Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP7741

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
AWB 09/5618
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2010 is het bij brief van 13 november 2009 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar weliswaar niet-ontvankelijk verklaard, doch bij uitspraak van 26 juli 2010 heeft de verzetsrechter het verzet tegen die uitspraak gegrond verklaard. Dit betekent dat de rechtbank er thans vanuit dient te gaan dat er op 13 november 2009 een ontvankelijk beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, welk beroep ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 januari 2010. De rechtbank acht eiser derhalve ontvankelijk in zijn beroep en zal het geschil vervolgens inhoudelijk beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 5618

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2011

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: H.W. Wassink te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2009 heeft verweerder eiser gelast uiterlijk 1 januari 2010 het strijdig gebruik van het perceel [adres] te staken door te stoppen met het automobielbedrijf, waarbij bij overtreding van de last per 1 januari 2010 een dwangsom zal worden verbeurd van € 10.000,-, per 1 februari 2010 een dwangsom zal worden verbeurd van € 20.000,- en per 1 maart 2010 een dwangsom zal worden verbeurd van € 40.000,- met een maximum van € 70.000,-.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 augustus 2009 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 13 november 2009 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar van 26 augustus 2009. Hierbij heeft eiser tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Bij mondelinge uitspraak van 17 december 2009 (AWB 09-5607) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2009, verzonden op 4 januari 2010, heeft verweerder het bezwaar van 26 augustus 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van 7 december 2009, van de Kamer uit de commissie beroep- en bezwaarschriften.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2010 is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser bij brief van 27 april 2010 verzet gedaan. Bij uitspraak van deze rechtbank van 26 juli 2010 is het verzet gegrond verklaard.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 20 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 september 2010 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld.

Bij brief van 10 november 2010 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 januari 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen, vergezeld door zijn zoon en bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Namens verweerder is verschenen mr. P. Bos en mr. M.S.M. Vringer, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat er door eiser geen ontvankelijk beroep is ingesteld tegen het besluit van 4 januari 2010 en dat het beroep van eiser van 13 november 2009 niet op grond van artikel 6:20, vierde lid Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) als beroepschrift tegen het besluit van 4 januari 2010 kan worden aangemerkt.

2.2 De rechtbank volgt verweerder daarin niet en overweegt daartoe het volgende.

2.3 In artikel 6:20, eerste lid, Awb is bepaald dat indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het bestuursorgaan verplicht blijft een besluit op de aanvraag te nemen.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het bezwaar of beroep mede wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.4 Bij uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2010 is het bij brief van 13 november 2009 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar weliswaar niet-ontvankelijk verklaard, doch bij uitspraak van 26 juli 2010 heeft de verzetsrechter het verzet tegen die uitspraak gegrond verklaard. Dit betekent dat de rechtbank er thans vanuit dient te gaan dat er op 13 november 2009 een ontvankelijk beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, welk beroep ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 januari 2010. De rechtbank acht eiser derhalve ontvankelijk in zijn beroep en zal het geschil vervolgens inhoudelijk beoordelen.

2.5 Eiser voert allereerst aan dat het handhavingsbesluit in strijd is met artikel 1:2 Awb, omdat onduidelijk is in welke hoedanigheid eiser wordt aangeschreven, als directeur van de BV “[naam]”, dan wel als eigenaar van de eenmanszaak “[naam]”. Voorts is ook niet duidelijk in welke juridische hoedanigheid eiser is geïnformeerd als rechthebbende in de zin van artikel 5:24, derde lid, Awb.

2.6 Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, Awb wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

2.7 Ingevolge artikel 5:24, derde lid, Awb wordt de last onder dwangsom bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en de aanvrager.

2.8 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 2011, LJN: BP0529), dient als overtreder te worden aangemerkt degene die het wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden en het in zijn macht heeft om aan de illegale situatie een einde te maken. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiser, zowel in zijn hoedanigheid als bestuurder van zijn BV als als drijver van zijn eenmanszaak, aan deze omschrijving. Verweerder heeft de persoon van eiser derhalve terecht aangemerkt als overtreder en heeft op goede gronden aan eiser in die hoedanigheid het besluit tot handhaving bekend gemaakt. Dat verweerder het besluit niet tevens aan eiser heeft bekend gemaakt in zijn hoedanigheid als rechthebbende, tast ingevolge jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraak van 13 augustus 2008, LJN: BD9935) de rechtmatigheid van het besluit niet aan, nu in de persoon van eiser zowel de overtreder als de rechthebbende, als bedoeld in artikel 5:24, derde lid, Awb zijn verenigd. Ten slotte is eiser aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb nu alleen de overtreder een dwangsom kan verbeuren. De beroepsgrond wordt verworpen.

2.9 Voorts voert eiser aan dat het handhavingsbesluit in strijd is genomen met artikel 5:11 Awb. De controles op 21 april 2009 en 16 juli 2009 waarbij de overtreding van het wettelijk voorschrift is geconstateerd, is volgens eiser namelijk verricht do[naam] (verder: [naam]), die niet als ‘toezichthouder’ als bedoeld in voornoemd artikel is aangewezen. [naam] zou zich bij deze controles ook niet hebben gelegitimeerd. Zoals later is gebleken is [naam] geen ambtenaar in dienst bij de gemeente Haarlem, maar was hij tijdelijk als extern adviseur ingehuurd door de gemeente Haarlem. Het vorenstaande is met name van belang omdat [naam] vervolgens, tijdens het zienswijze-overleg op 19 mei 2009, niet is ingegaan op het advies van een ambtenaar van de afdeling Handhaving, om de zaak met eiser te schikken. Door de handelwijze van [naam] is eiser aldus ernstig in zijn belangen geschaad.

2.10 Ingevolge artikel 5:11 Awb wordt onder toezichthouder verstaan een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

2.11 Ingevolge artikel 5:12, tweede lid, Awb toont een toezichthouder zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.

2.12 Ingevolge artikel 5:15, derde lid, Awb heeft de toezichthouder de bevoegdheid zich te laten vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

2.13 Niet in geschil is dat de controles op 21 april 2009 en 16 juli 2009 ook zijn uitgevoerd door een daartoe bevoegde toezichthouder in de persoon [naam]. [naam] heeft zich tijdens deze controles laten vergezellen door [naam], waartoe zij op grond van artikel 5:15, derde lid, Awb de bevoegdheid heeft. Dat [naam] zich bij deze controles niet zou hebben gelegitimeerd – hetgeen overigens niet vaststaat - is niet van belang, nu de overtreding tevens door een daartoe bevoegde toezichthouder is geconstateerd. Van een schending van artikel 5:12 Awb is de rechtbank niet gebleken. De stelling van eiser dat [naam] bij het nemen van het bestreden besluit een doorslaggevende rol heeft gespeeld doordat [naam] tijdens het zienswijze-overleg op 19 mei 2009 een voorstel tot schikken van de zijde van eiser zou hebben afgewezen overtuigt de rechtbank niet. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 september 2010, LJN: BN6146) kunnen uitlatingen door een medewerker van de gemeente niet aan verweerder worden toegerekend. Gelet daarop heeft eiser niet de in beroep gestelde conclusie kunnen en mogen verbinden aan de uitlatingen van de heer [naam] tijdens het zienswijze-overleg. De beroepsgrond treft geen doel.

2.14 Vervolgens voert eiser aan dat artikel 4:8 Awb onjuist is toegepast. Immers, het zienswijze-overleg heeft op 19 mei 2010 plaatsgevonden, terwijl de controle waarop de uiteindelijke aanschrijving gebaseerd is, pas plaats heeft gevonden op 16 juli 2009. De rechtbank merkt dienaangaande op dat verweerder op 24 april 2009 een voornemen heeft uitgebracht en eiser in de gelegenheid heeft gesteld om mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 4:8 Awb. Dat na het indienen van de zienswijze op 16 juli 2009 nog een controle is uitgevoerd, maakt dat niet anders.

2.15 Vervolgens voert eiser ten aanzien van de aanschrijving betreffende het reclamebord aan de Westelijke Randweg aan dat dit bord niet is verwijderd, altijd aanwezig is geweest en nooit is verplaatst.

2.16 Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat het betreffende reclamebord onderdeel uitmaakt van een tweede, inmiddels onherroepelijk geworden, handhavingsbesluit van 17 februari 2010 en geen onderwerp vormt van onderhavig geschil.

De rechtbank komt thans toe aan de inhoudelijke behandeling van het geschil.

2.17 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser aan de Vlaamseweg 4 op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan “Binnenduinrand” de bestemming “agrarische doeleinden met landschappelijke waarden (A1)” rust, in strijd met deze bestemming, als beschreven in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a tot en met i, van de planvoorschriften, auto’s parkeert en te koop aanbiedt. Nu eiser niet beschikt over een ontheffing van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, is er sprake van een overtreding. Verweerder is dan ook bevoegd handhavend op te treden.

2.18 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.19 Nu het drijven van een automobielbedrijf op het perceel in strijd is met het thans geldende bestemmingsplan en ook het overgangsrecht behorende bij dit plan niet van toepassing is omdat het gebruik eveneens in strijd was met het hiervóór geldende bestemmingsplan, stelt de rechtbank vast dat er geen concreet zicht is op legalisatie.

2.20 Ten aanzien van de vraag of sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan verweerder van handhaving had behoren af te zien overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft aangevoerd dat reeds voor de aankoop door eiser van het perceel in 1982 aldaar een parkeerterrein aanwezig was. Bij de aankoop van het terrein zijn door verweerder eisen gesteld, welke zijn vastgelegd in een notariële akte van 1 november 1982. In deze notariële akte is, volgens eiser, toegestaan om “de tot vorenomschreven onroerend goed behorende bedrijfsruimten te gebruiken, althans te gebruiken op een wijze die de afwijking van het legale gebruik niet verder vergroot.” Door verweerder is volgens eiser, dus een afwijking van het legale gebruik goedgekeurd, alleen is deze afwijking nooit gedefinieerd of vastgesteld. Deze situatie is, naar de mening van eiser, geworden tot gewoonterecht.

2.21 Daargelaten de vraag of de in de notariële akte opgenomen afspraken moeten worden aangemerkt als een gedoogbeslissing, zoals door eiser wordt gesteld, staat het, ingevolge vaste jurisprudentie, verweerder vrij om op een beslissing om een situatie tijdelijk te gedogen, terug te komen. De door eiser aangehaalde toezeggingen van verweerder dateren van 1982. Nadien heeft een bestemmingsplanprocedure plaatsgevonden waarbij de bestemming van het betreffende perceel niet is gewijzigd en het illegale gebruik daarom niet is gelegaliseerd. Tijdens de bestemmingsplan-procedure heeft eiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake was van een bijzondere situatie op grond waarvan verweerder van handhaving had behoren af te zien.

2.22 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.