Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP5990

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
175478 - FA RK 10-3802
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gerechtelijke vaststelling vaderschap / postmortale inseminatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

gerechtelijke vaststelling vaderschap

zaak-/rekestnr.: 175478 / FA RK 10-3802

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 15 februari 2011

in de zaak van:

[naam moeder],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.C.A.M. Schilder, kantoorhoudende te Volendam,

Betreffende

[naam man],

overleden op [datum] 2008 in de gemeente [plaats],

hierna mede te noemen: de man.

Het kind wordt vertegenwoordigd door mr. G.F.H. Velthuizen, bijzondere curator.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [naam belanghebbende 1], vader van de man;

- [naam belanghebbende 2], moeder van de man;

- [naam belanghebbende 3], broer van de man.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder ingekomen op 10 november 2010;

- de brief van 8 december 2010 van de bijzondere curator, mr. G.F.H. Velthuizen;

- de brief met bijlagen van 21 december 2010 van de advocaat van moeder.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 De moeder en de man zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2004. Uit de akte van overlijden van de gemeente [plaats] blijkt dat de man op [datum] 2008 is overleden. Als gevolg van het overlijden van de man is het huwelijk ontbonden. Gedurende dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

2.2 Uit de overgelegde akte van geboorte blijkt dat op [datum] 2010 in de gemeente [plaats] uit de moeder is geboren het thans nog minderjarige kind:

- [naam minderjarige].

2.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2010 is mr. G.F.H. Velthuizen, advocaat te Zaandam, tot bijzondere curator over het kind benoemd.

3 Verzoek

3.1 De moeder verzoekt de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van voornoemd kind.

3.2 De moeder stelt dat de man de verwekker is van het kind.

Zij voert daar toe aan dat ten tijde van het huwelijk de man werd gediagnosticeerd met de ziekte longkanker. Vanwege de kinderwens van partijen hebben zij op enig moment besloten het zaad van de man te laten invriezen. Tijdens het huwelijk heeft de moeder met het zaad van de man een ICSI-behandeling ondergaan, maar deze behandeling heeft niet geleid tot een zwangerschap. Kort voor zijn overlijden heeft de man in aanwezigheid van zijn huisarts verklaard dat na zijn overlijden zijn zaad verder gebruikt mocht worden om een zwangerschap bij de vrouw te laten bewerkstelligen. Bij het verzoek is overgelegd een kopie van een verklaring van huisarts [naam] te [plaats] van 15 oktober 2010 en een verklaring van huisarts [naam] van 14 oktober 2010.

3.3 Na het overlijden van de man heeft de vrouw in september 2009 opnieuw een ICSI-behandeling ondergaan met zaadcellen van de man. Van deze behandeling is een op 18 september 2009 geautoriseerd labverslag van het [naam ziekenhuis] overgelegd. De behandeling van de moeder heeft geresulteerd in een zwangerschap en zij is negen maanden later bevallen van het kind.

4 Beoordeling

4.1 Het verzoek van de moeder is binnen de termijn genoemd in artikel 1:207 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek ingediend.

4.2 De bijzondere curator is van oordeel dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. Naar aanleiding van het telefoongesprek met de moeder en op grond van de overgelegde stukken, ziet hij geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de stellingen van de moeder. De bijzondere curator is van mening dat het in het belang van het kind is dat duidelijkheid ontstaat over zijn afstamming.

4.3 Vaststaat dat de man de voormalige levensgezel van de moeder was.

Hoewel de man niet bij testament de uitdrukkelijke wens heeft vastgelegd dat zijn sperma na zijn overlijden gebruikt mag worden voor een postmortale inseminatie, kan uit de verklaring van huisarts [naam] van 15 oktober 2010 voldoende worden afgeleid dat de man deze wens vlak voor zijn overlijden aan voornoemde huisarts heeft geuit door te verklaren dat de rest van zijn ingevroren zaad verder mocht worden gebruikt om bij de moeder een zwangerschap te laten bewerkstelligen.

4.4 De rechtbank betrekt voorts bij het oordeel het labverslag van het fertiliteitslaboratorium van het [naam ziekenhuis] van 18 september 2009. Hieruit leidt de rechtbank af dat op 4 september 2009 bij de moeder een embryo transfer heeft plaatsgevonden. Uit dit verslag blijkt verder dat de man als sperma donor staat vermeld. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het vaderschap van de man, als resultaat van postmortale inseminatie bij de moeder, voldoende vaststaat.

4.5 De hierboven vermelde belanghebbenden hebben ieder afzonderlijk een referteverklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij instemmen met het verzoek van de moeder.

4.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van het kind is dat zijn afstamming wordt vastgesteld. Daarom zal het verzoek van de vrouw als onweersproken worden toegewezen, nu ook voor het overige niet is gebleken dat het verzoek onrechtmatig is.

6 Beslissing:

De rechtbank:

6.1 Stelt vast het vaderschap van [naam man], geboren op [datum] 1973 te [plaats] en overleden op [datum] 2008 te [plaats],

over het kind [geslachtsnaam]:

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 2010 te [plaats].

6.2 Draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Purmerend.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.