Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP6417

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
177466/HA RK 11-3
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door de rechter ter zitting genomen ordemaatregelen betreffen slechts de orde op de zitting en niet de inhoud van de zaak zelf; er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de rechter, ook na het treffen van de omstreden maatregelen, niet geheel onbevangen ten opzichte van verzoeker en de door hem aan te voeren argumenten zou staan. De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 177466/HA RK 11-3

datum beslissing: 22 februari 2011

Op verzoek van:

[A],

verzoeker,

1. Procesverloop

1.1 Bij schriftelijk verzoek van 11 januari 2011 heeft verzoeker de wraking verzocht van mr. [B], hierna te noemen: de rechter, in de bij deze rechtbank, sector civiel, familie- en jeugdrecht, aanhangige zaak met zaak-/rekestnummer 172109/10-2559, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2 De rechter heeft op 14 januari 2011 schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3 Kort voor de zitting heeft verzoeker nog schriftelijk commentaar gegeven op de reactie van de rechter.

1.4 Verzoeker, de wederpartij in de hoofdzaak c.q. haar advocaat en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 8 februari 2011. Verzoeker en de rechter zijn verschenen en gehoord. Tevens zijn verschenen en gehoord [C], [D] en [E], respectievelijk hoofd veiligheidszaken en bodes-beveiligers bij de rechtbank Haarlem. De wederpartij, noch haar advocaat heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om ter zitting aanwezig te zijn. Wel heeft de advocaat schriftelijk gereageerd, met de strekking dat zij de door de rechter gegeven feitelijke weergave van de gang van zaken onderschrijft.

2. Het standpunt van verzoeker.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd, dat de rechter hem, op basis van de in een beschikking van de kinderrechter van 5 november 2010 weergegeven gang van zaken met betrekking tot het niet mogen maken van geluidsopnamen van de zitting en de aanwezigheid van parketpolitie, ervan heeft beschuldigd op de echtscheidingszitting van 10 januari 2011 geluidsopnamen te willen maken, hetgeen verzoeker als incorrect en vooringenomen heeft opgevat. Bovendien was bij aanvang van de behandeling van het echtscheidingsverzoek ter zitting een bewaker aanwezig, hetgeen volgens verzoeker eveneens duidt op vooringenomenheid van de rechter. Immers, de aanwezigheid van bewaking is niet conform de normale gang van zaken tijdens dergelijke procedures en is kennelijk ingegeven door het beeld dat de wederpartij van verzoeker heeft geschetst, te weten dat verzoeker een agressief en bedreigend persoon zou zijn. Volgens verzoeker duidt de aanwezigheid van bewaking, zonder dat de rechter zich van de noodzaak daartoe zelf – na hoor en wederhoor – een oordeel had gevormd, op vooringenomenheid dan wel partijdigheid van de rechter. Ter zitting van 8 februari 2011 heeft verzoeker zijn standpunt voor wat betreft de bewaking nader gepreciseerd door te stellen dat de rechter, kennelijk ten gevolge van de insinuaties van de wederpartij, bang voor hem was, hetgeen aan een niet vooringenomen houding in de weg staat. Verzoeker heeft tot slot aangegeven dat hij zich als allochtoon steeds anders behandeld voelt en heeft gesteld dat hij dit van een rechter niet accepteert.

3. Beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien, geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.2 De rechter heeft bij brief van 14 januari 2011 schriftelijk verklaard en ter zitting toegelicht, dat haar direct voorafgaand aan de zitting door een beveiligingsmedewerker van de rechtbank werd gemeld dat verzoeker bij betreding van de ontvangstruimte van het gerechtsgebouw beeldopnames maakte en dat hij weigerde zijn opnameapparatuur in te leveren. De beveiliging had verzoeker aangeboden de apparatuur in een waardezak voor hem te bewaren tot na de zitting, waarna hij deze weer terug zou krijgen. Volgens de beveiligingsmedewerker protesteerde verzoeker daartegen heftig. Het inmiddels door de beveiliging ingeseinde hoofd veiligheidszaken kwam vervolgens eveneens naar de zittingszaal en heeft de rechter voorgesteld dat de apparatuur (ter zitting) in de waardezak zou blijven en dat hijzelf ter zitting aanwezig zou blijven. De rechter heeft aangegeven dat zij hiermee instemde en dat zij, wanneer dat mogelijk zou zijn, het hoofd beveiliging zou vragen de zittingszaal te verlaten, omdat – zoals haar was gebleken uit de weergave van de gang van zaken tijdens de zitting van de kinderrechter op 5 november 2010, verzoeker bezwaar had tegen de aanwezigheid van parketpolitie en dat de kinderrechter daarom destijds de beveiliging had verzocht de zittingszaal te verlaten. De rechter heeft verklaard dat zij voormelde maatregelen heeft genomen bij wijze van ordemaatregelen, gelet op de informatie die haar door de beveiliging was gegeven naar aanleiding van de gang van zaken bij de betreding van verzoeker van het gerechtsgebouw en – voor wat betreft de aanwezigheid van het hoofd veiligheidszaken ter zitting – mede gelet op de omstandigheid dat verzoeker niet werd bijgestaan door een advocaat, van wie een kalmerende invloed zou kunnen uitgaan. De rechter heeft daarbij aangegeven dat zij de verdere noodzaak van deze maatregelen wilde laten afhangen van de rust op de zitting. De rechter heeft voorts verklaard dat zij ervoer dat verzoeker boos en geladen was toen hij de zittingszaal betrad. De rechter heeft verzoeker vervolgens twee maal verzocht te gaan zitten om met hem – op ooghoogte – de ordemaatregelen te kunnen bespreken. Verzoeker weigerde echter te gaan zitten, hetgeen ertoe leidde dat ook het hoofd beveiliging bleef staan. Verzoeker heeft dit ter zitting van 8 februari 2011 beaamd, stellende dat hij niet wilde gaan zitten, omdat hij voor zijn gevoel op die manier zou toegeven aan de maatregelen van de rechter. De rechter heeft verklaard dat zij zag dat verzoeker steeds bozer werd, waarop zij besloot de aanwezigheid van de beveiliging vooralsnog te handhaven. Toen verzoeker daarop bleef protesteren tegen de aanwezigheid van de beveiliging en de verplichting de opnameapparatuur in een waardezak opgeborgen te laten, heeft de rechter verzoeker voor de keus gesteld om de apparatuur zichtbaar voor zich op tafel in de waardezak te laten ofwel de zaal te verlaten. Toen verzoeker de apparatuur vervolgens niet in de zak wilde laten liggen heeft de rechter hem gezegd de zaal te verlaten, hetgeen hij, begeleid door het hoofd beveiliging, heeft gedaan.

3.3 De rechter heeft in haar reactie op het wrakingsverzoek en in haar mondelinge toelichting aan de wrakingskamer uitgelegd waarom zij de omstreden ordemaatregelen heeft genomen, namelijk op grond van de door de beveiligingsambtenaren gegeven informatie van wat er voorafgaand aan de zitting is voorgevallen. Vooringenomenheid of schijn daarvan levert deze handelwijze niet op. Daarbij overweegt de wrakingskamer dat de maatregelen slechts de orde op de zitting en niet de inhoud van de zaak zelf betroffen; er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de rechter, ook na het treffen van de omstreden maatregelen, niet geheel onbevangen ten opzichte van verzoeker en de door hem aan te voeren argumenten zou staan. De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 Wijst het verzoek om wraking af.

4.2 Beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.

4.3 Beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.S. de Groot, voorzitter, en mrs. A.C. Terwiel en J.J. Dijk, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011 in tegenwoordigheid van M. Struijk als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.