Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP7734

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
AWB 10 - 3310
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19, tweede lid, van de WRO. De ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid geen vrijstelling en bouwvergunning eerste fase had mogen verlenen. Onderhavige locatie ligt in een stedelijke omgeving waarin niet kan worden voorkomen dat nieuwe bebouwing leidt tot enige vermindering van privacy en uitzicht voor bestaande bewoners. Het feit dat verweerder een ruilovereenkomst is aangegaan met de derde partij kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat geen objectieve belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 3310

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2011

in de zaak van:

[eiser] e.a.,

gevestigd te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen, jurist bij Das Rechtsbijstand,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk,

verweerder,

derde partij,

C. Nelis Bouw & Ontwikkeling B.V.,

gevestigd te Heemskerk,

gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2010 heeft verweerder aan de derde partij vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van 54 appartementen en een parkeerkelder op het perceel [adres].

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 23 februari 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 mei 2010, verzonden op 4 juni 2010, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van april 2010, van de Kamer algemene zaken, Commissie bezwaarschriften.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 6 juli 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 februari 2011, alwaar eiser [eiser] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.U.H. van de Schepop, jurist bij DAS Rechtsbijstand. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.C.S. Leiss, mr. M.S. de Jonge en G. Lukken, allen werkzaam bij de gemeente Heemskerk. De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], bijgestaan door mr. H.J.G. Dudink.

2. Overwegingen

2.1 Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Op grond van de Invoeringswet Wet op de ruimtelijke ordening blijft op aanvragen die zijn ingediend voor 1 juli 2008 de WRO van toepassing. Aangezien de aanvraag dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval de bepalingen van de WRO van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

2.2 Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Woningwet – voor zover thans van belang – moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met het geldende bestemmingsplan en/of de redelijke eisen van welstand.

2.3 Ingevolge artikel 46, derde lid, van de WRO wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

2.4 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeen-stemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een ver-klaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.5 In geding is de bouw van 54 appartementen en een parkeerkelder op het perceel [adres]. Het betreft een gebouw met een halfverdiepte parkeerkelder, waarboven zich drie bouwlagen bevinden. Op het dak bevinden zich toegangen tot het dakterras. Inclusief deze toegangen bedraagt de hoogte van het gebouw 13,8 meter. Naast het onderhavige bouwplan (Smitco I) is sprake van een tweede bouwplan (Smitco II) voor een appartementengebouw van 15 woningen op het voormalig Smitco-terrein. Oorspronkelijk vormden beide gebouwen één plan. De vergunninghouder heeft voor de bouwplannen afzonderlijke aanvragen ingediend.

2.6 Het bouwplan is gelegen op gronden waar het bestemmingsplan ‘[naam] 1998’ geldt. Volgens artikel 14 van de planvoorschriften hebben de gronden de bestemming ‘tuincentrum met bijbehorende erven D (tc)’. De hoogte van alle gebouwen en bouwwerken mag op deze bestemming maximaal drie meter bedragen, tenzij op de plankaart een andere maatvoering is aangegeven. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

2.7 Verweerder heeft ten behoeve van de realisatie van onderhavig bouwplan een bouwvergunning eerste fase en vrijstelling ingevolge 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend. Dit besluit is in bezwaar gehandhaafd. Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen.

2.8 Eisers betogen ten eerste dat verweerder ten onrechte artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft toegepast. Voor onderhavig bouwproject was toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO of een bestemmingsplanwijziging aangewezen, aldus eisers.

2.9 In het advies van de bezwaarcommissie, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, heeft verweerder aangegeven dat eisers niet in dit betoog kunnen worden gevolgd. Bij besluit van 19 juli 2005 hebben GS van Noord-Holland (zie bijlage bij instructie) beleid vastgesteld ten aanzien van vrijstellingen ex artikel 19 van de WRO. Hieruit kan worden afgeleid dat woningbouw binnen de zogenoemde rode contour uit het geldende Streekplan Noord-Holland Zuid geen speerpunt van provinciaal ruimtelijk beleid vormt. Onderhavig plangebied ligt binnen de rode contour. Hieruit volgt dat verweerder medewerking kon verlenen aan onderhavig bouwplan middels vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van WRO. Het betoog faalt.

2.10 Eisers betogen voorts dat aan verleende vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing, deugdelijke motivering en zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt. Verweerder heeft in de besluitvorming onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers en heeft te weinig onderzoek verricht naar de noodzaak en de gevolgen van de bouw van de 54 appartementen.

2.11 De beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft. Hieruit vloeit voort dat de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.12 Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de eisen die aan de ruimtelijke onderbouwing moeten worden gesteld zwaarder zijn naarmate de inbreuk op het geldende regime groter is.

2.13 Verweerder heeft het project voorzien van een ruimtelijke onderbouwing in de vorm van de bijlage bij de besluitvorming “Ruimtelijke onderbouwing nieuwbouw appartementengebouw [adres] perceel 1; Smitco-locatie van 23 mei 2008 (gewijzigd op 4 juli 2008 en 12 december 2008)”. Daarnaast is verweerder in de Nota van zienswijzen van 1 december 2009 en in het bestreden besluit dat verwijst naar het advies van de commissie bezwaar nog nader ingegaan op de door eisers ingebrachte zienswijzen en bezwaren.

2.14 Verweerder stelt zich – samengevat – op het standpunt dat het bouwplan, gezien de stedelijke omgeving, de onderlinge afstanden en gebouwfuncties, stedenbouwkundig aanvaardbaar is en dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woongenot van eisers en in het bijzonder de aspecten van zonlicht en privacy. Het bouwplan, dat gelegen is in stedelijk gebied van Heemskerk, betreft drie lagen en een dakterras op een halfondergrondse parkeergarage. Aan de overzijde van de Koekoek staan drive-inwoningen in drie lagen op een afstand van minimaal 21 meter. Ter hoogte van het bestaande appartementencomplex is de afstand iets kleiner, echter hier is sprake van een galerij met slaapvertrekken waardoor het aspect van privacy en uitzicht minder speelt. Zowel de drive-inn woningen als de galerijflat zijn georiënteerd naar de wijk [naam] en niet naar de [adres]. Door de situering van de nieuwe bebouwing ten noordoosten van de aanwezige bebouwing is niet tot nauwelijks sprake van vermindering van toetreding van zon- en daglicht, ook gezien de aanwezige beplanting.

2.15 Gelet op de ruimtelijke onderbouwing bij de besluitvorming en de nadere motivering hierop in het advies van de commissie bezwaar, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat de door eisers gestelde inbreuk op de privacy en vermindering van uitzicht niet zodanig is dat om die reden de vrijstelling niet kon worden verleend. Dat het bouwplan een verslechtering van uitzicht en privacy voor eisers met zich brengt, is duidelijk. Van belang is echter dat de onderhavige locatie volgens het streekplan Noord-Holland Zuid in het stedelijk gebied van Heemskerk ligt. In een stedelijke omgeving kan niet worden voorkomen dat nieuwe bebouwing leidt tot vermindering van privacy en uitzicht voor bestaande bewoners. De hoogte van het bouwplan is passend in relatie tot de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanige verslechtering van privacy en uitzicht dat eisers onevenredig in hun belangen worden geschaad.

2.16 Het betoog van eisers dat verweerder ten onrechte de beoordeling van onderhavige bouwaanvraag los ziet van een afzonderlijke bouwaanvraag voor nog eens 15 appartementen op het Smitco-terrein faalt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft verweerder te beslissen over het bouwplan zoals dat bij hem is ingediend. Vergunninghouder heeft ervoor gekozen voor Smitco II een afzonderlijke bouwaanvraag in te dienen. Voor deze bouwaanvraag wordt thans een vrijstellingsprocedure gevolgd. Er is geen verplichting voor verweerder bij de beslissing over het verlenen van vrijstelling voor Smitco I de bouwaanvraag van Smitco II te betrekken.

2.17 Ten aanzien van de stelling van eisers dat ten behoeve van het bouwplan te weinig parkeerplaatsen gerealiseerd worden overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft de oppervlakte van de te realiseren appartementen, overeenkomstig het Parkeerbeleidsplan 2006 van de gemeente Heemskerk, bepalend geacht voor de te hanteren parkeernorm. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat de totale behoefte van parkeerplaatsen, berekend op basis van het aantal appartementen, hun oppervlakten en de daarbij behorende parkeernorm, neerkomt op 95 parkeerplaatsen. Van deze 95 parkeerplaatsen wordt 0,3 parkeerplaats per appartement (totaal 16 parkeerplaatsen) toegerekend aan bezoekers. Vaststaat dat in de parkeerkelder onder het gebouw Smitco I 101 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Uit de bij de besluitvorming behorende bouwtekening blijkt voorts dat er nog 15 parkeerplaatsen op het maaiveld zullen worden gerealiseerd. Verder blijkt uit een door de gemeente gedane parkeertelling dat in de openbare ruimte gemiddeld nog 10 parkeerplaatsen vrij zijn. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat de extra parkeerbehoefte die zal ontstaan bij de eventuele realisatie van een tweede bouwplan Smitco II van 15 appartementen op het Smitco-terrein buiten beschouwing is gebleven. De parkeerkelder zal in dat geval doorlopen om aan de bijkomende parkeerbehoefte van het tweede bouwplan tegemoet te komen. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder de parkeerbehoefte onjuist heeft vastgesteld. Onderhavig bouwplan voldoet ruimschoots aan de parkeernormen uit het Parkeersbeleidsplan 2006. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er na de realisatie van onderhavig bouwplan voldoende parkeergelegenheid in de omgeving zal zijn.

2.18 Voor zover eisers stellen dat de verkeersaantrekkende werking en de verkeersveiligheid van het bouwplan onvoldoende is onderzocht, verwijst de rechtbank naar het bij de besluitvorming behorende verkeersadvies van Goudappel Coffeng van 9 juli 2009. De conclusie daarvan luidt dat een inrit op de [adres] goed mogelijk is mits enkele aandachtspunten in acht worden genomen. In hetgeen eisers hieromtrent hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat genoemd rapport, zijnde een deskundigenadvies, naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet – of niet zonder meer – aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen voor het verkeer ter plaatse niet aan het verlenen van vrijstelling in de weg staan. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat eisers tegenover het verkeersadvies van Goudappel Coffeng geen advies van een ter zake deskundige hebben ingebracht.

2.19 De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienden te worden gesteld of dat onderhavig bouwplan niet zou kunnen worden gerealiseerd omdat het stedenbouwkundig onaanvaardbaar zou zijn.

2.20 Eisers stellen dat er geen noodzaak bestaat voor het realiseren van onderhavig bouwproject. Verweerder heeft daartegen ingebracht dat in het onderzoek van ABF-Research, waarnaar eisers verwijzen, weliswaar staat dat de vraag naar appartementen in het centrum van Heemskerk groter is dan in de reguliere woonwijken, maar niet dat er in het geheel geen vraag bestaat naar appartementen buiten het centrum van Heemskerk. Om leegstand te voorkomen adviseert ABF Research om verschillende bouwplannen gefaseerd te realiseren. Verder is het niet aannemelijk dat de derde partij dit bouwproject wil ontwikkelen terwijl er geen vraag is naar de te realiseren appartementen, aldus verweerder.

2.21 Verweerder heeft in voldoende mate onderbouwd dat er wel degelijk, zij het beperkt, behoefte bestaat aan appartementen op onderhavige locatie, net buiten het centrum van Heemskerk. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid, bij de afweging van de betrokken belangen, geen zwaarwegende betekenis gehecht aan de stelling van eisers dat er geen animo is voor appartementen in de omgeving.

2.22 Eisers verwachten verder dat geluidsoverlast en hinder zullen ontstaan dan wel verergeren door de komst van het appartementencomplex en de daarbij behorende parkeerkelder. Eisers hebben hun standpunt evenwel onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de belangen van eisers in dit opzicht door het bouwplan zodanig zullen worden aangetast dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

2.23 Voor zover eisers aanvoeren dat verweerder had moeten onderzoeken of alternatieven voor het bouwplan voorhanden waren die minder overlast voor omwonenden mee brengen wordt verwezen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die eerder heeft overwogen in, onder meer, de uitspraak van 15 februari 2006 in zaaknummer 200505109/1, dat verweerder diende te besluiten over het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Die situatie doet zich hier niet voor.

2.24 Met betrekking tot het betoog van eisers dat er geen zorgvuldige welstandsbeoordeling plaatsgevonden overweegt de rechtbank als volgt.

2.25 In het advies van de commissie bezwaar, waarnaar verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen, staat dat de Welstandscommissie het bouwplan heeft getoetst aan de gebiedsgerichte criteria betreffende de [adres], zoals deze zijn opgenomen in de Welstandsnota van 1 januari 2006, en vervolgens op 11 augustus 2008 heeft goedgekeurd. Uit het dossier blijkt dat aan deze goedkeuring meerdere welstandsbeoordelingen en aanpassingen van het bouwplan zijn voorafgegaan. Verweerder mag, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies van de welstandscommissie in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Eisers hebben geen deskundig tegenadvies overgelegd waaruit blijkt dat het welstandsadvies gebreken vertoont. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies in strijd met het motiveringsbeginsel of de in acht te nemen zorgvuldigheid is genomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, ter verwerping van de bezwaren van eisers ten aanzien van de redelijke eisen van welstand, mocht volstaan met een verwijzing naar het welstandsadvies van de welstandscommissie van 11 augustus 2008. Dat eisers de indruk hebben dat de nieuwe Welstandsnota 2009 is aangepast aan de wensen van de derde partij als onderdeel van een ruilovereenkomst leidt niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat de Welstandsnota ten behoeve van de realisatie van dit bouwplan is aangepast.

2.26 Tot slot overweegt de rechtbank dat het feit dat verweerder een ruilovereenkomst is aangegaan met de derde partij op zichzelf onvoldoende is om te kunnen concluderen dat geen objectieve belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat verweerder niet langer zonder vooringenomenheid kon beslissen over onderhavig bouwplan. De enkele omstandigheid dat verweerder de ruilovereenkomst van 30 juni 2006, en daarmee een inspanningsverplichting ter zake het voormalige Smitco-terrein, is aangegaan betekent niet dat sprake is van een handelswijze die zich niet verdraagt met artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is sprake van een belang dat in de afweging van alle belangen zoals vereist op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO kan worden meegewogen. Nu uit het vorenstaande blijkt dat het besluit is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in die bepaling en voorts niet is gebleken dat verweerder zich bij de verlening van vrijstelling (nagenoeg) uitsluitend heeft laten leiden door de ruilovereenkomst kan volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 4 mei 2010, LJN: BM3253) niet worden geoordeeld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb.

2.27 De conclusie luidt dat in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid geen vrijstelling en bouwvergunning eerste fase had mogen verlenen.

2.28 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.