Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ0987

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
10-2612
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV7387, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navordering op grond van artikel 16, lid 2 letter c, AWR. Door een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was. Aanslag is vastgesteld vóór 31 december 2009. Ontbreken van nieuw feit en geen sprake van een schrijf- of tikfout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011/1212 met annotatie van Kastelein
FutD 2011-1022
V-N 2011/31.2.1
Belastingadvies 2011/11.2

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/2612

Uitspraakdatum: 28 februari 2011

Uitspraak in het geding tussen

X BV, gevestigd te Z, eiseres,

gemachtigde: A

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 77.384.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 april 2010 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door A. Namens verweerder zijn B en C verschenen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres heeft begin december 2009 aangifte vpb 2007 gedaan. In deze aangifte stond een onjuist tijdvak vermeld. Verweerder heeft eiseres hierop gewezen met de mededeling dat de aangifte daarom niet te verwerken is en heeft op 22 december 2009 aan eiseres het verzoek gedaan nogmaals aangifte te doen. Hierop heeft eiseres op 31 december 2009 opnieuw aangifte gedaan naar een belastbaar bedrag van € 77.384.

2.2. Met dagtekening 9 januari 2010 is aan eiseres een ambtshalve vastgestelde definitieve aanslag vpb 2007 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 2.000.

2.3. Met dagtekening 30 januari 2010 is aan eiseres een navorderingsaanslag vpb 2010 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 77.384.

3. Geschil

In geschil is of sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 16, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) die verweerder het recht geeft een navorderingsaanslag op te leggen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 16, lid 1, AWR bepaalt het volgende:

“Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte

achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de

belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.”

4.2. Met ingang van 1 januari 2010 is artikel 16, lid 2, letter c, AWR is navordering mede toegestaan in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven omdat ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Van dit laatste is in elk geval sprake indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de volgens de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. Op grond van het overgangsrecht vindt deze wijziging voor het eerst toepassing ten aanzien van belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen die zijn vastgesteld of genomen na 31 december 2009 (artikel XXI, lid 2, van de wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010), Stb. 2009/610).

4.3. Niet in geschil is dat op 9 januari 2010 een belastingaanslag is opgelegd naar een te laag vastgesteld bedrag en dat de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de volgens de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het vaststellen van de aanslag in de hiervoor weergegeven overgangsregel gedoeld wordt op de dagtekening van de aanslag. Eiseres heeft aangevoerd dat de aanslag in feite al vóór 31 december 2009 is vastgesteld en dat de juiste gegevens toen al bekend waren bij de belastingdienst.

4.4. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet wat de werkwijze van de belastingdienst bij het verwerken van de aangifte van eiseres moet zijn geweest. Verweerder heeft hierover het volgende verklaard:

“Na binnenkomst gaat de aangifte door een aantal poorten heen. Bij de verwerking is geconstateerd dat het boekjaar niet klopte waardoor de aanslagregelaar de aangifte van begin december 2009 niet kon verwerken. Vervolgens komt een dergelijke aangifte op een lijst waarop staat dat de aangifte niet kan worden aangeboden aan een aanslagregelaar en volgt een brief aan de belanghebbende.

In het verleden was er een voorlopige aanslag opgelegd van € 2.000. Ik denk dat het systeem, toen de aangiftetermijn was verstreken, automatisch een ambtshalve aanslag heeft opgelegd conform de voorlopige aanslag.

Voor ambtshalve aanslagen is er zowel een handmatig traject als een geautomatiseerd traject. In dit geval is het geautomatiseerde traject gevolgd. Ik denk dat dit traject twee tot drie weken vóór de dagtekening van de aanslag is ingezet. Een massaal bestand van vast te stellen aanslagen wordt dan in werking gezet. Op een gegeven moment moet de aangifte definitief worden vastgesteld en dat wordt door het geautomatiseerde traject gedaan.”

4.5. In de MvT (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 129, nr. 3, onderdeel 12.1) is het volgende opgemerkt met betrekking tot vermelde overgangsregel:

“Ten slotte is er een overgangsbepaling opgenomen. Normaliter geldt dat wijzigingen van het formele recht onmiddellijk in werking treden. Dit zou betekenen dat ook belastingaanslagen en beschikkingen, die vóór inwerkingtreding van deze wet ten gevolge van een fout onjuist zijn vastgesteld of genomen, na inwerkingtreding van deze wet kunnen worden gecorrigeerd, indien aan de overige voorwaarden is voldaan. Deze onmiddellijke werking is in dit geval niet gewenst. Daarom is geregeld dat de wijziging van de navorderingsregeling en daaraan verwante regelingen geldt ten aanzien van belastingaanslagen of beschikkingen die zijn vastgesteld of genomen op of na de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging.”

4.6. Uit de weergegeven parlementaire geschiedenis kan niet worden opgemaakt dat met het moment van vaststellen van de aanslag is bedoeld het moment van dagtekening van de aanslag. Zoals in artikel 5, eerste lid, eerste volzin, AWR is bepaald geschiedt de vaststelling van een belastingaanslag door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De rechtbank ziet niet in dat de wetgever in genoemde overgangsregel met het vaststellen van de belastingaanslag iets anders heeft bedoeld dan het inhoudelijk vaststellen van de belastingaanslag. De tweede volzin van het bepaalde in artikel 5, waarin is bepaald dat de dagtekening van het aanslagbiljet heeft te gelden als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag is niet van overeenkomstige toepassing verklaard. In dit verband merkt de rechtbank op dat ook voor de beoordeling of sprake is van een nieuw feit als bedoeld in het eerste lid van artikel 16 AWR maatgevend is het tijdstip waarop de inspecteur de aanslag inhoudelijk heeft vastgesteld en hij redelijkerwijs niet meer in staat is de administratieve verwerking daarvan, uitmondend in de verzending van het aanslagbiljet tegen te houden (Kamerstukken II, 1992/93, 21 058, nr. 12, blz. 4). De rechtbank gaat ervan uit dat het moment van opmaken van het aanslagbiljet voor de toepassing van de onderhavige overgangsregel kan zijn gelegen voor het moment van dagtekening ervan, ook indien in aanmerking wordt genomen dat de belastingdienst belastingaanslagen in het algemeen postdateert.

4.7. Blijkens de verklaringen van verweerder omtrent het vaststellen van de onderhavige aanslag is de ambtshalve aanslag automatisch vastgesteld en is het traject dienaangaande twee tot drie weken voor de dagtekening van de aanslag, dus reeds in 2009, in gang gezet. Omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de aanslag in weerwil van verweerders verklaring ter zitting na 31 december 2009 is vastgesteld zijn door verweerder gesteld noch aannemelijk gemaakt. Gelet op het een en ander houdt de rechtbank het ervoor dat voor de toepassing van het overgangsrecht de aanslag vpb is vastgesteld vóór 31 december 2009.

4.8. Nu ervan uit moet worden gegaan dat de aanslag is vastgesteld vóór 31 december 2009 kan verweerder zich niet beroepen op artikel 16, lid 2, letter c, AWR en dient aan de hand van artikel 16, lid 1, AWR beoordeeld te worden of verweerder de bevoegdheid had een navorderingsaanslag op te leggen.

4.9. De rechtbank stelt vast dat eiseres begin december 2009 elektronisch aangifte vpb 2007 heeft gedaan, maar dat de aangifte een onjuist tijdvak vermeldde waardoor de aangifte door verweerder niet verwerkt kon worden. Gesteld noch gebleken is dat eiseres dienaangaande te kwader trouw is geweest. Verweerder heeft eiseres vervolgens op 22 december 2009 verzocht om vóór 5 januari 2010 opnieuw aangifte te doen. Onbetwist is dat op 31 december 2009 de juiste aangifte vpb 2007 door verweerder is ontvangen, welke aangifte alle gegevens bevatte om de aanslag vpb 2007 tot een juist bedrag te kunnen vaststellen. Niettemin heeft verweerder met dagtekening 9 januari 2010 een ambtshalve aanslag vpb 2007 opgelegd, welke aanslag, volgens verweerders verklaring ter zitting, gebaseerd is op een in verleden opgelegde voorlopige aanslag naar een belastbaar bedrag van € 2.000. Gelet op het voorgaande, waarbij de rechtbank met name in aanmerking neemt dat verweerder blijkens zijn verzoek aan eiseres van 22 december 2009 zich ervan bewust was dat een belastbaar bedrag van € 2000 onjuist was, is de rechtbank van oordeel dat het verweerder ontbreekt aan een nieuw feit om een navorderingsaanslag te kunnen opleggen.

4.10. Niettegenstaande het voorgaande is navordering toegestaan indien een aanslag te laag is vastgesteld, niet als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van verweerder in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht in het recht, maar als gevolg van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat verweerder wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd, zoals bijvoorbeeld een schrijf-, reken-, overname-, of intoetsfout, en het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout was gemaakt (HR 8 augustus 2003, nr. 37570, LJN AI0921, BNB 2003/345). Eiseres heeft zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een schrijf- of tikfout in voornoemde zin. Verweerder heeft daartegenover onvoldoende gesteld om anders te oordelen. De omstandigheid dat als gevolg van het geautomatiseerde traject het voor verweerder niet meer mogelijk was de ambtshalve aanslagoplegging tegen te houden en de op 22 december 2009 gevraagde aangifte af te wachten teneinde de aanslag op het juiste bedrag vast te stellen, dient voor rekening van verweerder te blijven nu dit het gevolg is van de door verweerder gekozen werkwijze. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is van een vergissing die met een schrijf- of tikfout gelijk te stellen is.

4.11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en zal de navorderingsaanslag worden vernietigd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬leiding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor van 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 13 april 2010;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 874;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 298 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 28 februari 2011 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.