Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP6077

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
15-996536-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal houdende beslissingen op gevoerde preliminaire verweren inzake het onderzoek Klimop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/996536-06 ([Verdachte 1]) en anderen

Proces-verbaal van het verhandelde op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2011, voor zover inhoudende de beslissingen op de preliminaire verweren.

[...]

De voorzitter deelt de beslissingen van de rechtbank mede en voert daartoe - zakelijk weergegeven - als volgt het woord.

Het standpunt dat van de zijde van de verdediging is ingenomen tijdens de behandeling ter terechtzitting op 7 en 10 februari 2011 heeft enige accentwisselingen gekend. Aanvankelijk werden naast het primair gedane beroep op de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging subsidiair enkele (nieuwe) onderzoekswensen geformuleerd en werd (opnieuw) om voeging van stukken verzocht. In de loop van de gedachtevorming is betoogd dat de rechtbank zonder de subsidiair verzochte onderzoekshandelingen toe te staan, nog geen beslissing zou kunnen nemen op het verzoek het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

De verzochte onderzoekshandelingen betreffen allereerst het verzoek om met het oog op het achterhalen van de identiteit van de opsteller van de zogenoemde anonieme notitie, aangetroffen in de map “Intern Strategisch Overleg” die deel uitmaakte van het controledossier inzake [Rechtspersoon 1], eerst ter terechtzitting een viertal getuigen te horen, te weten [Getuige 1, Getuige 2, Getuige 3 en Getuige 4] (verzender van een e-mail bericht van 27 mei 2005 met betrekking tot de aangiften vennootschapsbelasting 2002 en 2003 van [Rechtspersoon 2]). Daarnaast zou de rechtbank het openbaar ministerie dienen op te dragen al het mogelijke in het werk te stellen om de opsteller van deze anonieme notitie te achterhalen teneinde deze over de inhoud daarvan te kunnen ondervragen. Tevens verzoekt de verdediging de rechtbank, te bevelen de zogenoemde SO-/TPO stukken, waaronder het OI-rapport, aan het procesdossier toe te voegen om te kunnen beoordelen enerzijds wanneer in het onderzoek voor het eerst sprake was van een verdenking van (fiscale) strafbare feiten en anderzijds hoe ver de opsporing ten tijde van het TPO al gevorderd was en in hoeverre het openbaar ministerie invulling heeft gegeven aan zijn verantwoordelijkheid voor de verrichtingen van de opsporingsambtenaren van de FIOD. Tot slot is verzocht om voeging in het dossier van de vragenbrief van 31 augustus 2007 die door [Getuige 2] kennelijk aan de gemachtigde van [Verdachte 1] is verstuurd.

Haar standpunt dat aan de beantwoording van die vraag eerst nog nader onderzoek vooraf zou moeten gaan, laat onverlet dat de verdediging het beroep op de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie – doordat het ernstig inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten aan hun recht op een eerlijke behandeling van hun zaak is tekortgedaan – reeds uitvoerig heeft onderbouwd. Het desbetreffende betoog valt als volgt weer te geven.

Op basis van feiten en omstandigheden kan objectief worden vastgesteld dat eind mei 2005 ten aanzien van enkele (rechts)personen – onder wie [Verdachte 1] – een verdenking ter zake van commune strafbare feiten bestond. Gesteld wordt dat de feiten en omstandigheden die tot die verdenking leidden, bekend waren bij de Belastingdienst en de FIOD/ECD en kennelijk ook als zodanig werden gewaardeerd. Gewezen wordt daarbij onder meer op de inhoud van de notitie van [Getuige 5] (D-225), de inhoud van het dossier dat deze in de zaak [Rechtspersoon 3] heeft aangelegd en de inhoud van de zogenoemde “anonieme aantekeningen”. Andersluidende verklaringen van de betrokkenen moeten in het licht daarvan voor onjuist worden gehouden.

Op de wijze als uiteengezet in de anonieme aantekeningen – zo luidt samengevat het betoog – wordt vanuit de bestaande verdenkingen een fiscaal controleonderzoek gestart, terwijl strafvordering aan de orde had moeten komen. Deze gekozen weg heeft er toe geleid dat de ambtenaren van de Belastingdienst zonder opsporingsbevoegdheid zich vanaf eind mei 2005 in opdracht van dan wel in nauwe en bewuste samenwerking met (ambtenaren van) de FIOD/ECD hebben bezig gehouden met opsporingsonderzoek. Zonder dat sprake was van relevante fiscale belangen hebben die ambtenaren van de Belastingdienst hun fiscale controlebevoegdheden (uit de artikelen 47 tot en met 56 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) uitsluitend dan wel grotendeels, althans mede aangewend ten behoeve van een opsporingsonderzoek naar commune strafbare feiten, in het bijzonder het in artikel 328ter Wetboek van Strafrecht (Sr) omschreven strafbare feit. Daarmee is reeds vanaf eind mei 2005 sprake van een opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a Wetboek van Strafvordering (Sv) dan wel – als het geen opsporingsonderzoek moet worden genoemd – van ongewenst en onbehoorlijk overheidsoptreden, dat zich afspeelt in een ongenormeerd vacuüm tussen de linies van bestuursrecht en strafvordering. Een zodanige structurele inzet van exclusieve controlebevoegdheden ten behoeve van de opsporing van commune strafbare feiten moet worden gekwalificeerd als een buitenwettelijke, ontoelaatbare en oncontroleerbare opsporingsmethode en levert voorts misbruik van deze bevoegdheden en van recht (détournement de pouvoir) op.

Het misbruik van fiscale controlebevoegdheden door ambtenaren van de Belastingdienst kan in de visie van de verdediging aan het openbaar ministerie worden tegengeworpen aangezien in casu feitelijk onderzoekshandelingen plaatsvonden die gericht waren op het nemen van strafvorderlijke beslissingen (en dus te kwalificeren waren als opsporingshandelingen) ten gevolge waarvan de officier van justitie – in de formulering van het huidige artikel 132a Sv – het gezag daarover verkrijgt. Het openbaar ministerie dient in dergelijke gevallen alert te zijn teneinde oncontroleerbaar en onbehoorlijk overheidsoptreden te voorkomen. De officier van justitie zal dan ook niet slechts oog dienen te hebben voor zijn opsporingsambtenaren: hij dient vanwege zijn gezag over de opsporing er ook alert op te zijn dat hij voldoende wordt betrokken bij (toezichts)activiteiten die op enig moment als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen kunnen hebben en hij dient in dat kader met het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor het toezicht tot afstemming te komen. In de zaak Klimop is van die betrokkenheid en afstemming niet gebleken. Dat ambtenaren van de Belastingdienst feitelijk actief waren als opsporingsambtenaar had het openbaar ministerie moeten onderkennen en moeten ondervangen, hetzij door [Getuige 2 en Getuige 1] opsporingsbevoegdheid te geven hetzij door opsporingsambtenaren met de bijbehorende bevoegdheid in te zetten.

Zeker nu bekend is geworden dat reeds vanaf oktober 2005 contacten hebben plaatsgevonden met het Functioneel parket in ’s Hertogenbosch, valt niet meer vol te houden, dat de opsporing en daarmee de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie pas is aangevangen in september 2006.

De gevolgen van de geschetste gang van zaken zijn ernstig, aldus de verdediging: in strijd met de verbaliseringsplicht als bedoeld in artikel 152 Sv heeft geen verslaglegging plaatsgevonden van de onderzoekshandelingen die door het openbaar ministerie zijn gekwalificeerd als controlehandelingen; de cautie (artikel 29 Sv) bij mondelinge gesprekken met belastingplichtigen – tevens zijnde verdachten – is achterwege gebleven en verdachten zijn keer op keer verplicht tot het samenstellen en toelichten van verzamelingen documenten, waaronder zich ook geheimhoudersstukken bevonden.

In enkele afzonderlijke zaken is het tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidend betoog, dat in alle ter terechtzitting aan de orde zijnde zaken is gehouden en hierboven door de rechtbank in samengevatte vorm is weergegeven, nog aangevuld met specifieke – de afzonderlijke verdachte betreffende – aandachtspunten. Aan deze punten, die dienden ter ondersteuning van het verweer tot niet-ontvankelijkheid, besteedt de rechtbank in het kader van deze beslissing geen afzonderlijke aandacht.

Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen het horen van de door de verdediging verzochte getuigen ter terechtzitting alsook tegen het voegen van de gevraagde stukken aan het strafdossier nu daartoe naar zijn mening onvoldoende verdedigingsbelang aanwezig is.

Van die zijde is hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

[Getuige 1, Getuige 2 en Getuige 3] zijn – ook omtrent de zogenoemde “anonieme notitie” – al uitgebreid in het kabinet van de rechter-commissaris gehoord, zodat niet valt in te zien wat een getuigenverklaring ter terechtzitting hieraan nog zou kunnen toevoegen. Door de verdediging is ook niet aannemelijk gemaakt waarom de door deze getuigen in het kabinet van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet geloofwaardig zouden zijn.

De anonieme notitie bevat geen bewijs voor het bestaan van een strafrechtelijke verdenking zoals door de verdediging wordt gesteld. In de notitie kan gelezen worden dat mogelijk sprake is van ambtelijke corruptie en dat er een onderzoek ex artikel 53 AWR zal worden ingesteld bij [Benadeelde partij 1] en vervolgens bij [Rechtspersoon 1], maar dat was niets nieuws. Het kopje Controle 3 slaat op een onderzoek waarvan op het moment van het schrijven van de notitie niet vaststond dat deze zou worden gehouden en het woordje meer in meer volgend en gericht op ondersteuning van de Fiod kan er alleen maar op duiden dat het de bedoeling was om de beoogde controle meer volgend en gericht op ondersteuning van de Fiod te maken. Dus meer dan in andere onderzoeken het geval was. Het openbaar ministerie acht het onnodig om nader onderzoek te doen naar de opsteller van de anonieme notitie, nu de enige redelijkerwijs mogelijke methode van onderzoek daarnaar al is gevolgd en dit onderzoek niets heeft opgeleverd.

Met betrekking tot het verzoek het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging te verklaren stellen de officieren van justitie zich op het standpunt dat dit verzoek dient te worden afgewezen, alleen al omdat het openbaar ministerie op grond van de definitie in artikel 132a Sv uitsluitend verantwoordelijk is voor de opsporing voor zover deze onder zijn leiding wordt uitgevoerd naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan en met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Vanaf het moment dat een TPO-besluit is genomen om een officier van justitie aan het onderzoek te koppelen, is sprake van opsporing zoals in dit artikel wordt bedoeld en niet eerder. Voorts dient het opsporingsonderzoek te worden uitgevoerd door (buitengewone) opsporingsambtenaren. De controleambtenaren van de Belastingdienst beschikken niet over opsporingsbevoegdheid tenzij zij te dien einde beëdigd zijn. Het openbaar ministerie heeft dientengevolge geen gezag over deze controlemedewerkers. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen beweerdelijke fouten of normschendingen door deze controlemedewerkers gepleegd niet aan het openbaar ministerie worden tegengeworpen en dus ook niet leiden tot zijn niet-ontvankelijkheid.

Allereerst stelt de rechtbank ten aanzien van de ter terechtzittingen van 7 en 10 februari 2011 door de verdediging gevoerde verweren vast dat strikt genomen geen sprake meer is van preliminaire verweren in de zin van het bepaalde in artikel 283 Sv, aangezien deze verweren zijn gevoerd nádat de desbetreffende zaken zijn voorgedragen als bedoeld in artikel 284 Sv en inmiddels ook al een tweetal regiezittingen heeft plaatsgevonden. Niettemin zal de rechtbank de thans gevoerde preliminaire verweren wel als zodanig beoordelen, nu in de wettelijke regeling niet is voorzien in de mogelijkheid dat in artikel 283 Sv bedoelde kwesties kunnen opkomen naar aanleiding van door de rechtbank op een regiezitting opgedragen onderzoek, terwijl het met dit artikel beoogde doel – bij gegrondverklaring van het verweer voorkomen dat zittingstijd wordt verspild en het niet meer dan nodig belasten van een verdachte met het in het openbaar terechtstaan – op deze wijze wordt bereikt. De verdediging en het openbaar ministerie hebben zoals blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting, de door de rechtbank gegeven uitleg aan artikel 283 Sv ook op die manier opgevat.

Deze uitleg maakt ook dat de rechtbank aanleiding ziet eerst een beslissing te nemen aangaande de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Als daartoe dan nog aanleiding bestaat, zal op de overige verzoeken van de verdediging daarna worden beslist.

In artikel 359a lid 1 sub c Sv is bepaald dat de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, kan bepalen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

Blijkens artikel 132 Sv wordt met het voorbereidend onderzoek bedoeld het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat. Onder dit voorbereidend onderzoek wordt verstaan het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en het strafrechtelijk financieel onderzoek.

In artikel 132a van ditzelfde wetboek wordt gedefinieerd wat onder opsporingonderzoek moet worden verstaan: het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.

Vóór 2 november 2006 luidde dit artikel als volgt: “Onder opsporingsonderzoek wordt verstaan het onderzoek onder leiding van de officier van justitie naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan (…) met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen”. De wijziging van deze definitie diende om ook het onderzoek naar aanleiding van aanwijzingen dat een terroristisch misdrijf wordt gepleegd onder het opsporingsbegrip te brengen. Voorts werd de oude formulering “onder leiding van de officier van justitie” vervangen door de formulering “onder gezag van de officier van justitie” om aan te geven dat de officier van justitie niet in alle gevallen feitelijk het onderzoek zou behoeven te leiden maar dat deze het gezag kan uitoefenen door het opsporingsonderzoek op gepaste afstand te sturen en de uiteindelijke verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. Het gaat hier dus met name om het dragen van verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek door de officier van justitie.

Welke ambtenaren naast de ambtenaren van politie bevoegd zijn tot het opsporen van strafbare feiten en dus onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie vallen is te vinden in artikel 141 Sv. Met de inwerkingtreding van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten op 1 juni 2007 werd artikel 141 aangevuld met onderdeel d. waarin als categorie is vermeld: de ambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Hieronder vallen de rechercheurs van de FIOD. Zij ontlenen hun opsporingsbevoegdheid – anders dan voordien – dus niet meer aan artikel 142 Sv, dat het oog heeft op buitengewone opsporingsambtenaren en waarvan de hier relevante passage te vinden is in lid 1 sub c, regelend dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast “de personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten worden belast (met uitzondering van de in artikel 141 sub d bedoelde opsporingsambtenaren) een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd”. Door de minister van Justitie kan worden bepaald dat de opsporingsbevoegdheid van deze personen zich ook uitstrekt over andere strafbare feiten (art. 142 lid 3 Sv). De opsporingsbevoegdheid van controleambtenaren van de Belastingdienst en daarmee de verantwoordelijkheid van de officier van justitie zijn derhalve afhankelijk van een voorafgaande beëdiging. Die verantwoordelijkheid berust niet rechtstreeks op de wet.

Kan het niettemin zo zijn dat de officier van justitie voor het handelen van deze controleambtenaren – bijvoorbeeld omdat zij (onterecht) opsporingshandelingen zouden hebben verricht en de resultaten van deze opsporingshandelingen in het strafrechtelijk onderzoek als bewijsmateriaal worden gepresenteerd – toch verantwoordelijk dient te worden gehouden?

De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 5 september 2006, NJ 2007, 336 in zijn aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwingen, onder meer (4.7.1):

“Ten aanzien van de vraag of en in hoeverre consequenties kunnen of moeten worden verbonden aan onregelmatigheden in het onderzoek door een inlichtingen- en veiligheidsdienst geldt het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376, geoordeeld dat aan de toepassing van artikel 359a Sv beperkingen zijn gesteld. De toepassing van artikel 359a Sv is allereerst beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis begrepen normschendingen bij de opsporing. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek. Een onderzoek door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vindt plaats buiten verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie en valt buiten dat verband.”

Op het zevende middel oordeelt de Hoge Raad als volgt: “Uit de WIV 1987 en de hiervoor in de voorafgaande beschouwingen weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat bevoegdheden van de BVD niet mogen worden aangewend voor strafvorderlijke doeleinden. Het Hof heeft geoordeeld dat op geen enkele wijze is gebleken dat het openbaar ministerie de grenzen die aan de opsporing door de politie zijn gesteld, heeft willen omzeilen. Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat het openbaar ministerie al eerder op de hoogte was gesteld van het BVD-onderzoek kan daaraan, anders dan in het middel wordt aangevoerd, niet afdoen.”

Van belang is voorts het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2006, NJ 2006, 653 (Zigeunervrouwenarrest). Hierin overweegt de Hoge Raad: “Aan de rechtmatigheid van de uitoefening van deze controlebevoegdheid (op grond van artikel 160 WVW1994, rb) kan de enkele omstandigheid dat, zoals in de toelichting op het middel is gesteld, die bevoegdheid is aangewend naar aanleiding van informatie die zou kunnen wijzen op betrokkenheid van een of meer inzittenden van het voertuig bij enig strafbaar feit, niet afdoen. Ook indien deze stelling juist zou zijn, kan daaruit immers niet worden afgeleid dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel, te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen, dan waarvoor deze is verleend. Ook overigens had het verweer slechts kunnen worden verworpen. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in geval het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.”

Van de zijde van de verdediging is in dit verband nog aangevoerd dat bij de stand van de huidige jurisprudentie weliswaar controle en opsporing op basis van dezelfde wet alsook op basis van twee verschillende wetten is toegestaan, maar is – onder verwijzing naar in de literatuur verwoorde opvattingen over dit onderwerp – daaraan toegevoegd dat op dat uitgangspunt enige nuanceringen dienen te worden aangebracht. De controlebevoegdheden als bedoeld in de artikelen 47 en verder AWR zijn strikt doelgebonden en dragen een exclusief karakter; het gaat om een bevoegdheid die uitsluitend ter uitvoering van (een) bepaalde wet(geving) is gecreëerd en waaraan een verplichting tot medewerking is gekoppeld. In geval een dergelijke exclusieve strikt doelgebonden controlebevoegdheid mede of uitsluitend wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, levert dat in de visie van de verdediging wel degelijk misbruik van die bevoegdheid en van recht op.

De onderzoekswensen en (voorlopige) stellingnames waartoe bevindingen uit het voorbereidend onderzoek de verdediging aanleiding hebben gegeven en die ook bij de behandeling van de zaken ter terechtzitting weer aan de orde zijn geweest, acht de rechtbank begrijpelijk en rechtstreeks gebaseerd op het aangeleverde respectievelijk beschikbaar gekomen materiaal. De vasthoudendheid waarmee een en ander is geschied merkt de rechtbank vooral aan als een oprechte poging duidelijkheid te verkrijgen omtrent hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek heeft voorgedaan, opdat discussie mogelijk zou worden over de rechtmatigheid van een en ander. Bij de honorering van de onderzoekswensen heeft de rechtbank zo nu en dan grenzen moeten stellen, maar daarbij wel steeds het aannemelijk geworden verdedigingsbelang voor ogen gehouden.

Ofschoon het nadere onderzoek enkele vragen onbeantwoord heeft gelaten, is in elk geval de gelegenheid geboden als hoofdrolspelers aangemerkte personen vragen te (blijven) stellen.

De conclusie waartoe de rechtbank op grond van de zich in het dossier bevindende stukken komt, luidt dat zij de verdediging niet volgt in haar standpunt dat controleambtenaren van de Belastingdienst zich in het onderzoek Klimop uitsluitend dan wel mede met de opsporing van commune strafbare feiten hebben beziggehouden.

Uit de stukken komt naar voren dat controleambtenaren van de Belastingdienst bij de uitoefening van hun controlewerkzaamheden op signalen zijn gestuit die vragen opriepen omtrent de juiste fiscale verantwoording van ontvangen gelden en nader fiscaal onderzoek – onder meer bestaande uit het volgen van geldstromen – vergden. Naar aanleiding van in dat kader uitgevoerde controleonderzoeken is bij individuele controleambtenaren gaandeweg een vermoeden ontstaan van (fiscale en) commune strafbare feiten. Daarover heeft overleg plaatsgevonden met ambtenaren van de afdeling FIOD-OI, welk overleg in een later stadium heeft geleid tot het “opwerken” door deze afdeling van informatie in het kader van een aanmelding voor een SO/TPO. Dat het moment waarop ten aanzien van enkele (rechts)personen – op grond van voor de desbetreffende strafbare feiten relevante, concrete en objectieve gegevens – gesproken kon worden van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv, vóór september/oktober 2005 (na het boekenonderzoek bij [Benadeelde partij 1] en tijdens het boekenonderzoek bij [Rechtspersoon 1]) is gelegen, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende gestaafd door de zich in het dossier bevindende stukken. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank op 1 december 2010 bij haar beslissingen op toen aan de orde zijnde onderzoekswensen – over het algemene kader waarin deze moesten worden bezien – heeft overwogen, intercollegiaal overleg binnen de Belastingdienst over bepaalde signalen alsmede de daarmee samenhangende schriftelijke vastlegging van gedachten, opvattingen en afspraken, een formele status missen.

Indien een door de verdediging gesteld misbruik van controlebevoegdheden zich overigens al zou hebben voorgedaan, regardeert dat naar het oordeel van de rechtbank niet rechtstreeks het openbaar ministerie. Daarvoor zou nodig zijn dat aannemelijk was geworden dat het openbaar ministerie in casu de grenzen die aan de opsporing zijn gesteld heeft willen omzeilen door doelbewust gebruik te maken van de controlebevoegdheden van de ambtenaren van de Belastingdienst ten behoeve van opsporingsdoeleinden. Voorts wordt krachtens vaste jurisprudentie het openbaar ministerie slechts verantwoordelijk gehouden voor vormverzuimen indien met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde. Van het openbaar ministerie kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet gevergd worden dat het – behoudens wellicht onder zich hier niet voordoende uitzonderlijke omstandigheden – verantwoordelijkheid draagt voor eventuele onregelmatigheden bij onderzoek dat door controleambtenaren over wie het openbaar ministerie zeggenschap mist, wordt verricht.

De rechtbank acht derhalve geen gronden aangevoerd dan wel aanwezig die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Gelet op de hierboven weergegeven overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht, ziet zij niet in welke invloed de uitkomsten van een verhoor van [Getuige, Getuige 2, Getuige 3 en Getuige 4], zelfs als één van hen licht zou kunnen doen schijnen op de identiteit van de auteur van de anonieme notitie, zou kunnen hebben op dit oordeel.

Dat neemt overigens niet weg, dat de rechtbank met de verdediging van oordeel is dat de bedoelde notitie moet worden gekwalificeerd als een stuk dat enige vragen oproept. Voor de rechtbank was de gedachtewisseling omtrent dat stuk eerder al (op 1 december 2010) aanleiding nader onderzoek op te dragen aan het openbaar ministerie. Hoewel de rechtbank toen – gelet op de reeds gedane pogingen de identiteit van de opsteller van de anonieme notitie te achterhalen – geen afzonderlijke opdracht daartoe heeft gegeven, heeft zij wel oog en oor gehad voor de kennelijke datering daarvan (eind mei 2005) in relatie tot (een klein gedeelte van) de inhoud. Ook zonder dat een concrete verwachting gekoesterd mag worden omtrent de directe betekenis van het stuk voor enige in de zaak te nemen beslissing, vergt het door alle betrokkenen onderschreven belang van een zo groot mogelijke transparantie en de beantwoording van vragen die dat kan opleveren, dat een nieuwe poging wordt ondernomen de auteur van het stuk te identificeren.

De rechtbank geeft het openbaar ministerie opdracht daartoe.

Met betrekking tot de verzoeken de SO-/TPO-stukken waaronder het OI-rapport, te produceren heeft de rechtbank geen argumenten gehoord, die tot een heroverweging van haar eerdere daaromtrent genomen beslissingen zouden nopen. Ook het verzoek van de raadsman van [Verdachte 1] de kennelijk bestaande vragenbrief van [Getuige 2] van 31 augustus 2007 aan de stukken van het procesdossier toe te voegen, komt – reeds bij gebreke van een met betrekking tot de strafzaak relevante toelichting – niet voor honorering in aanmerking.

[...]