oktober 2009, 21.26 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 704-705).

[60] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 oktober 2009, 12.31 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 711).

[61] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 oktober 2009, 12.51 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 713).

[62] Schriftelijk stuk, inhoudende een sms bericht d.d. 20 oktober 2009, 14.26 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 716).

[63] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 oktober 2009, 14.39 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 717).

[64] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 oktober 2009, 14.52 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 718).

[65] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 oktober 2009, 15.24 uur (zaaksdossier B09, deel 2, p. 719).

[66] Proces-verbaal van relaas d.d. 4 juni 2010 (zaaksdossier B09, deel 1, p. 132-133).

[67] Schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 31 oktober 2009, 18.47 uur (zaaksdossier B09, deel 3, p. 780).

[68] Proces-verbaal van bevindingen vaststelling identiteit [verdachte] d.d. 7 januari 2010 (dossier C15, p. 125-138).

[69] Proces-verbaal van bevindingen vaststelling identiteit [medeverdachte D] d.d. 13 april 2010 (dossier C20, p. 66-69).

[70] Proces-verbaal van bevindingen vaststelling identiteit [medeverdachte C] d.d. 14 april 2010 (dossier C21, p. 60-70).

[71] Proces-verbaal van bevindingen vaststelling identiteit [medeverdachte B] d.d. 25 februari 2010 (dossier C18, p. 1-7).

[72] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 17 maart 2010, 16.44 uur (B15, p. 68).

[73] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 17 maart 2010, 17.09 uur (B15, p. 72).

[74] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 17 maart 2010, 22.15 uur (B15, p. 77).

[75] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 09.49 uur (B15, p. 78).

[76] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 12.25 uur (B15, p. 80).

[77] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 12.28 uur (B15, p. 81).

[78] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 12.44 uur (B15, p. 82).

[79] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 13.56 uur (B15, p. 84).

[80] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 14.28 uur (B15, p. 87).

[81] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 14.29 uur (B15, p. 88).

[82] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 14.32 uur (B15, p. 89).

[83] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 23.09 uur (B15, p. 98).

[84] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 19 maart 2010, 13.27 uur (B15, p. 99).

[85] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 19 maart 2010, 14.50 uur (B15, p. 100).

[86] Een schriftelijk stuk, inhoudende tapgesprekken d.d. 18 maart 2010, 14.58 en 14.59 uur (B15, p. 101 en p. 102).

[87] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 15.02 uur (B15, p. 103).

[88] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 19 maart 2010, 21.23 uur (B15, p. 106, en een aanvullend proces-verbaal betreffende [medeverdachte D] d.d. 8 februari 2011 (ordner aanvullende stukken).

[89] Proces verbaal observeren d.d. 18 maart 2010 (dossier D3, deel 2, p. 872-884).

[90] Proces-verbaal van verhoor d.d. 20 april 2010 (dossier C20, p. 17).

[91] Proces-verbaal van verhoor d.d. 8 april 2010 (dossier C15, p. 33).

[92] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 18 maart 2010, 13.03 uur (B15, p.83).

[93] Een schriftelijk stuk, inhoudende tapgesprekken d.d. 20 maart 2010, 10.43 uur, 13.38 uur en 13.43 uur (B15, p. 107, 109 en 110).

[94] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 maart 2010, 15.06 uur (B15, p. 112).

[95] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 maart 2010, 15.14 uur (B15, p. 113).

[96] Een schriftelijk stuk, inhoudende een tapgesprek d.d. 20 maart 2010, 15.36 uur (B15, p. 116).

[97] Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 april 2010 (dossier C15, p. 17-23) en proces-verbaal van verhoor d.d. 8 april 2010 (dossier C15, p. 29-40).

[98] Proces-verbaal van binnentreding en doorzoeking met bijlagen (dossier G1, deel 3, p.3-20).

[99] Proces-verbaal van zaaksdossier B15 d.d. 31 mei 2010 (zaaksdossier B15, p. 12).

[100] Proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 april 2010 (dossier C15, p. 1-2).

[101] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2010 (dossier G1, deel 3, p. 74-75).

[102] Proces-verbaal van determinatie d.d. 19 april 2010 met bijlagen (zaaksdossier B16, p. 1195-1197).

[103] Proces-verbaal van binnentreding en doorzoeking met bijlagen (dossier G1, deel 3, p.3-20).

[104] Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 april 2010 (dossier C19, p. 12).

[105] Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 april 2010 (dossier C15, p.12-13).

[106] Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 11 januari 2011.

[107] Proces-verbaal van verhoor d.d. 15 april 2010 (dossier C19, p. 35).

[108] Schriftelijke stukken belastingsdienst (zaaksdossier B16, p. 104-139).

[109] Schriftelijk stuk KvK (zaaksdossier B16, p. 54-55).

[110] Schriftelijk stuk KvK (zaaksdossier B16, p. 50-51).

[111] Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 4], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 12 januari 2011.

[112] Proces-verbaal van relaas d.d. 31 mei 2010 (zaaksdossier B16, p.7-11).

[113] Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 2], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 17 februari 2011.

[114] Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 3], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 maart 2011.

[115] Proces-verbaal van getuigenverhoor van [verdachte], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 30 november 2010.

[116] Kopiefactuur Ford Amsterdam d.d. 16 juni 2008 (zaaksdossier B16, p. 1184-1185).

[117] Kopie bankafschrift ING-bank d.d. 16 april 2008 (zaaksdosser B16, p. 1089-1090; p. 1094 en p. 1095).

[118] Aankoopfacturen en verkooptransacties Louis Vuitton (zaaksdossier B16, p. 1198-1243).

[119] Kassabonnen Burberry t.n.v. [medeverdachte A] d.d. 12 september 2009 en 19 september 2009 (zaaksdossier B16, p. 1280-1282).

[120] Factuur Oger d.d. 6 oktober 2009 (zaaksdossier B16, p. 1284).

[121] Factuur Azzurro Kids d.d. 27 maart 2010 (zaaksdossier B16, p. 1285).

[122] Kassabonnen, facturen en orderbon nummer 061814 Swiss Sense (zaaksdossier B16, p. 1286-1295).

[123] Proces-verbaal van verhoor d.d. 8 april 2010 (dossier C19, p. 21)

[124] Facturen Avis Autoverhuur b.v. en brief d.d. 11 mei 2010 van Avis Autoverhuur b.v. (zaaksdossier B16, p. 1296-1308).

[125] Vouchers moneytransfers Western Union (zaaksdossier B16, p. 1309-1312).

[126] Persoonsdossier C19, p. 34 e.v.

[127] Een formulier, te weten een inschrijving vennoot bij de Kamer van Koophandel d.d.7 juli 2008 (zaaksdossier B16, p. 54 e.v.)

[128] Een schriftelijk stuk, te weten een rapport jaarrekening 2008 (zaaksdossier B16, p. 80 e.v.).

[129] Proces-verbaal van verhoor (zaaksdossier B16, p. 70 e.v.).

[130] Proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 april 2010 (dossier C15, p. 1-2).

[131] Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 8 april 2010 (dossier G1, p. 2124).

[132] Rapport NFI d.d. 11 mei 2010 (dossier G1, p. 64b-64d).

[133] Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 april 2010 (dossier C15, p.12-13).