Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP8925

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
10/3314
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW3060, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft ten onrechte tijdelijke vrijstelling ex artikel 3.22 van de Wro verleend voor een tijdelijk kantoorgebouw. Nu onvoldoende objectieve gegevens voorhanden zijn die steun bieden voor de opvatting dat binnen vijf jaar een permanent kantoorpand kan worden gerealiseerd, is de tijdelijke behoefte onvoldoende aannemelijk geworden. Te optimistische kijk op de (planologische) besluitvorming die nog moet plaatsvinden voordat een permanent kantoorgebouw mogelijk gemaakt kan worden. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 3314

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2011

in de zaak van:

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Beemster,

verweerder,

derde partij,

[naam] BV,

gevestigd te Middenbeemster,

gemachtigde: mr. G.H.J. Heutink, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft verweerder aan de derde partij een tijdelijke ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verleend ten behoeve van een tijdelijk kantoorgebouw.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 6 juli 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 januari 2011, alwaar eiser [eiser] in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.J.W. Bult, werkzaam bij de gemeente Beemster. Namens de derde partij is verschenen [naam], bijgestaan door zijn gemachtigde mr. G.H.J. Heutink.

2. Overwegingen

2.1 De derde partij exploiteert een (familie)bedrijf dat zich in de afgelopen decennia met name heeft gespecialiseerd in verticale funderingstechnieken en damwandconstructies. Het bedrijf is in 1945 ontstaan aan de [adres], welk adres is gelegen in het vigerende bestemmingsplan Landelijk Gebied 1994. Op gronden met de bestemming Handel en Nijverheid bevindt zich een opslagterrein en zijn er de kantoren gevestigd. Het bedrijf beschikt voorts over een opslagwerf, de [naam], in [plaatsnaam]. Vanwege ruimtegebrek heeft de derde partij de bestaande kantoorvoorzieningen in de loop der jaren uitgebreid. In 2006 is in afwijking van het als conserverend bedoelde bestemmingsplan met vrijstelling ex artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening medewerking verleend aan uitbreiding van de bebouwing tot maximaal 35% van de voor bebouwing bestemde terreinoppervlakte, terwijl maximaal 15% is toegestaan. In 2007 heeft weer een uitbreiding plaatsgevonden door -zonder te beschikken over bouwvergunning- een aantal kantoorunits, portocabines, te plaatsen. Omdat veel van de medewerkers in de directe omgeving wonen en het bedrijf hecht aan ‘het wij-gevoel’, acht het bedrijf het verplaatsen van een deel van de medewerkers naar een andere locatie onwenselijk. Op 13 augustus 2008 heeft [derde partij] bij verweerder een schetsplan ingediend voor een, als definitief bedoeld, kantoorgebouw aan de [adres]. Op 4 november 2008 heeft verweerder besloten verdere besluitvorming over bedoeld schetsplan aan te houden “in verband met de discussie Nekkerzoom”. Hiermee wordt bedoeld het gebied ten zuiden van de Volgerweg, ten westen van de Rijksweg A7 en ten oosten van de bebouwing langs de [adres]. De Nekkerzoom is gesitueerd in het vigerend bestemmingsplan Landelijk Gebied 1994. Dit bestemmingsplan wordt thans herzien. Het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied 2010 is in januari 2010 in de raadscommissie ruimtelijke ordening behandeld, maar aangehouden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven te verwachten dat het voorontwerp, dat in de fase waarin het zich nu bevindt conserverend van aard is en geen groter bebouwingspercentage toelaat dan thans aanwezig, op korte termijn weer aan de raad kan worden voorgelegd met de vraag om het sein op groen te zetten voor het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro en de inspraak. In het voorontwerp is [adres] conserverend opgenomen.

2.2 Bij brief van 29 mei 2009 heeft [derde partij] verweerder om planologische medewerking verzocht voor een tijdelijk kantoorgebouw op het terrein aan de [adres]. [derde partij] heeft aangegeven dringend kantoorruimte nodig te hebben. De werkplekken voor de huidige medewerkers zijn te krap en is geen ruimte voor nieuwe werkplekken. Ten aanzien van de tijdelijkheid is aangegeven dat de behoefte aan meer kantoorruimte aan de [adres] op zich niet tijdelijk is. Gelet echter op de nog niet afgeronde discussie over de [adres] wordt gekozen voor een tijdelijke oplossing. Bewust wordt er van afgezien om in afwachting van de uitkomst van die discussie geen vergunning voor permanente bebouwing aan te vragen. Na het doorlopen van de openbare voorbereidingsprocedure heeft verweerder besloten bouwvergunning en tijdelijke ontheffing ex artikel 3.22 Wro te verlenen.

2.3 Het beroep richt zich met name tegen de aanname dat sprake zou zijn van een tijdelijke behoefte aan kantoorruimte. De beoogde -en inmiddels gerealiseerde- uitbreiding is beduidend groter dan het huidige kantoor. Gelet op de planologische ontwikkelingen ter plaatse bestaat op geen enkele wijze de garantie dat binnen 5 jaar een definitieve oplossing, in de vorm van de bouw van een geheel nieuw kantoorgebouw zoals aan verweerder gepresenteerd in het schetsplan van 2008, wordt gerealiseerd. Het beoogde nieuwe bestemmingsplan Buitengebied zal nog jaren op zich laten wachten vanwege “het niet naadloos inpassen in de provinciale structuurvisie/verordening 2040, waarin UNESCO-gebieden een bijzondere status krijgen.” Eisers hebben voorts aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat het bedrijfsterrein aan de [adres] in een zeer beschermd cultuurhistorisch gebied ligt en dat het bedrijf zowel visueel, als gevolg van de hoge kranen, als in fysieke zin, onder andere als gevolg van de lange opleggers op de smalle wegen, grote invloed heeft op het leefklimaat. Ondanks de vele protesten van de omwonenden heeft de gemeente niet aflatend medewerking verleend aan verdere uitbreiding van bebouwing op het terrein, aldus eisers.

2.4 Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van de Wro kan verweerder met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

2.5 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1994. Niet in geschil is dat een tijdelijk kantoorgebouw niet in overeenstemming is met de op gronden gelegde bestemming “handel en nijverheid”. Teneinde een tijdelijk kantoorgebouw mogelijk te maken heeft verweerder aan de derde partij ontheffing als bedoeld in artikel 3.22 Wro verleend.

2.6 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in zijn uitspraak van 17 maart 2010 (LJN: BL7724) heeft overwogen, kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro worden afgeleid dat de wetgever met het artikel heeft beoogd het toepassingsbereik zoals dat voortvloeit uit de jurisprudentie ter zake van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voort te zetten. Uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 3.22 van de Wro volgt dat ontheffing kan worden verleend indien tijdelijk behoefte bestaat aan de voorziening waarvoor ontheffing wordt verleend.

2.7 Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat sprake is van een permanente en dringende behoefte, maar dat de voorziening slechts van tijdelijke aard is. De beleidsontwikkeling voor de Nekkerzoom zal binnenkort worden afgerond, waarna de derde partij aan de hand van het nieuwe planologische regime een permanent kantoorgebouw kan aanvragen. Verweerder verwacht dat dat project zeker binnen vijf jaar kan worden afgerond.

2.8 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een permanente behoefte aan kantoorruimte. De ontheffing is tijdelijk nodig in afwachting van de planologische besluitvorming over de Nekkerzoom, waarna (mogelijk) een permanent kantoorgebouw kan worden opgericht. [derde partij] heeft ter zitting doen betogen dat de doorslag moet geven dat de voorziening naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft die na afloop van de termijn eenvoudig kan worden gedemonteerd en verplaatst. De planologisch besluitvorming om de bouw van een nieuw kantoorgebouw mogelijk te maken is in procedure gebracht, waarbij het belangrijkste onderdeel van besluitvorming zal zijn de stedenbouwkundige verschijningsvorm van de bebouwing in het plangebied, niet de functie (kantoor en bedrijvigheid). De rechtbank overweegt dienaangaande dat geen zelfstandige betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de tijdelijke voorziening op eenvoudige wijze ongedaan gemaakt kan worden. Voorts geeft de weergave door [derde partij] van de in gang gezette besluitvorming naar het oordeel van de rechtbank blijk van een te optimistische kijk op de uitkomst daarvan. In het bijzonder gelet op de in rechtsoverweging 2.1 geschetste stand van zaken met betrekking tot het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied 2010 en de in rechtsoverweging 2.3 door eisers aanstipte, en onweersproken gebleven, mogelijke belemmeringen op onder andere provinciaal niveau, acht de rechtbank onvoldoende objectieve gegevens aanwezig die steun bieden voor de opvatting dat op zijn minst zeer waarschijnlijk is dat binnen vijf jaar een permanent kantoorgebouw opgericht kan worden. Met het vorenstaande is gegeven dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van tijdelijkheid waaraan voor de toepassing van artikel 3.22 Wro voldaan moet worden.

2.9 Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

2.10 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Niet gebleken is dat eisers voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten hebben gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 25 mei 2010;

3.3 gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Beemster het door eisers betaalde griffierecht van € 150,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, rechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.