Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ2773

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
10/3658
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep van eiser is gegrond, omdat verweerder hem heeft gevraagd inlichtingen te verstrekken over een bankrekeningnummer dat niet op naam van eiser staat. Er bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand. Ook komt eiser niet in aanmerking voor langdurigheidstoeslag, nu hij geen inlichtingen heeft verstrekt over een bankrekening die op naam staat van zijn echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10-3658 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2011

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2009 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de door hem aangevraagde bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) niet zullen worden toegekend.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 oktober 2009 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaarschrift heeft verweerder besloten de afwijzing van de aanvragen opnieuw te beoordelen.

Bij besluit van 19 maart 2010 heeft verweerder het besluit van 18 september 2009 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 april 2010, aangevuld bij brieven van 4 mei 2010 en 15 mei 2010, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 juli 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 december 2010, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R.G. van der Eijk, werkzaam bij de gemeente Purmerend.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een aantal – in de schorsingsbeslissing vermelde - gegevens aan verweerder ter hand te stellen.

Op 30 december 2010 heeft eiser aan verweerder een brief gestuurd met als bijlage een brief van zijn boekhouder Admi-Lux B.V. van 27 december 2010. Voorts heeft eiser ook op 11 januari 2011 een brief aan de rechtbank gestuurd.

Op 14 januari 2011 heeft eiser een bezoek gebracht aan verweerder en financiële stukken overgelegd. Op basis hiervan heeft verweerder op 14 januari 2011 een brief gestuurd aan de rechtbank. Op 17 januari 2011 heeft verweerder deze brief aangevuld.

Bij brief van 18 januari 2011, gericht aan de rechtbank, heeft eiser een reactie gegeven op verweerders brieven van 14 en 17 januari 2011.

Verweerder op zijn beurt heeft bij brief van 25 januari 2011 een reactie gegeven op eisers brief van 18 januari 2011.

Bij brief van 8 februari 2011 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij de rechtbank geen toestemming geeft om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

De behandeling van het beroep is vervolgens voortgezet ter zitting van 21 maart 2011, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R.G. van der Eijk en L.A. Teusink, beiden werkzaam bij de gemeente Purmerend. Tevens was ter zitting aanwezig P.B.M. Iemanschot, als casemanager werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 Op 28 mei 2009 heeft eiser met zijn echtgenote een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor medische kosten ad € 986,51, de kosten van een brillenglas ad € 99,-- en de legeskosten voor een gehandicaptenparkeerplaats ad € 18,15. Ook heeft eiser een langdurigheidstoeslag aangevraagd. Bij besluit van 18 september 2009 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen, omdat uit onderzoek is gebleken dat eiser een bedrijfsauto met het kenteken 14-BJ-ZD in bezit heeft en dat hij een bedrijf op zijn naam heeft staan, welke informatie eiser niet bij zijn aanvraag aan verweerder heeft verstrekt. Naar aanleiding van het daartegen door eiser gemaakte bezwaar, heeft verweerder de aanvragen van eiser opnieuw beoordeeld, waarbij verweerder ook het oude dossier van eiser heeft onderzocht. Bij besluit van 19 maart 2010 heeft verweerder het afwijzende besluit van 18 september 2009 gehandhaafd. Ook tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.2 Bij besluit van 16 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft in dit besluit overwogen dat eiser de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden, nu hij de bij brief van 27 april 2010 gevraagde gegevens over de bankrekening op naam van eisers bedrijf [naam] Installatie en Gebouwbeheer (hierna: [naam]), met rekeningnummer [nummer], niet heeft overgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

2.3 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.4 In dit geding staat de vraag centraal of verweerder voormelde aanvragen van eiser en zijn echtgenote terecht en op goede gronden heeft afgewezen wegens schending van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de WWB.

2.5 Artikel 17 van de WWB bevat de zogeheten inlichtingenplicht. Op grond van het eerste lid van dit artikel dient de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

2.6 Artikel 34 van de WWB bepaalt in het eerste lid onder a, dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer.

2.7 Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijzondere bijstand alleen voor zover de belanghebbende de noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd niet kan voldoen uit (onder andere) zijn vermogen.

2.8 In artikel 36 van de WWB staat – kort gezegd – dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag toekent aan een persoon ouder dan 21 en jonger dan 65, die langdurig een laag inkomen heeft en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

2.9 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.10 In het bestreden besluit van 16 juni 2010 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB heeft geschonden, omdat hij aan verweerder geen informatie heeft verschaft over het saldo op de ING-bankrekening met nummer [nummer]. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat dit rekeningnummer niet op naam staat van eiser of zijn echtgenote. Eiser kon dan ook geen informatie over het saldo op deze rekening verschaffen, zoals hij van meet af aan heeft gezegd. Eiser heeft de inlichtingenplicht niet geschonden. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de aanvraag van eiser afgewezen omdat vanwege de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag niet kon worden vastgesteld. Dit betekent dat het bestreden besluit onjuist is en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is dan ook gegrond.

2.11 De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hierbij zal de rechtbank als leidraad hanteren het nadere standpunt dat verweerder heeft ingenomen na de zitting van 20 december 2010, neergelegd in zijn brieven van 14 en 17 januari 2011.

2.12 Eiser heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor (onder meer) de kosten van een brillenglas ten bedrage van € 99,--. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen bewijs heeft overgelegd van zijn stelling dat hij deze kosten heeft gemaakt en dat de kosten van het brillenglas niet door zijn zorgverzekeraar zijn vergoed. Volgens eiser heeft hij de aanschafnota van het brillenglas geruime tijd geleden aan verweerder toegestuurd, maar verweerder heeft deze nota kwijt gemaakt. Op eiser rust de bewijslast om aan te tonen dat hij de nota aan verweerder heeft toegezonden. Aangezien eiser dit niet heeft kunnen aantonen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de kosten voor het brillenglas heeft gemaakt en dat deze niet door de zorgverzekeraar zijn vergoed. Verweerder stelt zich op goede gronden op het standpunt dat voor het brillenglas geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt.

2.13 Eiser heeft voorts bijzondere bijstand aangevraagd voor de legeskosten die betrekking hebben op de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiervoor geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt, omdat de desbetreffende aanvraag is ingediend nadat bedoelde kosten al waren gemaakt. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat hij in het verleden zijn aanvragen voor legeskosten van een gehandicaptenparkeerkaart steeds achteraf indiende en dat verweerder desondanks die aanvragen steeds inwilligde. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij tot 2008 soepeler met de desbetreffende aanvragen omging. Vanaf 2008 heeft verweerder het beleid op dit punt steeds strikt toegepast. In dit verband heeft verweerder gewezen op het boekje ‘Meer om mee te doen’. Eiser heeft niet betwist dat hij dit boekje ten tijde van de aanvraag in zijn bezit had. Verweerder stelt terecht dat geen bijzondere bijstand kan worden verleend voor kosten die de aanvrager al heeft voldaan. Het staat verweerder vrij indien hij zich in het verleden op dit punt soepeler heeft opgesteld, van dit vereiste striktere naleving te verlangen. De omstandigheid dat eiser in het verleden bijzondere bijstand heeft ontvangen voor door hem voorgeschoten legeskosten van een gehandicaptenparkeerkaart maakt niet dat verweerder daar ook in dit geval toe bereid moet zijn. Het staat vast dat eiser de legeskosten waarvoor hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd, ten tijde van de aanvraag reeds had voldaan. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat voor deze kosten geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt.

2.14 Voorts heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd ter bestrijding van medische kosten die niet door zijn ziektekostenverzekeraar zijn vergoed. In dit verband heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de basisverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet en ook de aanvullende verzekering voor eiser een toereikende en passende voorziening vormen. Deze voorziening is, aldus verweerder, voorliggend ten opzichte van de bijzondere bijstand. Verweerder wijst hierbij op artikel 15, eerste lid, WWB. Eiser heeft aangevoerd dat hij juist via Zilveren Kruis Achmea gebruik maakt van het gemeentelijke extrapakket van waaruit de door hem opgevoerde kosten niet worden vergoed. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 17 november 2009, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BK4230) moet de Zorgverzekeringswet voor medische kosten in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening worden beschouwd. Hieraan doet niet af dat de door de betrokkene gemaakte kosten niet (volledig) door de voorliggende voorziening worden vergoed. Dit brengt met zich dat artikel 15, eerste lid, WWB in beginsel in de weg staat aan de toekenning van bijzondere bijstand voor medische kosten. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zijn ziektekostenverzekering in dit geval geen toereikende en passende voorziening biedt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de medische kosten die volgens eiser niet door zijn ziektekostenverzekeraar zijn vergoed.

2.15 Voor wat betreft de weigering bijzondere bijstand te verstrekken, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit dus in stand worden gelaten.

2.16 Voor wat betreft de aanvraag om langdurigheidstoeslag geldt het volgende.

2.17 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser over een zodanig vermogen beschikt dat geen recht bestaat op langdurigheidstoeslag. In dit verband heeft verweerder erop gewezen dat eiser op 4 mei 2009 op zijn bankrekening met nummer [nummer] (een rekening op naam van eisers bedrijf [naam]) een positief saldo had staan van € 29.266,43 en dat hiervan op 1 juni 2009 nog een saldo over was van € 3.282,09. Op grond van artikel 34, eerste lid, onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Een saldering derhalve van positieve en negatieve vermogensbestanddelen op enig moment. Door de vaststelling van het vermogen van eiser enkel te baseren op het saldo van een bankrekening, vindt geen vermogensvaststelling plaats die in overeenstemming is met artikel 34, eerste lid, onder a, van de WWB. Verweerder laat dan immers overige positieve, en wat nog belangrijker is, alle negatieve inkomensbestanddelen buiten beschouwing. Uit de door eiser overgelegde jaarstukken van zijn onderneming blijkt dat tegenover positieve vermogensbestandelen nog grotere schulden staan. Het eigen vermogen van de onderneming was per 31 december 2008 ruim negatief. Voor het standpunt van verweerder dat het vermogen van eiser in de weg staat aan het recht op langdurigheidstoeslag bestaat onvoldoende feitelijke grondslag.

2.18 Vervolgens heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser bij zijn aanvraag ten onrechte geen melding heeft gemaakt van het bankrekeningnummer [nummer]. Dit rekeningnummer staat op naam van eisers echtgenote. Hierover heeft eiser verklaard dat hij dit rekeningnummer heeft gemeld aan mevrouw [naam] ([naam]) die naar aanleiding van de aanvraag van eiser in 2009 voor verweerder een onderzoek heeft ingesteld naar eisers financiële situatie. Namens verweerder is verklaard dat het onderzoek van [naam] weliswaar heeft plaatsgevonden, maar dat hiervan geen verslag is gemaakt. Verweerder beschikt niet over de resultaten van het onderzoek van [naam].

2.19 Op eiser rust de verplichting om bij een aanvraag om bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag melding te maken van een bankrekening ten name van zijn echtgenote. Nu verweerder echter heeft erkend dat [naam] namens verweerder bij eiser een onderzoek heeft ingesteld, is het aannemelijk dat eiser, zoals hij heeft verklaard, tegenover [naam] melding heeft gemaakt van deze bankrekening. Dat [naam] over het onderzoek niet aan verweerder heeft gerapporteerd en deze informatie verweerder kennelijk niet heeft bereikt, dient onder deze omstandigheden voor risico van verweerder te blijven. Eiser heeft voldaan aan zijn verplichting om hangende de behandeling van zijn aanvraag mededeling te doen van de bankrekening van zijn echtgenote.

2.20 Wel stelt verweerder zich op goede gronden op het standpunt dat de informatie die eiser over de bankrekening met nummer [nummer] heeft verstrekt onvoldoende is om het recht op langdurigheidstoeslag vast te stellen. Verweerder heeft in dit verband onder meer verwezen naar de verstrengeling tussen deze rekening en de bankrekening van de onderneming van eiser. Eiser heeft ter zitting meermalen verklaard dat hij niet bereid is kopieën van bankafschriften van de bankrekening van zijn echtgenote aan verweerder te verstrekken, maar dat hij verweerder deze stukken slechts ter inzage wil geven. Dit leidt ertoe dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat onvoldoende informatie is verstrekt over deze bankrekening, zodat eisers recht op langdurigheidstoeslag niet kan worden vastgesteld.

2.21 Ook voor wat betreft de weigering langdurigheidstoeslag te verstrekken, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten.

2.22 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

2.23 Aangezien het beroep gegrond is, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank in dit verband drie punten toe: een punt voor het beroepschrift, anderhalve punt voor het verschijnen ter zitting en een halve punt voor de repliek, wegingsfactor 1. Elk punt komt overeen met een bedrag van € 437,--. Omdat ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

2.24 Voorts komen de volgende door eiser gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking: reiskosten tot een bedrag van € 24,40 en het bedrag dat eiser aan zijn boekhouder Admi-Lux heeft betaald, te weten: € 26,78 voor het opstellen van een verklaring. De door eiser opgevoerde verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien niet aannemelijk is geworden dat eiser verletkosten heeft gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 16 juni 2010;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

3.4 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.362,18, waarvan

€ 1311,-- moet worden betaald aan de griffier van de rechtbank en € 51,18 aan eiser;

3.5 draagt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend op om het door eiser betaalde griffierecht van € 41,-- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 maart 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.