Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ0131

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
178651 - KG ZA 11-69
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; executoriaal derdenbeslag; beslagvrije voet;

Ten laste van eiser is beslag is beslag gelegd onder de Sociale Verzekeringsbank op de AOW-uitkering van eiser, voor zover die uitkering de beslagvrije voet te boven gaat. Voorts is ten laste van eiser beslag gelegd onder de ING Bank op het tegoed op de bankrekening van eiser. Het betreft de rekening waarop de AOW-uitkering wordt gestort. Eiser vordert opheffing van het beslag onder de ING Bank, nu dat een doorkruising van de regeling van de beslagvrije voet zou zijn. De voorzieningenrechter overweegt dat indien komt vast te staan dat de rekening van eiser door geen andere bron dan de AOW-uitkering gevoed wordt, de bescherming die eiser op grond van de artikelen 475b - 475g Rv toekomt illusoir zou worden, hetgeen tot maatschappelijk onaanvaardbare consequenties zou leiden. In het onderhavige geval doet die situatie zich echter niet voor, nu op de rekening ook andere bedragen zijn binnengekomen en het totaal van die bedragen het tegoed waarop beslag is gelegd ruim overschrijdt. De voorziening wordt geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/68

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 178651 / KG ZA 11-69

Vonnis in kort geding van 18 maart 2011

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. N.J.F. Snoek te Amstelveen,

tegen

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. W. Doornink te Hoorn.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de producties zijdens [B];

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van [A];

- de pleitnota van [B].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnissen van 7 april 2010 en 21 april 2010 van de rechtbank Middelburg is [A] veroordeeld tot betaling aan [B] van een bedrag van EUR 46.000,-, vermeerderd met rente en kosten.

2.2. Op 6 juli 2010 heeft [B] beslag laten leggen op het tegoed van [A] bij de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) ter zake van de AOW-uitkering van [A], voor zover die uitkering de beslagvrije voet te boven gaat. De SVB maakt het pensioen van eiser over op rekening [rekeningnummer] (hierna: de rekening) van [A] bij de ING Bank. De SVB houdt als gevolg van het beslag een bedrag van EUR 47,46 en thans EUR 50,93 per maand in op de uitkering.

2.3. [B] heeft op 5 januari 2011 executoriaal beslag laten leggen onder de ING Bank op het volledige tegoed van [A] op de rekening. Het tegoed bedroeg op dat moment EUR 645,35. De nog openstaande vordering bedroeg op dat moment nog EUR 45.413,77.

2.4. [A] heeft geen andere bankrekening.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert samengevat – de opheffing van het gelegde beslag, onder oplegging van een dwangsom en veroordeling van [B] tot betaling van de aan hem berekende kosten van het beslag ad EUR 100,- en veroordeling van [B] tot betaling van de proceskosten.

3.2. [B] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [A] legt aan zijn vordering tot opheffing van het beslag het volgende ten grondslag. Volgens [A] is het onderhavige beslag een doorkruising van de regeling van de beslagvrije voet zoals neergelegd in de artikelen 475b-475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij het beslag onder de SVB is de beslagvrije voet weliswaar in aanmerking genomen, maar dit recht wordt illusoir als vervolgens de tegoeden op de rekening waarop de SVB de AOW-uitkering stort, beslagen worden, aldus [A].

4.2. [B] voert de volgende verweren. Er is niet gebleken van een financiële noodsituatie aan de zijde van [A]. Bovendien is sprake van financiële verstrengeling tussen [A] en zijn voormalige echtgenote, [C]. [B] stelt zich op het standpunt dat de regeling van de beslagvrije voet niet illusoir geworden is, nu het beslag pas halverwege de maand is gelegd, tussen twee betaling van de AOW-uitkering in. [A] had toen nog € 645,- op zijn rekening staan. [B] voert nog aan dat [A] geen belang bij het onderhavig geding, nu [B] een eventueel aan [A] terug te betalen bedrag zal verrekenen met de aanzienlijk hogere vordering die [B] op [A] heeft.

Ten aanzien van de verzochte dwangsom stelt [B] dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 611a Rv, niet kan worden opgelegd, nu [A] betaling van een geldsom vordert.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt, een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van de schuldenaar mag verhalen. Op dit uitgangspunt bestaan evenwel uitzonderingen. Het verhaalsrecht van de schuldeiser wordt onder andere beperkt door de regeling die is neergelegd in de artikelen 475b-475g Rv, die beoogt te waarborgen dat ook de schuldenaar die beslag op zijn inkomen moet dulden, nog juist voldoende overhoudt voor de lopende kosten van het bestaan en niet tot de bedelstaf zal vervallen. Op het gedeelte van het inkomen dat nodig is voor deze noodzakelijke kosten, de beslagvrije voet, kan dan ook geen geldig beslag worden gelegd.

4.4. [B] heeft beslag gelegd op het deel van de AOW-uitkering van [A] dat de beslagvrije voet te boven gaat. [B] heeft bovendien beslag gelegd op het tegoed op de rekening van [A] bij de ING Bank waarop de AOW-uitkering wordt gestort. Indien komt vast te staan dat de rekening van [A] door geen andere bron dan de AOW-uitkering gevoed wordt, dan zou de bescherming die [A] op grond van de artikelen 475b-475g Rv toekomt illusoir worden, hetgeen tot maatschappelijk onaanvaardbare consequenties zou leiden. In zoverre volgt de voorzieningenrechter de redenering van [A].

4.5. De voorzieningenrechter stelt op basis van de door [A] in het geding gebrachte rekeningafschriften echter vast dat de rekening van [A] wél vanuit andere bronnen – zoals zorgtoeslag – gevoed wordt. Sedert de beslaglegging onder de SVB d.d. 6 juli 2010 zijn op de rekening van [A], buiten de maandelijkse stortingen van de SVB, bedragen binnengekomen waarvan het totaal het tegoed waarop beslag is gelegd ruim overschrijdt. Derhalve doet de onder 4.4. weergegeven situatie zich niet voor.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de gevraagde voorziening zal worden geweigerd.

4.7. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- vast recht EUR 258,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.074,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op EUR 1.074,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 18 maart 2011.?