Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ0138

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
179446 / HA RK 11-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer. De beslissing van de rechter om de behandeling van de hoofdzaak niet aan te houden, betreft een procesbeslissing. Een (negatief ervaren) procesbeslissing is op zichzelf onvoldoende grond voor wraking. De rechter heeft gemotiveerd de beslissing genomen de behandeling van de hoofdzaak niet aan te houden, nu hij gehouden is aan de in de Wet BOPZ gegeven termijnen. Deze beslissing getuigt, mede gelet op het feit dat op dat moment niet duidelijk was wanneer verzoekster aangifte zou kunnen doen en op welke termijn deze aangifte zou worden afgehandeld, niet van vooringenomenheid jegens verzoekster of van een objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid jegens verzoekster. Volgt afwijzing wrakingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 179446 / HA RK 11-26

datum beslissing: 22 maart 2011

Op verzoek van:

[A],

verzoekster,

wonende te [plaats],

thans verblijvende in [psychiatrisch ziekenhuis] te [plaats],

advocaat mr. R.M.G. Sussenbach te Amsterdam.

1. Procesverloop

1.1 Op de zitting van 10 maart 2011 heeft verzoekster de wraking verzocht van mr. [B], hierna te noemen: de rechter, in de bij deze rechtbank, sector familie- en jeugdrecht, aanhangige zaak met zaaknummer 179108 / FA RK 11-704, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2 De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.3 Verzoekster en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 21 maart 2011. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar advocaat, mr. Sussenbach voornoemd. De rechter is eveneens ter zitting verschenen.

2. Het standpunt van verzoekster

2.1 Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat het verzoek van de Officier van Justitie in de hoofdzaak - tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van verzoekster in een psychiatrisch ziekenhuis - gebaseerd is op een valse geneeskundige verklaring. Verzoekster wenst onder meer aangifte te doen tegen de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis wegens het opmaken van die verklaring en wederrechtelijke vrijheidsbeneming van verzoekster. Zolang deze aangifte, en ook andere aangiften, niet zijn opgenomen en aan het dossier zijn toegevoegd, mag de rechter in de hoofdzaak niet beslissen op het verzoek van de Officier van Justitie en dient de beslissing in de hoofdzaak te worden aangehouden, aldus verzoekster. Nu de rechter het verzoek om aanhouding heeft afgewezen, is er sprake van een vrees voor partijdigheid en vooringenomenheid van de rechter, aldus nog steeds verzoekster. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat zij reeds voorafgaand aan de zitting van 10 maart 2011 om een aanhouding van de zaak heeft verzocht aangezien het voor haar belangrijk was dat haar behandelend psychiater, die op 10 maart 2011 verhinderd was, bij de zitting aanwezig kon zijn. Dit verzoek is ook afgewezen. Tevens heeft verzoekster aangevoerd dat zij graag een second opinion wil, reden waarom zij eveneens een aanhouding van de hoofdzaak wenst.

2.2 De rechter heeft aangegeven dat de wraking naar zijn oordeel ten onrechte is voorgesteld. Volgens de rechter was er, gelet op de in de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (hierna: Wet BOPZ) gegeven termijnen, geen mogelijkheid de hoofdzaak aan te houden. Voorts heeft de rechter ter zitting verklaard dat hij niet op de hoogte was van het eerdere verzoek van verzoekster om aanhouding van de zaak en dat dit eerdere verzoek op de zitting van 10 maart 2011 ook niet ter sprake is gekomen. Tevens heeft de rechter aangegeven dat er tijdens de zitting van 10 maart 2011 niet is gesproken over een second opinion.

3. Beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.2 De rechtbank is van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster vooringenomenheid koestert. Daartoe is het volgende redengevend. De beslissing van de rechter om de behandeling van de hoofdzaak niet aan te houden, betreft een procesbeslissing. Een (negatief ervaren) procesbeslissing is op zichzelf onvoldoende grond voor wraking. Bijkomende omstandigheden kunnen dat anders maken, met name indien uit de context van die procesbeslissing of uit de wijze van motivering op zichzelf vooringenomenheid van de rechter zou blijken. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. De rechter heeft gemotiveerd de beslissing genomen de behandeling van de hoofdzaak niet aan te houden, nu hij gehouden is aan de in de Wet BOPZ gegeven termijnen. Deze beslissing getuigt, mede gelet op het feit dat op dat moment niet duidelijk was wanneer verzoekster aangifte zou kunnen doen en op welke termijn deze aangifte zou worden afgehandeld, niet van vooringenomenheid jegens verzoekster of van een objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid jegens verzoekster. De omstandigheid dat verzoekster eerder om een aanhouding heeft verzocht alsmede de omstandigheid dat verzoekster graag een second opnion wil, doet aan het voorgaande niet af, aangezien deze omstandigheden, zoals verzoekster ter zitting heeft erkend, op de zitting van 10 maart 2011 niet ter sprake zijn gekomen.

3.3 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 wijst het verzoek om wraking af;

4.2 beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.3 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, en mrs. J.J. van Dijk en J.I. de Vreese-Rood, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2011 in tegenwoordigheid van mr. V.J.M. Goldschmeding als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.