Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP9458

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 3808
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke ontheffing voor twee zeecontainers geweigerd. Geen sprake van Wabo-vergunningvrij bouwwerk als bedoeld in artikel 2, bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht. Omdat het hoofdgebouw niet (meer) in overeenstemming is met het bestemmingsplan kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van in planologisch opzicht ondergeschikt en ondersteunend gebruik aan het hoofdgebouw. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van een tijdelijke behoefte.

Wetsverwijzingen
Besluit omgevingsrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4970
JOM 2011/556
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 3808

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2011

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: W. Foppen, te Urk,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder,

derde partij,

[naam 1 derde partij] en [naam 2 derde partij],

wonende te [woonplaats].

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft verweerder geweigerd aan eiser een tijdelijke ontheffing en bouwvergunning te verlenen ten behoeve van het plaatsen van twee containers voor de opslag van onder meer landbouwwerktuigen op het perceel [locatie perceel].

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 februari 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 juli 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 februari 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door L. Hakvoort, kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R. Justus, mr. P. Koenhen en mr. J. Wijte, allen werkzaam bij de gemeente Zaanstad. Voorts is namens de derde partij [naam 2 derde partij] verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), kan het college met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden. Hoewel deze bepaling met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is vervallen, is deze bepaling nog wel van toepassing op het onderhavige geschil.

2.2 Het perceel van eiser is gelegen in het bestemmingsplan ‘Poldergebied Assendelft’ en is daarin bestemd voor ‘Agrarische bouwpercelen (AC)’. Hiertoe aangewezen gronden zijn bestemd voor volwaardige agrarische bedrijven in de grondgebonden veehouderij, voor volwaardige agrarische bedrijven in de grondgebonden akkerbouw en voor bijbehorende verkeers- en groenvoorzieningen. In artikel 22, tweede lid van de planvoorschriften is bepaald dat uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van de bestemming.

2.3 Eiser heeft een aanvraag gedaan voor het tijdelijk plaatsen van twee zeecontainers op het perceel [locatie perceel] voor de opslag van landbouwwerktuigen en dergelijke. De verwachting van eiser is dat de bouwvergunning die hij heeft gevraagd voor een nieuwe opslagloods zal worden verleend en dat de zeecontainers na realisatie daarvan binnen twee jaar zijn verdwenen.

2.4 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat vooralsnog allerminst zeker is dat een bouwvergunning zal worden verleend voor een nieuwe opslagloods, zodat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van een tijdelijke behoefte. Voorts heeft verweerder gesteld dat hij ten tijde van de beslissing op bezwaar geen rekening behoefde te houden met de Wabo, omdat deze wet nog niet in werking is getreden, en dat de zeecontainers bovendien niet vergunningvrij zijn op grond van de Wabo.

2.5 Eiser neemt onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 22 oktober 2010 (LJN: BO2154) het standpunt in dat zijn beroep niet-ontvankelijk is, omdat het plaatsen van de zeecontainers onder de Wabo vergunningvrij is.

2.6 Op het perceel zijn gebouwd een woning en een schuur. De woning is volgens het bestemmingsplan een dienstwoning. Dit blijkt uit de bouwvoorschriften zoals neergelegd in artikel 22, tweede lid, van het bestemmingsplan, waarin is bepaald dat op de gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend mag worden gebouwd gebouwen waaronder begrepen per bestemmingsvlak ten hoogste één bedrijfswoning.

2.7 Het gebruik van de woning en de schuur is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan, omdat op het perceel geen volwaardig agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend.

2.8 Omdat het gebruik van de containers strijd oplevert met het bestemmingsplan, is op grond van de Wabo een omgevingsvergunning vereist voor bouwen en gebruik. Geen omgevingsvergunning is vereist indien is sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2, bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

2.9 In dit geval zou daarvan sprake kunnen zijn als de containers zijn aan te merken als een bijbehorend bouwwerk in een achtererfgebied en overigens is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, derde lid, bijlage II, van het Bor.

2.10 Uit de toelichting op bijlage II van het Bor op de begrippen ‘bijbehorend bouwwerk’ en ‘hoofdgebouw’ leidt

de rechtbank af dat artikel 2, derde lid, bijlage II, van het Bor het niet mogelijk maakt om zonder omgevingsvergunning te bouwen in het geval het gebruik van het hoofdgebouw niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

2.11 In de begripsomschrijving van het begrip bijbehorend bouwwerk is aangegeven dat een bijbehorend bouwwerk functioneel verbonden moet zijn met het hoofdgebouw. Daar wordt volgens de toelichting (blz. 133) mee bedoeld dat het gebruik van het bijbehorend bouwwerk in planologisch opzicht gerelateerd moet zijn aan het gebruik van het hoofdgebouw. In artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, ten vierde wordt voor een bijbehorend bouwwerk op een afstand van meer dan 2,5 meter van het hoofdgebouw de aanvullende eis gesteld dat het gebruik van het bijbehorend bouwwerk functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Volgens de toelichting (blz. 134) wordt daarmee bedoeld dat het gebruik in planologisch opzicht ondergeschikt en ondersteunend moet zijn aan het gebruik van het hoofdgebouw. Naar het oordeel van de rechtbank kan er geen sprake zijn van in planologisch opzicht gerelateerd gebruik aan dan wel ondergeschikt en ondersteunend gebruik van het hoofdgebouw, indien het gebruik van het hoofdgebouw niet (meer) in overeenstemming is met bestemmingsplan. Daarbij doet het er in dit geval niet toe of de schuur dan wel de (dienst)woning als hoofdgebouw heeft te gelden. Voor beide bouwwerken geldt immers dat zij van belang zijn voor de verwezenlijking van de bestemming volwaardig agrarisch bedrijf, terwijl op het perceel geen volwaardig agrarisch bedrijf meer wordt uitgeoefend.

2.12 Onder de Wabo is het plaatsen van de zeecontainers dan ook niet vergunningvrij. Het standpunt van eiser dat zijn beroep niet-ontvankelijk is, wordt verworpen.

2.13 Voorts heeft eiser aangevoerd dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een tijdelijke behoefte aan de zeecontainers, omdat op 27 mei 2010 een nieuwe aanvraag is gedaan voor een opslagloods, en aannemelijk is dat daarvoor vergunning zal worden verleend. Na plaatsing van de opslagloods zal het materiaal dat nu in de zeecontainers is opgeslagen worden overgeplaatst naar de opslagloods en zullen de containers verdwijnen.

2.14 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat allerminst zeker was dat de aanvraag van 27 mei 2010 om een bouwvergunning voor een opslagloods zou worden gehonoreerd. Immers, op 11 februari 2010, heeft verweerder een eerdere bouwaanvraag van eiser om een opslagloods geweigerd, omdat er geen sprake was van een volwaardig agrarisch bedrijf. Het staat allerminst vast dat naar aanleiding van de aanvraag van 27 mei 2010 wel een bouwvergunning kan worden verleend. Verweerder heeft zich dan terecht op het standpunt gesteld dat het indienen van een nieuwe aanvraag onvoldoende aannemelijk maakt dat sprake is van een tijdelijke behoefte.

2.15 Eiser stelt verder dat de tijdelijkheid van de zeecontainers hoe dan ook gewaarborgd is, ook indien niet positief wordt beslist op de bouwaanvraag van 27 mei 2010. Volgens eiser zijn de zeecontainers namelijk eenvoudig te verwijderen en is eiser bereid om elders opslagruimte te zoeken.

2.16 Dat eiser bereid is om elders opslagruimte te zoeken en dat de containers eenvoudig te verwijderen zijn, betekent niet dat daarmee is aangetoond dat sprake is van een tijdelijke behoefte.

2.17 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren tijdelijke ontheffing te verlenen voor de zeecontainers.

2.18 Nu geen tijdelijke ontheffing wordt verleend voor de zeecontainers, heeft verweerder ook terecht de bouwvergunning geweigerd.

2.19 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, rechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.