Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP8583

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
15/840164-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; Mensensmokkel en het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn of haar naam gesteld reisdocument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840164-10

Uitspraakdatum: 17 februari 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 februari 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], [geboorteland],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

zij op of omstreeks 28 juni 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer] (zich noemende [alias slachtoffer]), behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft zij, verdachte,

- voor/aan voornoemd persoon (een) vliegticket(s) verstrekt en/of gegeven en/of gekocht en/of geboekt en/of

- (vervolgens) voor voornoemd persoon een treinkaartje gekocht en/of geregeld en/of

- (vervolgens) voornoemd persoon begeleid op haar/hun reis naar Amsterdam Schiphol en/of

- (vervolgens) voornoemd persoon begeleid op de luchthaven Schiphol en/of

- (daarbij) voornoemd persoon aanwijzingen en/of instructies gegeven en/of

- (vervolgens) voornoemd persoon geholpen bij het inchecken voor de vlucht naar Engeland en/of

- (vervolgens) voornoemd persoon begeleid naar de (paspoort)controle en/of

- (vervolgens) voor voornoemd persoon een niet op naam gesteld reisdocument overhandigd en/of aangeboden aan (een) ambtena(a)r(en) belast met de grensbewaking/controle,

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

Feit 2:

zij op of omstreeks 28 juni 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, namelijk [slachtoffer] (zich noemende [alias slachtoffer]), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een niet op eigen naam gesteld reisdocument te weten een nationale identiteitskaart van Italië (voorzien van het nummer [nummer identiteitskaart])(op naam gesteld van [alias slachtoffer], geboren op [geboortedatum]), welk gebruik hierin bestond dat zij, verdachte en/of [slachtoffer] (zich noemende [alias slachtoffer]), tezamen en in vereniging, althans alleen, voornoemd document ter controle heeft/ hebben aangeboden aan een ambtanaar belast met de grensbewaking, althans aan een persoon belast met enig toezicht op de luchthaven Schiphol.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Op 28 juni 2010 verscheen verdachte bij de grensdoorlaatpost Vertrek 3 op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Zij bood de ambtenaar die was belast met de grensbewaking een Nederlandse identiteitskaart en een instapkaart voor de vlucht Amsterdam-Bristol aan. Na de controle mocht verdachte haar weg vervolgen.

Direct daarna bood een tweede vrouw aan deze ambtenaar een nationale identiteitskaart van Italië met nummer [nummer identiteitskaart] op naam van [alias slachtoffer], geboren op [geboortedatum], en een instapkaart voor de vlucht Amsterdam-Bristol aan. De ambtenaar twijfelde aan de gelijkenis tussen de vrouw en de foto die was aangebracht in de identiteitskaart.2

Uit onderzoek is gebleken dat de gebruiker van de identiteitskaart niet de rechtmatige houder van dit document is.3 De gebruiker van de identiteitskaart heeft verklaard dat haar naam [naam slachtoffer] is en dat zij is geboren op [daadwerkelijke geboortedatum]. Zij had verdachte, die zij al een lange tijd kent, verteld dat zij een valse identiteitskaart had. [slachtoffer] wilde in Engeland asiel aanvragen.4

Uit onderzoek naar de beelden van een van de beveiligingscamera's op Schiphol is gebleken dat [slachtoffer] verdachte op enige afstand volgde op de luchthaven. Hierna bleef verdachte uit de buurt van [slachtoffer], terwijl [slachtoffer] haar vlucht incheckte bij de incheckbalie. Na enige tijd ging verdachte kijken bij de incheckbalie en hielp zij [slachtoffer] bij het inchecken. Vervolgens liepen verdachte en [slachtoffer] naar de grensdoorlaatpost Vertrek 3.5

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] een vriendin van haar is, die in Italië woont. Verdachte had telefonisch aan [slachtoffer] verteld dat zij naar Engeland ging om haar moeder te bezoeken. [slachtoffer] had gezegd dat zij mee wilde en dat zij op een andere naam reisdocumenten had verkregen. Verdachte heeft de naam, de geboortedatum en het kaartnummer zoals vermeld in de Italiaanse identiteitskaart die [slachtoffer] gebruikte, doorgegeven aan haar nicht, die de vliegtickets voor [slachtoffer] en verdachte heeft geboekt. Die nicht heeft de vluchtgegevens aan verdachte doorgegeven. Verdachte heeft [slachtoffer] op 25 juni 2010 van Schiphol opgehaald en [slachtoffer] is een paar dagen bij verdachte verbleven. Verdachte heeft voor zichzelf en [slachtoffer] online ingecheckt voor de vlucht en heeft voor beiden treinkaartjes geregeld. Op 28 juni 2010 is verdachte samen met [slachtoffer] met de trein naar Schiphol gegaan. Op de luchthaven heeft verdachte [slachtoffer] geholpen bij het inchecken van haar bagage.6

4.2. Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De raadsvrouwe van verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de doorreis door Nederland van [slachtoffer] wederrechtelijk was.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] tegen haar had gezegd dat zij reisdocumenten had gekregen, die op een andere naam stonden. Verdachte heeft de naam, de geboortedatum en het nummer die op de door [slachtoffer] gebruikte identiteitskaart stonden, aan haar nicht doorgegeven in verband met de boeking van het vliegticket. Verdachte wist dat deze gegevens niet klopten. Dat bij verdachte, zoals zij ter zitting verklaarde, geen lichtje ging branden omdat het zo vaak gebeurt dat iemand een andere naam aanneemt, acht de rechtbank, gelet op het bovenstaande, volstrekt ongeloofwaardig.

Dit strookt bovendien niet met het feit, dat verdachte eerst na confrontatie met onderzoeksgegevens verklaart dat zij [slachtoffer] al langer kent. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte wist dat de doorreis van [slachtoffer] door Nederland wederrechtelijk was.

Ten aanzien van feit 2

Anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd, kan naar het oordeel van de rechtbank ook wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een niet op de naam van [slachtoffer] gesteld reisdocument. Verdachte wist dat [slachtoffer] gebruik maakte van een identiteitskaart die niet op haar naam stond. Zij heeft via haar nicht een vliegticket voor [slachtoffer] geregeld, is samen met [slachtoffer] naar de luchthaven gereisd en heeft haar op de luchthaven begeleid naar de paspoortcontrole, dit alles met het doel samen naar Engeland te reizen. Bij de controlepost heeft verdachte eerst haar eigen, geldige, identiteitskaart ter controle aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [slachtoffer], gericht op het gebruik maken door [slachtoffer] van een reisdocument dat niet op haar naam was gesteld.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:

Feit 1

zij op 28 juni 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een ander, te weten [slachtoffer] (zich noemende [alias slachtoffer]), behulpzaam is geweest bij doorreis door Nederland, immers heeft zij, verdachte,

- aan voornoemd persoon een vliegticket gegeven en

- voor voornoemd persoon een treinkaartje geregeld en

- vervolgens voornoemd persoon begeleid op haar reis naar Amsterdam Schiphol en

- vervolgens voornoemd persoon begeleid op de luchthaven Schiphol en

- daarbij voornoemd persoon aanwijzingen en/of instructies gegeven en

- vervolgens voornoemd persoon geholpen bij het inchecken voor de vlucht naar Engeland en - vervolgens voornoemd persoon begeleid naar de paspoortcontrole,

terwijl verdachte wist dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

Feit 2

zij op 28 juni 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, namelijk [slachtoffer] (zich noemende [alias slachtoffer]), opzettelijk gebruik hebben gemaakt van een niet op eigen naam gesteld reisdocument, te weten een nationale identiteitskaart van Italië, voorzien van het nummer [nummer identiteitskaart], op naam gesteld van [alias slachtoffer], geboren op [geboortedatum], welk gebruik hierin bestond dat zij, verdachte en [slachtoffer] (zich noemende [alias slachtoffer]) voornoemd document ter controle hebben aangeboden aan een ambtenaar belast met de grensbewaking op de luchthaven Schiphol.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: Mensensmokkel

feit 2: Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn of haar naam gesteld reisdocument

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel door [naam slachtoffer], een vriendin van haar, behulpzaam te zijn bij haar reis van Italië naar Bristol (Engeland) via Nederland. Verdachte heeft het vliegticket aan [slachtoffer] gegeven, een treinkaartje voor haar geregeld, haar begeleid naar de luchthaven, en haar op de luchthaven begeleid en geholpen met het inchecken.

Mensensmokkel is een ernstig strafbaar feit. Het doorkruist niet alleen het overheidsbeleid inzake de bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere landen maar draagt ook bij tot het in stand houden van een illegaal vreemdelingencircuit, waardoor het overheidsbeleid ten aanzien van vreemdelingen wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd, terwijl het beeld en de positie van de legale vreemdeling daardoor kan worden geschaad.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een niet op naam van de gebruiker gesteld reisdocument. Zij heeft daarmee het vertrouwen geschaad dat in het internationaal personenverkeer in identiteitspapieren moet kunnen worden gesteld.

Voor dergelijke feiten pleegt de rechtbank een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. In de omstandigheid dat verdachte ogenschijnlijk niet uit winstbejag heeft gehandeld, het feit dat zij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en het feit dat zij de zorg heeft voor een pasgeboren kind, ziet de rechtbank - net als de officier van justitie - aanleiding om daarvan af te wijken.

Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 47, 57, 197a en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDVIJFTIG (150) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door vijfenzeventig (75) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uur taakstraf, subsidiair één dag vervangende hechtenis, in mindering wordt gebracht. De verdachte heeft één dag in verzekering doorgebracht, zodat op de opgelegde taakstraf twee uur in mindering wordt gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.P.W van de Ven, voorzitter,

mr. M.J. Kronenberg en mr. J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Boots, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 februari 2011.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal d.d. 29 juni 2010 (dossierparagraaf 0.4).

3 Het proces-verbaal van aanleiding en onderzoek aangeboden documenten d.d. 28 juni 2010 (dossierparagraaf 0.5).

4 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] d.d. 29 juni 2010 (dossierparagraaf 0.5).

5 Het proces-verbaal d.d. 24 juli 2010 (dossierparagraaf 0.8).

6 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2011.