Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP8910

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
10/5562 en 10/5570
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen het niet slagen voor de 'Korte vrijstellingstoets' terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:4, sub e juncto artikel 7:1 Awb. Bezwaar tegen weigering inzage in de 'Korte vrijstellingstoets' terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat dit besluit geen rechtsgevolg heeft

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 5562 en AWB 10 - 5570

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2011

in de zaken van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, thans: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 23 juni 2010 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij niet is geslaagd voor de “korte vrijstellingstoets”.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 29 juli 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 september 2010 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 oktober 2010 beroep ingesteld (geregistreerd onder AWB 10-5562).

Bij brief van 17 augustus 2010 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar verzoek om inzage in de afgelegde “korte vrijstellingstoets” is afgewezen.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 6 september 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 september 2010 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 oktober 2010 beroep ingesteld (geregistreerd onder AWB 10-5570).

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 7 februari 2011. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. drs. J.W. Groenenberg. Namens verweerder is verschenen drs. P.M.S. Slagter, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres heeft op 14 juni 2010 de “korte vrijstellingstoets” afgelegd. Op 23 juni 2010 heeft verweerder haar door middel van een resultaatbrief de uitslag medegedeeld: “Niet geslaagd”. Tevens is medegedeeld dat zij niet opnieuw de korte vrijstellingstoets kan doen. Eiseres heeft verzocht om inzage in haar examen (zowel opgaven als antwoorden), opdat zij kan nagaan welke fouten zij heeft gemaakt.

Op 29 juli 2010 heeft zij bezwaar gemaakt tegen de resultaatbrief, verzocht te bepalen dat zij het examen heeft behaald dan wel dat zij nogmaals examen mag afleggen. Bij brief van 17 augustus 2010 heeft verweerder haar geadviseerd om een klacht in te dienen, aangezien een bezwaarschrift formeel als niet-ontvankelijk moet worden beschouwd, zodat aan een inhoudelijke behandeling niet wordt toegekomen. Eiseres heeft hierop medegedeeld dat zij haar bezwaarprocedure voortzet.

Eiseres heeft op 27 juli 2010 verzocht om inzage in haar examen. Verweerder heeft de inzage bij brief van 17 augustus 2010 geweigerd. Op 6 september 2010 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de weigering om inzage.

2.2 In de bestreden besluiten heeft verweerder zich op de volgende standpunten gesteld.

Verweerder acht het bezwaar tegen het niet slagen voor de korte vrijstellingstoets niet ontvankelijk omdat in artikel 8:4, sub e juncto artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat tegen een besluit inhoudende de beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat die terzake is geëxamineerd geen bezwaar of beroep mogelijk is. De resultaatbrief van 23 juni 2010 kan niet worden aangemerkt als een besluit waartegen eiseres een bezwaarschrift kon indienen, zodat niet inhoudelijk kan worden ingegaan op haar bezwaren. Verweerder acht het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk, zodat met toepassing van artikel 7:3, onder a van de Awb is afgezien eiseres mondeling te horen.

Ook het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om inzage acht verweerder niet-ontvankelijk omdat geen sprake is van een besluit waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend zoals bepaald in artikel 1:3 Awb. Door de beslissing van 17 augustus 2010, met de mededeling dat eiseres geen inzage krijgt in de korte vrijstellingstoets, ontstaan geen rechten en/of verplichtingen. Verweerder acht het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk, zodat met toepassing van artikel 7:3, onder a van de Awb is afgezien eiseres mondeling te horen.

2.3 Eiseres is het met deze besluiten niet eens.

Ten aanzien van het beroep inzake het niet-slagen

2.4 Eiseres heeft aangevoerd dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. In bezwaar heeft eiseres aangegeven dat artikel 8:4 Awb niet absoluut is, en dat in haar geval voldoende gronden zijn om het bezwaar inhoudelijk in behandeling te nemen. Ten onrechte is afgezien van het houden van een hoorzitting. In dit geval had niet de conclusie getrokken kunnen worden dat het bezwaar evident ongegrond is en dat twijfel over de conclusie niet mógelijk is. In de brief van 17 augustus 2010 biedt verweerder een hoorzitting aan, waarop eiseres bij schrijven van 18 augustus 2010 heeft aangegeven hiertoe in de gelegenheid te worden gesteld. Nu dit niet is gebeurd is sprake van een onzorgvuldige besluitvorming.

Inhoudelijk voert eiseres aan dat artikel 8:4 Awb niet van toepassing is nu zij geen beroep heeft ingesteld tegen de beschikking in primo, doch hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Uit de tekst van de Awb blijkt niet dat tegen een dergelijke beschikking geen bezwaar open zou staan. Ten onrechte is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en had het bezwaarschrift inhoudelijk beoordeeld dienen te worden.

Voorts meent eiseres dat het besluit niet gericht was tegen het besluit tot vaststelling van de examenopgaven, doch tegen de uitwerking hiervan. De vraagstelling was niet eenduidig, er waren meerder antwoorden mogelijk. Eiseres meent dat dit in bezwaar aan het bestuursorgaan voorgelegd moet kunnen worden.

2.5 De rechtbank overweegt het volgende.

2.6 In artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor de examinering of toetsing.

2.7 Artikel 8:4 Awb bepaalt voor enkele categorieën van besluiten dat daartegen geen beroep openstaat bij de rechtbank. Gelet op artikel 7:1 van de Awb is in dat geval ook geen bezwaar mogelijk. Artikel 8:4 Awb staat er aan in de weg, dat door het instellen van beroep tegen een in bezwaar genomen beslissing van een bestuursorgaan een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen omtrent het kennen en kunnen als zodanig. Dit betekent echter niet dat tegen een beoordeling van het kennen en kunnen in het geheel geen beroep mogelijk is, maar dat de omvang en aard van de toetsing door de bestuursrechter zodanig beperkt is dat slechts kan worden beoordeeld of met betrekking tot de besluitvorming aan de formele bij of krachtens de wet gestelde voorwaarden is voldaan.

2.8 Eiseres wenst met haar beroep ten gronde te bereiken dat zij alsnog als geslaagd wordt aangemerkt, omdat zij van mening is dat een deel van de vragen voor tweeërlei uitleg vatbaar was en de gegeven beoordeling niet strookt met haar prestaties. De door haar in bezwaar ingediende gronden richtten zich niet tegen mogelijke overtreden van formele voorschriften. Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2.9 Voor zover eiseres in beroep aanvoert dat zij haar bezwaren mondeling had willen toelichten, overweegt de rechtbank dat sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Verweerder heeft zich, gelet op hetgeen onder 2.8 is overwogen, op het standpunt kunnen stellen dat die situatie zich hier voordeed. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het beroep inzake de weigering tot inzage

2.10 Eiseres heeft aangevoerd dat in redelijkheid niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de beschikking van 17 augustus 2010 inderdaad een beschikking, dan wel een besluit in de zin van artikel 3:1, eerste lid Awb is. Eiseres heeft immers verzocht om het overleggen van diverse, op haar persoonlijk betrekking hebbende stukken, verweerder heeft schriftelijk gereageerd. De weigering is een publieke rechtshandeling: het rechtsgevolg is het niet verstrekken van de gevraagde stukken. Deze weigering is van publiekrechtelijke aard. Voorts wijst eiseres erop dat de beschikking van 17 augustus 2010 niet slechts een besluit is in de zin van artikel 3:1 Awb, eerste lid Awb, maar ook ingevolge artikel 3:1, tweede lid, Awb. Het besluit is niet van algemene strekking. Verweerder had het bezwaar inhoudelijk dienen te beoordelen.

2.11 De rechtbank volgt deze stelling niet. Daartoe wordt overwogen dat het besluit van verweerder om eiseres geen inzage te geven in haar afgelegde examen geen rechtsgevolg heeft. Het Besluit Inburgering en het examenreglement bieden geen ruimte voor een ander oordeel dan dat er geen herkansingsmogelijkheden zijn. Nu er geen herkansingsmogelijkheden zijn, heeft het besluit tot weigering van inzage geen rechtsgevolg en is geen sprake van een besluit ingevolge artikel 3:1 van de Awb. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het bezwaar van eiseres tegen de weigering tot inzage kennelijk niet-ontvankelijk is.

2.12 Hierdoor kan ook de stelling van eiseres dat verweerder in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 6 van het EVRM heeft gehandeld door haar bezwaar, gemaakt op nader aan te voeren gronden, nog voor het stellen van een termijn om de gronden in te dienen, niet-ontvankelijk te verklaren niet slagen.

2.13 Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep inzake het niet slagen ongegrond;

3.2 verklaart het beroep inzake de weigering om het examen in te zien ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Mateman, rechter, in tegenwoordigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraken staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.