Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP6063

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
awb 09-4867
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

B. en w. van Haarlemmermeer hebben een tijdelijke vrijstelling van de gebruiksbepalingen van een bestemmingsplan verleend voor de vestiging van een noodfiliaal van een supermarkt. De eigenaar van een naburige supermarkt stelt hierdoor een aanzienlijk omzetverlies te hebben geleden. Zijn verzoek om vergoeding van planschade wordt afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat de verleende vrijstelling niet heeft geleid tot vergroting van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel. Alleen de gebruiksmogelijkheden zijn gewijzigd. Het is vaste jurisprudentie dat bij de beoordeling van de vraag of een verzoeker is komen te verkeren in een planologisch nadeliger situatie, slechts ruimtelijke gevolgen relevant zijn. Schade die voortvloeit uit toename van concurrentie, komt niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 49 van de (voormalige) WRO. Partijen hebben afgesproken om het aan de orde zijnde verzoek uitsluitend te beschouwen als een verzoek op grond van artikel 49 WRO. De rechtbank komt daarom niet toe aan beantwoording van de vraag of ook een andere basis voor vergoeding van de geleden schade in aanmerking kan worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 4867

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2011

in de zaak van:

Moby Dick Bob Bakker B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. Bakhuijsen, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de gemeenteraad van Haarlemmermeer,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Metselaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2008, verzonden op 26 november 2008, heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) een verzoek van eiseres om vergoeding van planschade afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 juli 2009, verzonden op 19 augustus 2009, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de bestreden beslissing behoudens de ondertekening in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 25 september 2009, aangevuld bij brief van 2 november 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft namens verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 februari 2011, alwaar namens eiseres haar gemachtigde en [naam], directeur van eiseres, zijn verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Op 13 december 2001 heeft het college een vrijstelling verleend voor de tijdelijke vestiging van een supermarkt aan de Noordmeerstraat te Hoofddorp. Deze supermarkt is daar twee jaar gevestigd geweest. Eiseres stelt dat een door haar geëxploiteerde supermarkt aan de [locatie] hierdoor een aanzienlijk omzetverlies heeft geleden.

2.2 Bij brief van 9 maart 2002 heeft eiseres verzocht om vergoeding van de door haar te lijden schade. In een brief van 10 november 2006 heeft eiseres gesteld dat uit accountantsrapporten blijkt dat de tijdelijke vestiging van de andere supermarkt heeft geresulteerd in een aantoonbaar lagere winst van haar supermarkt van ongeveer € 420.000.

2.3 Het college heeft De Bont Adviesbureau Bestuursrechtelijke Schadevergoedingen (hierna: De Bont) gevraagd te adviseren over het verzoek van eiseres. In zijn op 3 oktober 2008 uitgebrachte advies kwam De Bont tot de slotsom dat eiseres geen schade heeft geleden die in aanmerking komt voor vergoeding op de voet van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang. De Bont verwees hierbij naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), waarvan de strekking is dat bij de beoordeling van de vraag of een verzoeker is komen te verkeren in een planologisch nadeliger situatie, slechts ruimtelijke gevolgen relevant zijn.

2.4 Het college heeft het advies van De Bont overgenomen en het verzoek van eiseres afgewezen. In het besluit van het college werd vermeld dat het is genomen namens verweerder. Het besluit is namens het college ondertekend door de clustermanager Dienstverlening.

2.5 In het advies naar aanleiding van het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de commissie) erop gewezen dat verweerder de afhandeling van lopende planschadeverzoeken die zijn ingediend voor 22 juni 2005 heeft gemandateerd aan het college. De wijze van ondertekening van het besluit komt, aldus de commissie, niet overeen met het bepaalde in artikel 10:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) nu daaruit niet blijkt dat namens verweerder is beslist tot het toekennen van een planschadevergoeding. De commissie heeft verweerder geadviseerd om het bestreden besluit bij de beslissing op bezwaar voor zijn rekening te nemen.

Voor het overige heeft de commissie geconcludeerd dat niet is gebleken dat het advies van De Bont naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoonde waardoor het niet aan het besluit op het planschadeverzoek ten grondslag had mogen worden gelegd.

2.6 Het standpunt van de commissie dat in het besluit van het college artikel 10:10 van de Awb niet in acht is genomen, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. In het besluit is immers vermeld dat het genomen is namens verweerder. Daarentegen was de ondertekening door de clustermanager Dienstverlening wel in strijd met het bepaalde in artikel 10:9 van de Awb, aangezien verweerder in het mandaatbesluit niet heeft toegestaan dat er ondermandaat wordt verleend. Dit gebrek moet worden geacht te zijn hersteld in de hierna genoemde beslissing op bezwaar.

2.7 Verweerder heeft op 2 juli 2009 op voorstel van het college besloten: "Overeenkomstig het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften het bezwaarschrift van Moby Dick Bob Bakker B.V. ongegrond te verklaren, de bestreden beslissing behoudens de ondertekening in stand te laten en de bestreden beslissing tot de uw te maken." De rechtbank gaat ervan uit dat de woorden "tot de uw" hier moeten worden gelezen als: tot de zijne.

2.8 Eiseres voert tegen het besluit van verweerder aan dat uit de jurisprudentie van de Afdeling niet valt af te leiden dat schade als gevolg van toegenomen concurrentie per definitie niet voor vergoeding op grond van artikel 49 WRO in aanmerking komt. Het in het bestemmingsplan neergelegde verbod tot uitoefening van detailhandel op het betrokken perceel strekt tot de bescherming van belangen die zien op een goede ruimtelijke ordening.

Daarnaast stelt eiseres dat om het pand, een voormalig distributiecentrum, geschikt te maken voor de detailhandelsverkoop een ingrijpende verbouwing heeft plaatsgevonden. Na de verbouwing is er sprake van een in ruimtelijk en functioneel opzicht nieuwe solitaire winkelvestiging met bijbehorende parkeervoorzieningen op het bedrijventerrein. Dit betekent voor haar een planologische verslechtering, waarvan de gevolgen niet alleen te herleiden zijn tot toegenomen concurrentie. Hierbij acht zij van belang dat er sprake was van tijdelijke verplaatsing van een reeds bestaande concurrerende supermarkt en niet van uitbreiding van de voordien bestaande concurrentie.

2.9 Verweerder wijst op uitspraken van de Afdeling van 4 juli 2007 (LJN: BA8727) en 8 augustus 2007 (LJN: BB1304) waarin is overwogen dat toegenomen concurrentie onder omstandigheden weliswaar kan worden aangemerkt als een gevolg van een planologische mutatie, maar dat dit geen ruimtelijk relevant gevolg daarvan is. Schade die uit toename van concurrentie voortvloeit, komt naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 49 van de WRO.

Verweerder betwist dat de bebouwingsmogelijkheden van het perceel als gevolg van de verleende vrijstelling zijn toegenomen. Er is alleen sprake van een planologische mutatie inzake de gebruiksmogelijkheden. Andere schadefactoren dan de toegenomen concurrentie worden door eiseres niet genoemd, aldus verweerder.

2.10 Op grond van de overgelegde stukken stelt de rechtbank vast dat de verleende vrijstelling niet heeft geleid tot vergroting van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel. De vrijstelling heeft daarom geen ruimtelijk relevante gevolgen in de zin van de door verweerder genoemde jurisprudentie. Deze jurisprudentie geldt nog steeds, gelet op onder andere een uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010 (LJN: BO9212). Dit betekent dat er geen ruimte is voor vergoeding van planschade op grond van artikel 49 WRO.

2.11 Ter zitting hebben partijen desgevraagd verklaard dat zij hebben afgesproken om het verzoek van eiseres uitsluitend te beschouwen als een verzoek op grond van artikel 49 van de WRO. De rechtbank komt daarom niet toe aan beantwoording van de vraag of ook een andere basis voor vergoeding van de door eiseres geleden schade in aanmerking kan worden genomen.

2.12 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L. Beijen, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. G. Guinau en mr. A.C. Terwiel-Kuneman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.