Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP6414

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
10/5779
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU3718, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanspraak op nadeelcompensatie naar aanleiding van geluidszonering vierbanenstelsel is verjaard.

Aangezien het verzoek van eiser betrekking heeft op de vergoeding van schade, verzet de aard van de rechtsverhouding zich niet tegen de overeenkomstige toepassing van de verjaringsbepaling van artikel 3:310, eerste lid, van het BW. Artikel 3:310, eerste lid, BW in verbinding met artikel 3:326 van het BW, is dan ook op het onderhavige geschil van toepassing. In het debat tussen partijen zijn nog aan de orde geweest de Verordening Schadeschap luchthaven Schiphol, artikel 21 van het Aanwijzingsbesluit en de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat waarin bepalingen voorkomen over de tijdigheid van het indienen van verzoeken om schadevergoeding. Nu deze regelingen geen voor belanghebbenden gunstiger regiem bevatten dan het bepaalde in artikel 3:310, eerste lid, BW, heeft verweerder de vraag of het verzoek om schadevergoeding is verjaard terecht beantwoord aan de hand van het BW.

Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsvordering van eiser is verjaard.

Er is geen grond voor het oordeel dat in dit geval sprake is van specifieke omstandigheden die maken dat het tegenwerpen van verjaring in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 3 326
Luchtvaartwet
Luchtvaartwet 24
Luchtvaartwet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/5779

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 februari 2011

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. A.H.J. van den Biesen, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol,

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. B.P.M. van Ravels, werkzaam bij het Schadeschap luchthaven Schiphol.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2009 heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding toe te kennen vanwege het instellen van geluidszones voor het vierbanenstelsel in het Aanwijzingsbesluit van 23 oktober 1996 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 januari 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 november 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 januari 2011. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Hij werd vergezeld door mr. drs. J. Boomhouwer. Verweerder is even-eens verschenen bij gemachtigde. Deze zaak is tegelijkertijd behandeld met het beroep van [naam] (AWB 10/5401).

2. Overwegingen

2.1 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat het de bedoeling is dat het verweerschrift in de zaak van [naam] (AWB 10/5401) ook onderdeel uitmaakt van het onderhavige dossier. Nu de gemachtigde van eiser daarmee heeft ingestemd wordt het verweerschrift in de zaak [naam] toegevoegd aan het dossier.

2.2 De uitbreiding van Schiphol is vastgelegd in de Planologische Kernbeslissing (PKB) “Schiphol en omgeving”, deel vier, goedgekeurd door de Tweede en Eerste Kamer op respectievelijk 29 juni en 29 november 1995. De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben op 23 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 211) een Aanwijzingsbesluit genomen als bedoeld in artikel 27 jo. artikel 24 van de Luchtvaartwet, strekkende tot uitbreiding van het bestaande luchtvaartterrein (hierna: het Aanwijzingsbesluit).

2.3 Bij de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap luchthaven Schiphol (hierna: de Regeling) is het openbaar lichaam “Schadeschap luchthaven Schiphol” (hierna: het Schadeschap) ingesteld. Het Schadeschap is opgericht in verband met de behandeling van verzoeken tot schadevergoeding, als gevolg van de uitbreiding van de luchthaven Schiphol ten behoeve van de mainportfunctie, aan één loket.

2.4 In de Regeling zijn de bevoegdheid en werkwijze van het Schadeschap geregeld. De Regeling strekt er onder meer toe de schadevergoedingsbevoegdheden van de raden van de deelnemende gemeenten te delegeren aan het Schadeschap. De gemeenteraden hebben hun bevoegdheden ex artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) overgedragen, doch uitsluitend voor zover het schadeverzoeken betreft die betrekking hebben op de uitbreiding van Schiphol, zoals bepaald in het Aanwijzingsbesluit en de PKB. De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft zijn bevoegdheid tot het toekennen van schadevergoeding, zoals bepaald in artikel 21 van het Aanwijzingsbesluit, eveneens aan het Schadeschap gedelegeerd.

2.5 Ingevolge artikel 9, lid 3a, van de Regeling is het algemeen bestuur van het Schade-schap Luchthaven Schiphol (hierna: het algemeen bestuur), onverminderd het bepaalde in artikel 19, bij uitsluiting bevoegd terzake van de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 21 van het Aanwijzingsbesluit. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Regeling is het algemeen bestuur bevoegd de in artikel 9 genoemde bevoegdheden over te dragen aan de besliscommissie. Bij besluit van 14 januari 1999 heeft het algemeen bestuur deze bevoegdheden aan de besliscommissie overgedragen.

2.6 Artikel 21 eerste lid van het Aanwijzingsbesluit bepaalt dat aan degene die door dit besluit schade lijdt of zal lijden op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Het tweede lid, van artikel 21 van het Aanwijzingsbesluit bepaalt dat op de behandeling van het verzoek het bepaalde in de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat van overeenkomstige toepassing is.

2.7 Artikel 12, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat 1999 bepaalt dat het verzoek om schadevergoeding bij de minister wordt ingediend zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is.

Ingevolge het tweede lid kan de minister het verzoek afwijzen indien vijf jaren zijn verlopen na aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de omstandigheid dat deze schade is veroorzaakt door een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bekend is en ieder geval na verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

2.8 Het geschil betreft de afwijzing door verweerder van het verzoek van eiser om schade-vergoeding voor zover dat ziet op het instellen van geluidszones voor het vierbanen-stelsel als aangegeven in het Aanwijzingsbesluit naar aanleiding waarvan eiser stelt hinder te ondervinden.

2.9 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf het moment van het in rechte onaantastbaar worden van het Aanwijzingsbesluit als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 16 oktober 2002 (LJN: AE8789), een periode van 5 jaar de gelegenheid heeft gehad om ‘tijdig’ een verzoek in te dienen voor vergoeding van schade ontstaan door vaststelling van geluidszones in het Aanwijzingsbesluit voor het in dat besluit begrepen vierbanenstelsel. Eiser heeft zijn verzoek om nadeelcompensatie buiten deze termijn ingediend zodat deze aanspraak door tijdsverloop is verjaard en moet worden afgewezen.

2.10 In het bestreden besluit heeft verweerder een aantal grondslagen genoemd die volgens verweerder het beroep op verjaring ieder voor zich kunnen dragen. Verweerder heeft onder meer gewezen op het bepaalde in artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), bezien in samenhang met de schakelbepaling neergelegd in artikel 3:326 BW. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bepalingen van titel 11 van boek 3 van het BW gelet op deze schakelbepaling ook in bestuursrechtelijke rechtsverhoudingen van toepassing zijn.

2.11 Eiser kan zich om meerdere redenen niet verenigen met het standpunt dat de vordering uit hoofde van nadeelcompensatie is verjaard. Hij vindt dat verweerder zijn verzoek alsnog inhoudelijk dient te behandelen. Daartoe voert hij aan dat hem geen verjaringstermijn kan worden tegengeworpen omdat een formeel wettelijke basis ont-breekt.

2.12 Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, van het BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

2.13 Artikel 3:326 van het BW bepaalt dat de bepalingen van titel 11 van boek 3 van het BW, waar artikel 3:310 van het BW deel van uitmaakt, overeenkomstige toepassing vinden buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.

2.14 Aangezien het verzoek van eiser betrekking heeft op de vergoeding van schade, verzet de aard van de rechtsverhouding zich niet tegen de overeenkomstige toepassing van de verjaringsbepaling van artikel 3:310, eerste lid, van het BW. Artikel 3:310, eerste lid, BW in verbinding met artikel 3:326 van het BW, is dan ook op het onderhavige geschil van toepassing. In het debat tussen partijen zijn nog aan de orde geweest de Verordening Schadeschap luchthaven Schiphol, artikel 21 van het Aanwijzingsbesluit en de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat waarin bepalingen voorkomen over de tijdigheid van het indienen van verzoeken om schadevergoeding. Nu deze regelingen geen voor belanghebbenden gunstiger regiem bevatten dan het bepaalde in artikel 3:310, eerste lid, BW, heeft verweerder de vraag of het verzoek om schadevergoeding is verjaard terecht beantwoord aan de hand van het BW.

2.15 Niet in geschil is dat eiser reeds ten tijde van de totstandkoming van het Aanwijzingsbesluit bekend was met de schade en dat hij daarvoor verweerder aansprakelijk kon stellen. Voorts staat vast dat eiser gerekend vanaf de datum van het in rechte onaantastbaar worden van het Aanwijzingsbesluit op 17 oktober 2002 niet binnen vijf jaar een verzoek om schadevergoeding heeft ingediend. Het verzoek is door verweerder immers op 24 augustus 2009 ontvangen. Derhalve heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsvordering van eiser is verjaard.

2.16 De gemachtigde van eiser heeft gemotiveerd betoogd dat het niet redelijk is eiser een verjaringstermijn van vijf jaar tegen te werpen, omdat verweerder gedurende de periode van vijf jaren na 17 oktober 2002 en ook nog daarna in de veronderstelling verkeerde dat verzoeken om schadevergoeding naar aanleiding van de geluidszonering van het vierbanenstelsel niet behoefden te worden gehonoreerd en verweerder dit standpunt ook naar buiten toe met zoveel woorden heeft uitgedragen.

2.17 Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 26 november 2004 (LJN:AR1739), 5 januari 2007 (LJN:AY8771) en 9 oktober 2009 (LJN:BJ4850). Uit deze arresten volgt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310, eerste lid, van het BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. Dat betekent -aldus de Hoge Raad- niet dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn vereist is dat de benadeelde -behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijk persoon- daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Dat eiser zich mogelijk niet heeft gerealiseerd dat een verzoek om schadevergoeding naar aanleiding van de geluidszonering van het vierbanenstelsel kon worden ingediend bij verweerder, staat niet in de weg aan de aanvang van de verjaringstermijn op 17 oktober 2002.

2.18 Verweerder erkent dat hij zich in de periode van vijf jaren na 17 oktober 2002 en ook nog daarna tot de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2008 (LJN: BC9040) op het standpunt heeft gesteld dat vorderingen als de onderhavige konden worden afgewezen en dat hij dit standpunt ook heeft uitgedragen. Dat betekent volgens de rechtbank echter nog niet dat eiser door toedoen van verweerder is afgehouden van het indienen van een aanvraag voor 17 oktober 2007. Dat daarvan sprake zou zijn, heeft eiser niet gesteld en ook overigens heeft de rechtbank daarvoor geen aanknopingspunten gevonden. In het -ook door eiser gebruikte- standaardaanvraagformulier worden de besluiten opgesomd, waaronder ook het Aanwijzingsbesluit, die door de aanvrager kunnen worden aangewezen als schadeveroorzakend besluit. Verweerder heeft er verder op gewezen dat vele anderen bij de indiening van hun schadeverzoek voor 17 oktober 2007 (ook) het Aanwijzingsbesluit als schadeveroorzakend besluit hebben aangewezen, ondanks het feit dat verweerder toen nog de opvatting was toegedaan dat dit verzoek bij voorbaat kansloos was. Niet valt in te zien dat eiser niet, net als vele anderen hebben gedaan, al voor 17 oktober 2007 zijn verzoek om schadevergoeding in verband met van het Aanwijzingsbesluit bij verweerder had kunnen indienen.

2.19 Voorts heeft de gemachtigde van eiser betoogd dat de verjaringstermijn niet in redelijkheid aan eiser kon worden tegengeworpen omdat verweerder heeft nagelaten hem adequaat te informeren dat er een verjaringstermijn liep.

2.20 Namens verweerder is betoogd dat deze beroepsgrond eerst in beroep, in strijd met de goede procesorde is aangevoerd en daarom buiten beschouwing dient te worden gelaten.

2.21 De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Er is geen rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan in beroep niet voor het eerst een beroepsgrond zou mogen worden aangevoerd gericht tegen een besluit waartegen tijdig is opgekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond echter niet. Er is evenmin een rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan verweerder eiser over de in het BW neergelegde verjaringstermijn afzonderlijk en uitdrukkelijk had moeten informeren. De bepalingen van het BW mogen immers bij een ieder bekend worden verondersteld.

2.22 Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat in dit geval sprake is van specifieke omstandigheden die maken dat het tegenwerpen van verjaring in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

2.23 Tot slot heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat het beroep op verjaring door verweerder strijd oplevert met artikel 1 van het Eerste Protocol behorende bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), welk artikel het recht op ongestoord genot van eigendom beschermt.

2.24 Artikel 1 van het Eerste Protocol behorende bij het EVRM biedt geen grond voor het oordeel dat voor het inroepen van de in deze bepaling bedoelde bescherming een beperking in tijd door toepassing van een verjaringstermijn van vijf jaar voor een schadevergoedingsvordering als disproportioneel, onevenredig bezwarend of kennelijk onredelijk moet worden beschouwd. Derhalve faalt het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol behorende bij het EVRM.

2.25 Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. W.J.A.M van Brussel en mr. drs. L. Beijen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.