Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP7699

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
490787 CV EXPL 10-15805
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzetprocedure. Opossant is tijdig in verzet gekomen. Kantonrechter venietigt het vertekvonnis. De oorspronkelijke vordering bedroeg ongeveer €36,00. De kantonrechter is van oordeel dat eiseres ten onrechte buitengerehctelijke incassokosten in rekening had gebracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 490787 \ CV EXPL 10-15805

datum uitspraak: 9 maart 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[A.]

te [woonplaats]

opposant

hierna te noemen [A.]

gemachtigde mr. E.H.J. Slager

tegen

de besloten vennootschap DW Pompen B.V.

te Badhoevedorp

geopposeerde

hierna te noemen DW Pompen

gemachtigde Van der Vleuten & Van Hooff

De procedure

Bij exploot van dagvaarding van 19 augustus 2010 heeft DW Pompen [A.] gedagvaard tegen de zitting van de kantonrechter van 2 september 2010. [A.] is niet verschenen. Bij verstekvonnis van 2 september 2010 is de vordering van DW Pompen op de in de dagvaarding genoemde gronden toegewezen.

[A.] heeft bij exploot van 4 november 2010 DW Pompen aangezegd tegen voormeld vonnis in verzet te komen en heeft DW Pompen gedagvaard tegen de zitting van

8 december 2010.

Partijen zijn op 9 februari 2011 ter comparitie verschenen. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen door of namens partijen op die zitting naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van [A.] in zijn verzet

De kantonrechter zal allereerst moeten beoordelen of [A.] tijdig in verzet is gekomen van het verstekvonnis van 2 september 2010.

Op grond van het bepaalde bij artikel 143 Rv moet het verzet worden gedaan binnen vier weken na:

- de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of

- het plegen door de veroordeelde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.

[A.] heeft gesteld dat hij minder dan vier weken voor 4 november 2010 bekend is geworden met het verstekvonnis.

DW Pompen heeft daartegen aangevoerd dat op 4 oktober 2010 telefonisch contact is geweest tussen haar gemachtigde en [A.], zodat [A.] op die datum reeds met het vonnis bekend was. Om die reden is DW Pompen van oordeel dat [A.] zijn verzet buiten de wettelijke termijn van vier weken heeft ingesteld.

De kantonrechter kan niet uitgaan van de datum van 16 september 2010 waarop het verstekvonnis aan [A.] is betekend, omdat die betekening niet in persoon heeft plaatsgevonden.

De tenuitvoerlegging van het verstekvonnis heeft een aanvang genomen. Omdat ook het exploot van beslaglegging niet in persoon aan [A.] is betekend, kan de datum van die betekening niet doorslaggevend zijn. Voorts is gesteld noch gebleken dat [A.] op zodanig tijdstip met die tenuitvoerlegging bekend was, dat hij zijn verzet niet tijdig zou hebben ingesteld.

De kantonrechter heeft met partijen op de zitting van 9 februari 2011 uitvoerig besproken wat de aanleiding voor [A.] was om op 4 oktober 2010 telefonisch overleg te voeren met de gemachtigde van DW Pompen.

Uit hetgeen door of namens partijen toen is verklaard kan de kantonrechter niet de noodzakelijke conclusie trekken dat [A.] op 4 oktober 2010 reeds bekend was met de inhoud van het verstekvonnis van 2 september 2010.

Nu omtrent de juiste datum van die bekendheid geen zekerheid kan worden verkregen, moet dit er daarom toe leiden dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat [A.] tijdig in verzet is gekomen.

[A.] kan dus in zijn verzet worden ontvangen.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. Op 29 juni 2010 heeft [A.] voor een bedrag van €39,71 brandstof getankt en voor een bedrag van €6,14 artikelen gekocht bij DW Pompen.

b. Bij de afrekening op 29 juni 2010 is door [A.] slechts €6,14 ter zake van de gekochte artikelen voldaan.

c. Bij brief van 5 juli 2010 heeft de gemachtigde van DW Pompen het volgende aan [A.] geschreven:

“Op 29 juni 2010 om 18:37 uur is er brandstof getankt bij het Shell-station [adres] met een [merk auto en kenteken]. Het verschuldigde bedrag is niet afgerekend.

Ter voorkoming van dagvaarding verzoek ik u, en waar nodig sommeer ik u, om uiterlijk binnen 5 dagen na heden middels bijschrijving op bankrekeningnummer [XXXX] t.n.v. Van der Vleuten & Van Hooff Gerechtsdeurwaarders, alsnog voor betaling zorg te dragen van voormelde vordering alsmede de thans verschuldigde invorderingskosten en rente tot heden.

(…)”

d. In die brief van 5 juli 2010 maakte de gemachtigde aanspraak op vergoeding van €37,00 wegens invorderingskosten.

e. Op 12 juli 2010 heeft [A.] ter voldoening aan de onder c. genoemde sommatie bij het genoemde benzinestation van DW Pompen €40,00 voldaan.

f. [A.] heeft de onder d genoemde invorderingskosten niet voldaan.

g. Vervolgens heeft DW Pompen [A.] gedagvaard ter zake van €39,71 en de genoemde invorderingskosten onder aftrek van hetgeen door [A.] was voldaan. Deze vordering heeft geresulteerd in het verstekvonnis van 2 september 2010.

De oorspronkelijke vordering van DW Pompen

DW Pompen vordert dat de kantonrechter [A.] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om tegen kwijting aan DW Pompen te betalen €36,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2010 tot de dag der algehele voldoening.

DW Pompen heeft het volgende aan de vordering ten grond¬slag gelegd:

[A.] heeft voor een totaalbedrag van €39,71 aan benzine gekocht bij DW Pompen zonder deze benzine af te rekenen.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [A.]

DW Pompen genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. DW Pompen heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van €37,00. [A.] dient deze kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan DW Pompen te voldoen.

Voorts is [A.] de wettelijke rente verschuldigd geworden. Deze bedraagt, berekend tot 19 augustus 2010, €0,12.

In totaal was door [A.] verschuldigd: €39,71 + €37,00 + €0,12 = €76,83.

[A.] heeft €40,00 voldaan, zodat per saldo nog resteert te voldoen €36,83.

Het verweer van [A.]

[A.] heeft tegen de vordering van DW Pompen het volgende aangevoerd:

De caissière van DW Pompen heeft bij de afrekening op 29 juni 2010 vergeten de benzine aan te slaan en heeft dat later erkend. [A.] was dit niet opgevallen.

[A.] heeft na ontvangst van de brief van 5 juli 2010 direct €40,00 aan benzine betaald bij het pompstation van DW Pompen.

[A.] heeft de incassokosten niet voldaan, omdat hij meende deze niet verschuldigd te zijn.

De gemachtigde van DW Pompen heeft immers slechts 1 sommatie verzonden, waarvoor [A.] geen incassokosten verschuldigd is geworden.

De gemachtigde van DW Pompen heeft vervolgens [A.] gedagvaard en na verstekvonnis twee executoriale beslagen gelegd. DW Pompen maakt inmiddels aanspraak op betaling van een totaalbedrag van ongeveer €1.200,00. Hierdoor is [A.] in ernstige financiële problemen gekomen.

De beoordeling van het geschil

1. De kantonrechter wenst voorop te stellen dat het natuurlijk de verantwoordelijkheid van [A.] zelf was om bij de afrekening op 29 juni 2010 beter op te letten. Hij kan zich niet verschuilen achter een mogelijke fout van de betrokken caissière. Ook met betrekking tot het niet openen van ontvangen post/stukken, zoals de inleidende dagvaarding van DW Pompen, ligt het risico geheel bij [A.].

2. Niettemin is de kantonrechter van oordeel dat het verstekvonnis niet in stand kan blijven en overweegt daartoe het volgende.

3. Tussen partijen staat vast dat de enige aanmaning/sommatie die aan [A.] is verzonden, de brief van 5 juli 2010 van de gemachtigde van DW Pompen is geweest. In deze procedure is niet gebleken dat de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van die enkele aanmaning/sommatie. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke invorderingskosten en de daaraan gekoppelde rente moet daarom worden afgewezen.

4. Aan het vorenstaande doet niet af dat, zoals namens DW Pompen ter comparitie is verklaard, de invorderingskosten zouden zijn veroorzaakt door de werkzaamheden van de gemachtigde van DW Pompen ten behoeve van het verkrijgen van de persoonsgegevens die hoorden bij het waargenomen kenteken van de auto waarmee op 29 juni 2010 benzine was getankt. Als dat de bedoeling van de vordering was geweest, dan had de gemachtigde van DW Pompen in de brief van 5 juli 2010 moeten vermelden hoe en tot welk bedrag die kosten waren gemaakt. Het is dan onvoldoende om het standaardbedrag van de staffel bij het rapport Voorwerk II als te vorderen bedrag op te nemen. Nu de gemachtigde van DW Pompen in de brief van 5 juli 2010 zonder nadere aanduiding/omschrijving “invorderingskosten” heeft vermeld, heeft [A.] zich terecht op het standpunt gesteld dat hij die kosten niet verschuldigd was.

5. Het vorenstaande geldt temeer nu ook in de inleidende dagvaarding die onder 4 bedoelde precisering van de invorderingkosten niet was opgenomen.

6. DW Pompen zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van het exploot van de verzetdagvaarding dienen voor rekening van [A.] te blijven, omdat hem kan worden verweten niet op zijn post te hebben gelet.

Beslissing

De kantonrechter:

Verklaart het verzet gegrond.

Vernietigt het tussen partijen gewezen en op 2 september 2010 uitgespro¬ken verstekvonnis.

En opnieuw rechtdoende:

Wijst de vordering van DW Pompen af.

Veroordeelt DW Pompen in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [A.] begroot op €60,00 aan salaris voor zijn gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voor¬raad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.