Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP6173

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
161771 - HA ZA 09-1365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een in februari 2000 gestolen kampeerauto wordt, na te zijn omgekat, in de handel gebracht. De gesubrogeerde verzekeraar vordert van de handelaar, die de omgekatte kampeerauto in april 2004 aan een particuliere koper zou hebben verkocht, de verkoopprijs waarvoor de kampeerauto aan deze koper is verkocht. De verzekeraar doet hierbij een beroep op ongerechtvaardigde verrijking, gebaseerd op artikel 3:86 lid 3 BW. De vordering wordt afgewezen omdat de revindicatietermijn van 3 jaar - gerekend vanaf de dag van de diefstal - is verstreken. Uitleg van het begrip ongerechtvaardigde verrijking in het kader van artikel 3:86 lid 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 5 januari 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 161771 / HA ZA 09-1365 van

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. Ph. Ekering te Rotterdam,

tegen

[A],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. D.D.M. Rinkel te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 167511 / HA ZA 10-381 van

[A],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. D.D.M. Rinkel te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOEKELAAR JUNIOR B.V.,

gevestigd te Velserbroek, gemeente Velsen,

gedaagde,

advocaat mr. B.G. Baljet te Velsen-Zuid.

Partijen zullen hierna ASR, [A] en Boekelaar genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 3 februari 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 21 oktober 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 mei 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 21 oktober 2010.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. Boekelaar handelt in caravans.

3.2. [A] voerde tot oktober 2006 de vennootschap onder firma ‘Caravanbedrijf [A]’.

3.3. Op 28 februari 2000 is de kampeerauto van [B] (hierna: [B]) met kenteken [kenteken 1] gestolen.

3.4. ASR is als verzekeraar gesubrogeerd in de rechten van [B].

3.5. Op 23 maart 2004 heeft Boekelaar een kampeerauto met het kenteken [kenteken 2] gekocht van [C]. Deze kampeerauto is kort daarna op het terrein van het caravanbedrijf van [A] geplaatst.

3.6. Op 6 april 2004 heeft [D] (hierna: [D]) de kampeerauto met het kenteken [kenteken 2], die op het bedrijfsterrein van de [A] stond, gekocht voor een bedrag van € 13.500,00. [A] heeft terzake van deze kampeerauto een bedrag van

€ 12.500,00 aan Boekelaar betaald.

3.7. De voertuighistorie van de kampeerauto met het kenteken [kenteken 2] vermeldt onder meer de volgende elkaar opvolgende tenaamstellingen:

17/02/04 – [C] (...)

23/03/04 – Boekelaar Junior B.V. (...)

06/04/04 – [D] (...)

3.8. [D] kreeg op enig moment nadat hij de kampeerauto had gekocht twijfels over de herkomst ervan. Op 5 april 2005 is hij naar de RDW gegaan. Een medewerker van de RDW ontdekte dat het originele chassisnummer onder een laag plamuur was weggewerkt en dat daarboven het chassisnummer behorende bij kenteken [kenteken 2] was aangebracht. Het originele chassisnummer bleek te behoren bij de van [B] gestolen kampeerauto met kenteken [kenteken 1].

3.9. ASR heeft [A] per brief, gedateerd 23 januari 2006, onder meer het volgende bericht:

Uit onze gegevens blijkt dat u op/omstreeks 6 april 2004 een kampeerauto voorzien van het kenteken [kenteken 2] heeft verkocht aan de heer [D].

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de door u verkochte kampeerauto voorzien was van een vals kenteken en een vals chassisnummer. Het kenteken van de kampeerauto moet zijn [kenteken 1] (...). Deze auto werd op 28 februari 2000 gestolen en door betaling aan onze verzekerde van € 24.368,00 zijn wij eigenaar geworden van de kampeerauto.

Aangezien terugvorderen van de kampeerauto van de heer [D] op grond van wettelijke bepalingen niet mogelijk is stellen wij u op grond van ongerechtvaardigde verrijking (...) aansprakelijk voor onze schade.

Wij zijn gerechtvaardig de door u ontvangen koopprijs ad. € 13.500,00 op u te verhalen.

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. ASR vordert – samengevat – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [A] tot betaling van € 18.410,55 vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 13.500,00 vanaf 15 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [A] in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.2. [A] voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.4. [A] vordert - samengevat - dat Boekelaar wordt veroordeeld om aan [A] te betalen al hetgeen waartoe [A] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van Boekelaar in de kosten van de vrijwaring.

4.5. Boekelaar voert verweer.

4.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1. ASR vordert in hoofdsom een bedrag van € 13.500,00 van [A]. Primair betoogt ASR dat [A] ongerechtvaardigd is verrijkt met dit bedrag, zijnde de koopsom die [D] aan [A] voor de gestolen kampeerauto heeft betaald. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft ASR onder meer verwezen naar verschillende uitspraken betreffende artikel 3:86 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). ASR heeft tijdens de comparitie voorts aangevoerd dat zij subsidiair, voor het geval een beroep op ongerechtvaardigde verrijking niet mocht slagen, onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag legt, daarbij stellend dat van een autohandelaar verwacht mag worden dat hij gedegen onderzoek doet.

5.2. [A] heeft als verweer onder meer aangevoerd dat hij de kampeerauto slechts in consignatie had genomen voor Boekelaar en dat hij slechts als bemiddelaar voor Boekelaar is opgetreden bij de verkoop van de kampeerwagen aan [D]. [A] wijst in dit verband onder meer op het feit dat de kampeerauto in het kentekenregister nooit op zijn naam heeft gestaan, maar volgens dit register rechtstreeks van Boekelaar naar [D] is overgegaan. Het voorgaande impliceert volgens [A] dat niet hij, maar Boekelaar de kampeerauto aan [D] heeft verkocht en dat hij, nu hij slechts als bemiddelaar optrad, ook geen nader onderzoek naar de kampeerauto had hoeven doen.

5.3. De rechtbank zal eerst bezien of de grondslag die ASR primair aan haar vordering ten grondslag legt, te weten ongerechtvaardigde verrijking, kan slagen.

5.4. De rechtbank begrijpt dat ASR het beroep op ongerechtvaardigde verrijking baseert op artikel 3:86 lid 3 BW. Artikel 3:86 lid 3 BW bepaalt dat de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom bij de verkrijger kan opeisen, ook indien deze te goeder trouw is. Artikel 3:86 lid 3 sub a maakt hierop een uitzondering voor het geval waarin de verkrijger een particulier is die de zaak heeft gekocht in de voor een dergelijke zaak normale handel (waar hij geen gestolen goederen hoeft te verwachten). Als deze uitzondering zich voordoet, en de zaak dus niet van de particulier gerevindiceerd kan worden, kan de bestolene - of, in geval van subrogatie, diens verzekeraar - de door de particulier aan de handelaar betaalde koopsom uit ongerechtvaardigde verrijking van de handelaar vorderen, ook als deze handelaar te goeder trouw is. De achterliggende gedachte is dat de handelaar is verrijkt doordat hij door verkoop van de zaak aan de particulier de op artikel 3:86 lid 3 BW gegronde opvordering van de gestolen zaak onder zichzelf illusoir heeft gemaakt. De opbrengst van de verkoop is, in de verhouding van de handelaar tot de bestolene, aldus ongerechtvaardigd aan de handelaar toegekomen. De rechtbank stelt vast dat een beroep op ongerechtvaardigde verrijking op grond van artikel 3:86 lid 3 BW alleen kan slagen indien de gestolen zaak van de handelaar - indien hij deze niet aan de particulier zou hebben verkocht - wèl gerevindiceerd had kunnen worden (zie onder andere de parlementaire geschiedenis, M.O. II Inv. Parl. Gesch. Boek 3, Antwoord van de Minister, bladzijde 1220/1). Dit houdt in dat dit beroep op ongerechtvaardigde verrijking alleen opgaat indien de bestolene - of diens verzekeraar - de handelaar binnen drie jaar na de dag van de diefstal aanspreekt. Deze termijn van drie jaar is een vervaltermijn, zodat de rechter deze ook ambtshalve kan toepassen.

5.5. Tussen ASR en [A] is niet in geschil dat de kampeerauto is gestolen op 28 februari 2000. Daarnaast staat vast dat ASR [A] voor het eerst per brief van 23 januari 2006 heeft aangesproken terzake van de schade ter hoogte van de door [D] betaalde koopsom van € 13.500,00. Nu deze aansprakelijkstelling op grond van ongerechtvaardigde verrijking heeft plaatsgevonden ruim na de in artikel 3:86 lid 3 bepaalde revindicatietermijn van drie jaar - gerekend vanaf de dag van de diefstal - kan de vordering van ASR, voor zover die is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, om deze reden al niet slagen. Nu de stelling van ASR dat [A] ongerechtvaardigd is verrijkt reeds hierom faalt, hoeft de vraag of [A] als verkoper of slechts als bemiddelaar voor Boekelaar is opgetreden in het kader van de primaire stelling van ASR niet nader te worden onderzocht.

5.6. ASR heeft ter comparitie subsidiair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van een onrechtmatige daad van [A]. ASR heeft daartoe aangevoerd “dat van een autohandelaar gedegen onderzoek verwacht mag worden”.

5.7. De rechtbank overweegt hieromtrent dat ASR onvoldoende concreet heeft gemaakt wat zij [A] nu precies verwijt. De enkele stelling dat van een autohandelaar mag worden verwacht dat hij gedegen onderzoek doet, is in dit verband volstrekt onvoldoende. Nu ASR heeft nagelaten om haar stelling dat sprake is van onrechtmatig handelen nader te concretiseren, heeft zij niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan. Dit heeft tot gevolg dat de vordering, voor zover die is gegrond op onrechtmatige daad, zal worden verworpen. Nu het beroep op onrechtmatige daad reeds om deze reden faalt, kan ook hier de vraag of [A] als bemiddelaar of als verkoper is opgetreden in het midden blijven.

5.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vorderingen van ASR moeten worden afgewezen.

5.9. ASR zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De door [A] in de hoofdzaak gemaakte kosten worden begroot op:

- vast recht 405,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.309,00

5.10. De door [A] gevorderde nakosten zullen eveneens worden toegewezen.

5.11. Nu [A] voldoende belang had bij het instellen van de vordering in vrijwaring, dient ASR ook te worden veroordeeld in de kosten van het vrijwaringsincident van € 452,00 en in de voor rekening van [A] komende proceskosten en nakosten van de zaak in vrijwaring.

in de vrijwaringszaak

5.12. Nu de vordering in de hoofdzaak niet toewijsbaar is gebleken, moet de vordering in de zaak in vrijwaring worden afgewezen.

5.13. In de zaak in vrijwaring moet [A] worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en in de proceskosten worden verwezen. De kosten aan de zijde van Boekelaar worden begroot op:

- vast recht € 405,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.309,00

5.14. De door Boekelaar gevorderde nakosten zullen eveneens worden toegewezen.

5.15. De kosten aan de zijde van [A] in de vrijwaringszaak worden begroot op:

- explootkosten € 87,93

- salaris advocaat 678,00 (1,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 765,93

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt ASR in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 1.761,00,

6.3. veroordeelt ASR tevens in de nakosten, aan de zijde van [A] bepaald op

€ 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,00 voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

6.4. veroordeelt ASR in de voor rekening van [A] komende kosten van de zaak in vrijwaring ten bedrage van € 765,93 voor [A] en € 1.309,00 voor Boekelaar, alsmede de nakosten van Boekelaar ten bedrage van € 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van het vonnis in heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,00 voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

6.5. verklaart de veroordelingen onder 6.2, 6.3 en 6.4 uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak in vrijwaring

6.6. wijst de vorderingen af,

6.7. veroordeelt [A] in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van Boekelaar tot op heden begroot op € 1.309,00,

6.8. veroordeelt [A] tevens in de nakosten, aan de zijde van Boekelaar bepaald op

€ 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,00 voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

6.9. verklaart de veroordelingen onder 6.7. en 6.8 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J.M. Burg en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2011.?