Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP7212

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
15-790005-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klaagschrift tegen bevel beperkingen. Rechtbank oordeelt dat onderzoeksgrond niet noodzakelijk is voor het opleggen van beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Meervoudige raadkamer

Registratienummer: 11/214

Parketnummer: 15/790005-11

Uitspraakdatum: 18 februari 2011

beschikking op bezwaarschrift tegen beperkingen (art. 62a Sv)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 17 februari 2011 is door mr. A. Çimen, advocaat te Haarlem, ter griffie van de rechtbank Haarlem ingediend een bezwaarschrift, gedateerd 17 februari 2011, van:

[klager],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in Justitiële Jeugdinstelling Het Keerpunt te Cadier en Keer,

domicilie kiezende te (2011 ND) Haarlem, Nieuwe Gracht 49, ten kantore van zijn raadsvrouw mr. A. Çimen, voornoemd.

Het bezwaarschrift is gericht tegen de in het bevel maatregelen in het belang van het onderzoek ex artikel 62a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 8 februari 2011 door de officier van justitie aan klager opgelegde beperkende maatregelen.

In verband met de spoed, waarop de raadsvrouw heeft aangedrongen bij de beoordeling van het klaagschrift hebben klager en de raadsvrouw afstand gedaan van de mogelijkheid om het klaagschrift in persoon toe te lichten.

De rechtbank zal daarom op het bezwaarschrift beslissen zonder klager en zijn raadsvrouw daarop te horen.

De rechtbank heeft alvorens te beslissen bij de officier van justitie die belast is met de behandeling van de onderhavige strafzaak inlichtingen ingewonnen over de noodzaak van de voortduring van de opgelegde beperkende maatregelen.

Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van het standpunt van de officier van justitie, verwoord in haar brief van 16 februari 2011 aan de raadsvrouw van klager.

2. Beoordeling

Bij bevel van 8 februari 2011 heeft de officier van justitie bevolen, dat in het belang van het onderzoek ten aanzien van klager de volgende beperkende maatregelen gelden:

a)klager mag zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen bezoek ontvangen; deze beperking geldt niet ten aanzien van bezoek door de raadsman, justitiële autoriteiten, opsporingsambtenaren en reclasseringsambtenaren;

b)klager mag zonder toestemming van de officier van justitie geen telefonische contacten onderhouden; deze beperking geldt niet ten aanzien van telefonische contacten met de raadsman, justitiële autoriteiten, opsporingsambtenaren en reclasserings-ambtenaren;

c)klager mag zonder toestemming van en controle door de officier van justitie geen brieven verzenden of ontvangen; deze beperking geldt niet ten aanzien van correspondentie met de raadsman, justitiële autoriteiten, opsporingsambtenaren en reclasseringsambtenaren;

d)klager mag geen contacten onderhouden met medegedetineerden;

e)klager zal geen kranten, lectuur of andere gegevensdragers uitgereikt krijgen;

f)klager mag geen internet gebruiken.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld, dat het bevel beperkingen in strijd met de wet wordt gehandhaafd sinds 11 februari 2011, nu de officier van justitie heeft nagelaten bij de vordering van de inbewaringstelling van klager de onderzoeksgrond als een van de gronden voor toepassing van de voorlopige hechtenis aan te voeren.

De officier van justitie heeft omtrent de noodzaak van de toepassing van de opgelegde beperkende maatregelen meegedeeld dat het opsporingsonderzoek thans nog gaande is en dat nog moet worden onderzocht wat het aandeel van klager is geweest in het misdrijf, waarvan hij wordt verdacht en dat onderzoek naar een mogelijke mededader nog gaande is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld zij dat op grond van artikel 62 Sv in samenhang met artikel 62a Sv, de officier van justitie in een geval, waarin een verdachte krachtens een bevel tot voorlopige hechtenis van zijn vrijheid is beroofd en zonder dat er een gerechtelijk vooronderzoek loopt, bevoegd is te bevelen dat een verdachte in het belang van het onderzoek aan beperkingen wordt onderworpen, met dien verstande dat zulks beperkt is tot die beperkingen die in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk zijn.

Een beperking tot die gevallen, waarin de officier van justitie tevens zijn vordering tot inbewaringstelling heeft gebaseerd op de grond dat de voorlopige hechtenis noodzakelijk is voor het anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid, hierna te noemen de onderzoeksgrond, dan wel dat de rechter die grond aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag heeft gelegd, valt in die bepalingen niet te lezen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat desalniettemin het opleggen van beperkende maatregelen aan een in voorlopige hechtenis gestelde verdachte slechts kan, wanneer de officier van justitie de vordering tot inbewaringstelling (mede) heeft gebaseerd op de onderzoeksgrond dan wel dat de onderzoeksgrond door de rechter aan het bevel tot voorlopige hechtenis is ten grondslag gelegd.

Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Allereerst dient als uitgangspunt te gelden dat de noodzaak tot het toepassen van voorlopige hechtenis (mede) op de onderzoeksgrond moet worden onderscheiden van de noodzaak tot het in verband met het belang van het onderzoek opleggen van beperkende maatregelen. Met de beoordeling van die noodzaak is in het eerste geval de rechter-commissaris dan wel de raadkamer belast, terwijl in het tweede geval - behoudens in het geval van een gerechtelijk vooronderzoek - de officier van justitie daarover als eerste heeft te oordelen.

Toepassing van voorlopige hechtenis (mede) op grond van het onderzoeksbelang noopt niet zonder meer tot het opleggen van beperkende maatregelen in het belang van het onderzoek.

Daarnaast is het niet noodzakelijk dat de rechter-commissaris of later de raadkamer een oordeel uitspreekt over de toepassing van voorlopige hechtenis op grond van het onderzoeksbelang, indien andere gronden reeds tot toepassing van de voorlopige hechtenis nopen.

De opvatting van de raadsvrouw zou ertoe moeten leiden dat – in een geval, waarin pas lopende het opsporingsonderzoek blijkt van de noodzaak tot toepassing van beperkende maatregelen en in voorkomende gevallen voordat mede in verband daarmee een vordering ex artikel 67b, eerste lid Sv is gedaan en toegewezen, de officier van justitie niet kan overgaan tot het bevelen van volstrekt noodzakelijke beperkende maatregelen in het belang van het onderzoek. Een dergelijke opvatting kan met het oog op de belangen van het opsporingsonderzoek niet als juist worden aanvaard.

De opvatting van de raadsvrouw zou verder tot de ongerijmde situatie leiden dat het niet overnemen van de onderzoeksgrond bij toepassing van de voorlopige hechtenis door de rechter-commissaris die niet in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek bij het onderzoek naar de strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis wordt toegepast, betrokken is, dan wel het niet overnemen van de onderzoeksgrond door de raadkamer, de officier van justitie de mogelijkheid zou ontnemen, maatregelen die in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk zijn, te bevelen, zulks terwijl de rechter-commissaris noch de raadkamer op grond van hun - beperkte - kennis van de stand het onderzoek, voldoende in staat zijn de noodzaak van toepassing van die maatregelen te beoordelen.

In aanmerking genomen dat slechts in geval van volstrekte noodzakelijkheid door de officier van justitie beperkende maatregelen mogen worden opgelegd, dat de officier van justitie belast is met de opsporing van strafbare feiten en niet de rechter-commissaris of de raadkamer en dat een verdachte tegen de oplegging van beperkende maatregelen een bezwaarschrift kan indienen, waarover de raadkamer na kennisneming van informatie over de stand van het onderzoek, kan beslissen, zijn er geen goede gronden om – zonder dat de wet in de door de raadsvrouw voorgestane beperking voorziet - desalniettemin de mogelijkheid tot het opleggen van beperkende maatregelen in het belang van het onderzoekingen te beperken tot die gevallen waarin de voorlopige hechtenis (mede) is gebaseerd op de onderzoeksgrond.

Op grond van de door de officier van justitie omtrent de stand van het onderzoek verstrekte inlichtingen, komt de rechtbank tot het oordeel dat ook thans nog de handhaving van de bevolen beperkende maatregelen volstrekt noodzakelijk is.

Het bezwaarschrift moet daarom ongegrond worden verklaard.

Opmerking verdient nog, dat anders dan de raadsvrouw kennelijk meent, de door de officier van justitie bevolen beperkende maatregelen zich niet uitstrekken tot het contact met reclasseringsambtenaren.

3. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven op 18 februari 2010 door

mr. R.E.A. Toeter, voorzitter,

mrs. M.A.E. de Jong-Overtoom en J.C.M. Swinkels, rechters

in tegenwoordigheid van mr. J.J. Maarleveld, griffier