Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP7893

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
10/1081 en 10/1083
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ1623, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rittenregistratie vormt geen betrouwbare weergave van de werkelijk gereden (privé)-kilometers.

Overdracht auto naar privé is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 708
FutD 2011-0665
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 10/1081 en 10/1083

Uitspraakdatum: 18 februari 2011

Uitspraak in de gedingen tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde]

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P te Z], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € [bedrag] een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € [a] en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € [b].

1.1.2. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € [c], een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € [bedrag] en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €[bedrag].

1.2.1. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 februari 2010 de aanslag IB/PVV 2004 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ [d], een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € [a] en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € [b].

1.2.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2010 de aanslag IB/PVV 2005 gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. [naam]. Namens verweerder is verschenen mr. [naam]

1.6. Eiser heeft na de zitting nog een stuk ingediend. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Het stuk zal aan eiser worden geretourneerd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is directeur en 100%-aandeelhouder van [naam bedrijf] B.V. (hierna: de vennootschap). De vennootschap houdt een belang van 33,3% in [naam bedrijf] N.V.

2.2. De vennootschap heeft aan eiser van 1 januari 2004 tot en met 14 april 2005 een [auto A] met kenteken [nummer] (bouwjaar 2001) ter beschikking gesteld. De cataloguswaarde van deze [auto A] bedraagt € 97.000.

2.3. De vennootschap heeft aan eiser van 15 april 2005 tot en met 31 december 2005 een [auto B] met kenteken [nummer] (bouwjaar 2005) ter beschikking gesteld. De cataloguswaarde van deze Audi bedraagt € 152.000.

2.4. De vennootschap heeft voorts vanaf 1 januari 2004 aan eiser een [auto C] met

kenteken [nummer] (bouwjaar 2002) ter beschikking gesteld. De cataloguswaarde van deze [auto C] bedraagt € 194.218.

2.5. Eiser heeft in zijn aangifte 2004 en 2005 geen bijtelling privé-gebruik auto in aanmerking genomen.

2.6. Met betrekking tot het gebruik van de auto’s zijn rittenregistraties bijgehouden. Voor de beide [auto A+B] zijn de registraties bijgehouden gedurende de jaren 2004 en 2005 en voor de [auto C] is een rittenregistratie bijgehouden gedurende een deel van 2004.

2.7. Zowel eiser, de chauffeurs van eiser alsook de secretaresse van eiser hebben gegevens in de rittenregistraties genoteerd. De oorspronkelijke rittenregistraties werden, behoudens voor het jaar 2004 ten aanzien van de [auto A] met kenteken [nummer], op een later tijdstip verwerkt in een spreadsheet.

2.8. Verweerder heeft bij de aanslagregeling IB/PVV 2004 en 2005 de aangiften van eiser onder andere gecorrigeerd in verband met het privé-gebruik van deze auto’s.

2.9. Bij de uitspraak op bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2004 en 2005 zijn voor zover van belang de volgende correcties gehandhaafd:

2004:

Aangegeven belastbaar inkomen €[bedrag]

Bijtelling [auto C] € 42.680

Bijtelling [auto A] ([nummer]) € 21.340

Persoonsgebonden aftrek € 9.700

-----------

Vastgesteld belastbaar inkomen €[d ]

=======

2005:

Aangegeven belastbaar inkomen €[bedrag]

Bijtelling [auto C] € 42.728

Bijtelling [auto A] ([nummer]) € 6.224

Bijtelling [auto B] ([nummer]) € 23.687

-----------

Vastgesteld belastbaar inkomen €[c]

=======

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder terecht het belastbaar inkomen heeft verhoogd in verband met het privé-gebruik van de auto’s. Meer in het bijzonder is in geschil of eiser heeft doen blijken dat hij de ter beschikking gestelde auto’s in 2004 en 2005 voor niet meer dan 500 kilometer op jaarbasis voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Met betrekking tot de [auto C] is voorts in geschil of deze auto vanaf augustus 2004 door de vennootschap aan eiser ter beschikking is gesteld.

3.2. Eiser stelt zich onder verwijzing naar de rittenregistraties, de spreadsheets en de daarop gegeven toelichting op het standpunt dat hij overtuigend heeft aangetoond in 2004 en 2005 minder dan 500 km op jaarbasis privé te hebben gereden. Met betrekking tot de [auto C] heeft eiser bovendien gesteld dat deze in augustus 2004 is overgegaan naar privé en dat deze auto hem aldus niet meer door de vennootschap ter beschikking werd gesteld.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag IB/PVV 2004 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € [bedrag] en vermindering van de belastingaanslag IB/PVV 2005 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € [bedrag].

3.3. Verweerder stelt dat de rittenregistraties wegens een aantal door hem geconstateerde gebreken niet betrouwbaar zijn en daarom verworpen dienen te worden. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eiser niet heeft doen blijken dat hij minder dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden en dat eiser een overdracht van de [auto C] naar privé in augustus 2004 niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3.4. Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 3.145 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tekst 2004 en 2005 (hierna: de Wet IB 2001) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 22% van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

2. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.

(…).

4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

(…).”

4.2. De staatssecretaris van Financiën heeft in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) van zijn in artikel 3.145, vierde lid, van de Wet IB 2001 bedoelde bevoegdheid gebruikgemaakt. Artikel 22 van de Uitvoeringsregeling, tekst 2004 en 2005, bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“De rittenregistratie als bedoeld in artikel 3.145 van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1°. datum;

2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°. beginadres en eindadres;

4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°. het karakter van de rit.”

Rittenregistratie

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat indien aan eiser meerdere auto’s tegelijkertijd mede voor privé-doeleinden ter beschikking worden gesteld het autokostenforfait op elk van die auto’s van toepassing is. Voorts is niet in geschil dat het autokostenforfait ter zake van volgtijdelijk ter beschikking gestelde auto’s naar tijdsgelang behoort te worden toegepast.

4.4. Op eiser rust de last om aan te tonen dat hij in de onderhavige jaren de auto’s, voor zover deze aan hem ter beschikking zijn gesteld, voor niet meer dan 500 kilometer op jaarbasis voor privé-doeleinden heeft gebruikt. De wetgever heeft gekozen voor een zware vorm van bewijslast voor degene die wil voorkomen dat zijn inkomen wordt verhoogd met een (forfaitaire) bijtelling wegens privé-gebruik. Het enkel aannemelijk maken dat er 500 of minder privé-kilometers gereden zijn is daartoe niet voldoende; de wetgever verlangt dat dit blijkt, dat wil zeggen dat het overtuigend wordt aangetoond.

4.5. De rechtbank stelt voorop dat een rittenregistratie niet bij voorbaat dient te worden verworpen indien deze niet aan alle onder 4.2 aangehaalde vereisten van de Uitvoeringsregeling voldoet, doch dat een administratie in combinatie met andere bewijsmiddelen ten minste zodanig sluitend dient te zijn dat daaruit eenduidig kan worden afgeleid hoeveel kilometers er met de auto zakelijk en privé is gereden.

4.6. Ter zitting is komen vast te staan dat de constateringen over de omissies in de rittenregistraties en de spreadsheets zoals door verweerder opgenomen als bijlagen 5, 7 en 16 bij het verweerschrift, door eiser niet worden bestreden. Eiser heeft wel weersproken de stelling van verweerder dat sommige zakelijke ritten ook privé-ritten zouden kunnen zijn geweest en dat de rittenregistraties deels potloodaantekeningen bevatten.

Het door verweerder onweersproken geconstateerde betekent in zijn algemeenheid dat de rittenregistraties door eiser en diens chauffeurs weliswaar werden bijgehouden, maar later aan de hand van de agenda van eiser door diens secretaresse werden verbeterd en werden verwerkt in spreadsheets. De verbeteringen bestonden met name uit toevoegingen van ontbrekende ritten, wijziging van in de rittenregistratie genoteerde ritten en wijziging van kilometerstanden aan de hand van een routeplanner. De wijzigingen van de kilometerstanden geschiedde daarbij niet uitsluitend op de dagen waarop de ritten werden aangevuld of verbeterd, maar een- en andermaal ook op enkele dagen daaropvolgend. Ondanks al deze aanvullingen en wijzigingen komen de kilometerstanden volgens de (verbeterde) rittenregistraties regelmatig niet overeen met de kilometerstanden volgens de spreadsheets. Hoewel de rechtbank geen twijfel heeft bij de intentie van eiser om de rittenregistraties goed bij te houden, blijkt hieruit reeds dat niet iedere rit nauwkeurig werd genoteerd en ook de kilometerstanden niet altijd na iedere rit werden overgenomen. Voorts zijn bezoekadressen (indien beschikbaar), gereden routes en afwijkende routes dan de meest gebruikelijke niet genoteerd.

4.7. Met betrekking tot de [auto C] dient in het bijzonder dan nog het volgende te worden opgemerkt.

Zowel de rittenregistratie alsook de spreadsheet bevat een beginstand op 1 januari 2004 van 18.131 kilometer. Volgens de rittenregistratie is de eerste rit gereden op 31 januari van dat jaar, terwijl blijkens de spreadsheet daaraan voorafgaand al op twee dagen drie ritten met de auto zijn gemaakt. De kilometerstanden in beide vastleggingen wijken ook af en komen pas weer op 14 februari 2004 met elkaar overeen. De rittenregistratie bevat een laatste rit op 18 april 2004, terwijl in werkelijkheid volgens het nadien opgemaakte spreadsheet eiser nog vijf ritten met de auto heeft gemaakt.

4.8. Met betrekking tot de [auto A] met kenteken [nummer] kan in aanvulling op het onder 4.6 overwogene nog het volgende worden opgemerkt.

Een rit van 2 april 2004 is uit de rittenregistratie verwijderd. Deze rit is vervolgens opgenomen in de registratie van de [auto C]. De kilometerstanden van die dag alsook die van enkele dagen daarop zijn in de rittenregistratie van de [auto A] aangepast. Ook hieruit volgt dat de kilometerstanden van de [auto A] kennelijk niet na iedere rit in de rittenregistratie zijn opgenomen. Indien immers eiser dan wel diens chauffeurs na iedere rit de kilometerstanden zouden hebben genoteerd, staan deze vast. Het verwijderen van een rit kan dan immers op de bewuste dag en de dagen daarna geen gevolgen hebben voor genoteerde begin- en eindstanden. De rittenregistratie 2004 bevat ook de eerste vijf weken van 2005. Die weken zijn ook opgenomen in de rittenregistratie 2005. Beide registraties wijken echter in betekende mate af, zowel wat betreft genoteerde ritten als ook wat betreft kilometerstanden.

4.9. Naar aanleiding van de als bijlagen 5, 7 en 16 bij het verweerschrift opgenomen constateringen van verweerder en in samenhang met hetgeen in dat verband aansluitend onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen met betrekking tot de rittenregistraties en de spreadsheets, komt de rechtbank tot het oordeel dat de rittenregistraties geen betrouwbare weergave geven van de werkelijk gereden (privé-)kilometers en mitsdien moeten worden verworpen. Alsdan heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast te doen blijken dat er met de ter beschikking gestelde auto’s op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé is gereden. De rittenregistraties zijn zelfs in combinatie met de spreadsheets daartoe onvoldoende betrouwbaar. Verweerder heeft derhalve terecht en tot de juiste bedragen het autokostenforfait bij het inkomen geteld voor de [Auto A+B] over de jaren 2004 en 2005 en voor de [auto C] in ieder geval over de periode 1 januari 2004 tot en met juli 2004.

Overdracht [auto C] naar privé

4.10. Eiser heeft zich ten aanzien van de [auto C] op het standpunt gesteld dat de vennootschap deze in augustus 2004 aan hem heeft overgedragen en dat de auto derhalve vanaf dat moment niet meer door de vennootschap aan hem ter beschikking is gesteld. Een bijtelling ter grootte van het autokostenforfait dient reeds daarom vanaf augustus 2004 achterwege te blijven. De overname in privé is in 2004 met de accountant besproken en de auto is naar aanleiding van dat gesprek destijds getaxeerd, aldus eiser. Dat de administratieve verwerking pas later heeft plaatsgevonden is gelegen in het feit dat de office manager een en ander niet tijdig ter hand heeft genomen en in de persoonlijke omstandigheden van de accountant.

4.11. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto in augustus 2004 daadwerkelijk aan eiser is overgedragen, ook niet dat toen de economische eigendom is overgedragen. Dat eiser is opgehouden een rittenregistratie te voeren met ingang van augustus 2004 en dat de accountant heeft bevestigd dat een en ander in 2004 is besproken is daartoe onvoldoende. Ook het ongedateerde taxatierapport van [naam garage] dat eiser heeft overgelegd maakt zijn standpunt niet aannemelijk, omdat daaruit mogelijk de intentie van eiser zou kunnen worden afgeleid, maar niet de feitelijke overdracht. De rechtbank acht van doorslaggevende betekenis dat de kosten van de auto feitelijk in 2004 en 2005 nog ten laste van de vennootschap zijn gebracht, de overgang naar privé pas in 2006 in de administratie is verwerkt en de auto pas in 2007 op naam van eiser is gesteld. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank veeleer aannemelijk dat de feitelijke overdracht van de auto na 2005 heeft plaatsgevonden. Dat eiser alsnog in rekening-courant is gecrediteerd doet aan vorenstaande niet af. Hieruit volgt dat de vennootschap de [auto C] ook in de periode augustus 2004 tot en met 31 december 2005 aan eiser ter beschikking heeft gesteld.

Nu eiser over die periode geen rittenregistratie heeft gevoerd en ook niet anderszins heeft doen blijken dat de auto voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden ter beschikking was gesteld, heeft verweerder het autokostenforfait ook over die periode terecht gecorrigeerd.

4.12. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. M.C. van As en mr. M. Mees, rechters, in aanwezigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.