Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP5765

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
15/700151-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer. Promis. Poging zware mishandeling.

Bewezenverklaring van het primaire, in de subsidiaire vorm, ten laste gelegde feit, te weten poging zware mishandeling. De lezing van het slachtoffer/aangeefster vindt op belangrijke punten steun in de overige bewijsmiddelen.

Door het slachtoffer gedurende langere tijd met kracht meermalen tegen haar hoofd te slaan en haar luchtpijp dicht te knijpen, zodat zij geen lucht kreeg, was de kans aanmerkelijk dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Het hoofd vormt immers een kwetsbaar lichaamsdeel. Verdachte heeft hierdoor minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer aldus zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht..

Oplegging gevangenisstraf van 200 dagen, waarvan 98 dagen voorwaardelijk, onder bijzondere voorwaarden en oplegging van een taakstraf (werkstraf) van 60 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700151-10

Uitspraakdatum: 1 februari 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 juni 2010 en 18 januari 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende te [adres en plaatsnaam],

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 28 februari 2010 te [plaatsnaam en gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- een capuchon over het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] heeft getrokken en/of getrokken gehouden, en/of

- (toen die [naam slachtoffer] op de grond lag) met kracht een dekbed en/of een handdoek op/over de neus en/of de mond, in elk geval op/tegen het gezicht, van die [naam slachtoffer] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden, en/of

- (hierbij) één- of meerma(a)l(en), met kracht, heeft geslagen en/of gestompt op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer], en/of

- (hierbij) op die [naam slachtoffer] is gaan zitten, en/of

- (vervolgens) met kracht, aan de haren van die [naam slachtoffer] heeft getrokken en/of die [naam slachtoffer] (daarbij) op/tegen de grond heeft getrokken en/of geduwd en/of vervolgens, met kracht, de keel van die [naam slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 februari 2010 te [plaatsnaam en gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer]),

- één- of meerma(a)l(en), met kracht, heeft geslagen en/of gestompt op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer], en/of

- met kracht aan de haren van die [naam slachtoffer] heeft getrokken en/of die [naam slachtoffer] (daarbij) op/tegen de grond heeft getrokken en/of geduwd en/of vervolgens, met kracht, de keel van die [naam slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, in de subsidiaire vorm, te weten de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 138 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde (i) een meldingsgebod bij het Leger des Heils, totdat verdachte eigen woonruimte heeft en nadien bij de Reclassering alsmede (ii) toezicht door de Reclassering.

4. Vrijspraak

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte geprobeerd heeft [naam slachtoffer] (hierna: '[naam slachtoffer]') op 28 februari 2010 van het leven te beroven. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

5. Bewijs

5.1 Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Op 28 februari 2010, omstreeks 15:15 uur, kwam bij de politie een melding binnen dat aan het adres [adres en plaatsnaam] een vrouw mishandeld werd. De politie trof daarop ter plaatse in de woning twee personen aan, die later verdachte en aangeefster [naam slachtoffer] bleken te zijn. De verbalisanten zagen dat [naam slachtoffer] verwondingen had aan haar gezicht zoals een gezwollen lip, een snee en geronnen bloed bij haar rechteroog en rode striemen bij haar strottenhoofd. 2

In haar aangifte verklaart [naam slachtoffer] - zakelijk weergegeven - het volgende.

Vanmorgen, zondag 28 februari 2010, sliep ik op de tweepersoonsbank die midden in de woonkamer van de woning aan de [adres en plaatsnaam] staat. Omstreeks 10:00 kwam [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt dat waar aangeefster het over [voornaam verdachte] heeft, zij [voor- en achternaam verdachte], verdachte bedoelt) bonkend naar beneden lopen. Ik werd daar wakker van en zei er iets van tegen hem. Vervolgens ontstond er een woordenwisseling. Terwijl we op de bank zaten, sloeg [voornaam verdachte] met een gebalde vuist meerdere malen krachtig tegen mijn hoofd. Ik begon te schreeuwen. [voornaam verdachte] pakte vervolgens de capuchon van het donker bruine Adidas trainingsjasje dat ik aan had en trok hem over mijn hoofd. De capuchon kwam voor mijn mond te zitten en ik kon geen adem halen. Ik viel vervolgens op de grond. Nadat hij de capuchon los liet, heeft hij een wit dekbed zonder overtrek gepakt en deze krachtig op mijn gezicht gedrukt. Ik voelde dat ik bijna geen adem meer kon halen. Ik had alleen nog een heel klein kiertje waardoor lucht kwam. Ondertussen voelde ik dat [voornaam verdachte] mij meerdere malen tegen mijn hoofd sloeg. Ik heb keihard geschreeuwd. Toen de deken even wegglipte, pakte [voornaam verdachte] een witte handdoek en drukte deze vervolgens op mijn gezicht zodat ik geen adem kreeg. Ik heb gezegd tegen [voornaam verdachte] dat hij me los moest laten, maar hij bleef doorgaan en ik voelde dat [voornaam verdachte] op mij bleef zitten. Ik heb gesparteld en geduwd om mij eruit te wurmen. [voornaam verdachte] bleef de handdoek maar op mijn hoofd drukken zodat ik geen adem kreeg. Op de een of andere manier heb ik de handdoek van mijn gezicht af weten te krijgen. Ik voelde toen dat [voornaam verdachte] mij krachtig bij mijn haren vastpakte en mij hardhandig tegen de grond aandrukte. Ik voelde vervolgens dat [voornaam verdachte] mij krachtig met zijn hand bij mijn strottenhoofd vastpakte en daarbij met zijn vingers kneep zodat mijn luchtpijp dicht ging. Ik voelde dat ik geen adem meer kon halen. Ik weet niet precies waarom [voornaam verdachte] stopte, maar opeens werd hij rustiger.

[voornaam verdachte] heeft minstens een half uur op mij gezeten. Na de worsteling keek ik namelijk op de klok van het fornuis en zag dat het 11.15 uur was.

Wat ik mij nog kan herinneren is dat ik tijdens de worsteling de lichtgekleurde blouse van [voornaam verdachte] heb stuk gescheurd. Later heb ik gezien dat [voornaam verdachte] de gescheurde blouse met bloedvlekken bij de mouw in de vuilniszak in de keuken heeft gestopt. Verder heeft [voornaam verdachte] bloedspetters van de woonkamerdeur, van de tafel en van de bank geveegd met een gele vaatdoek. En [voornaam verdachte] heeft de beschermhoezen van de bank gehaald om het bloed eruit te wassen.3

In de woning zijn aan de hand van een beschrijving door aangeefster een aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen, waaronder (i) een met bloed besmeurde witte handdoek, (ii) een bruin vest, waarvan de binnenzijde van de capuchon besmeurd was met bloed, (iii) een blauw/wit gestreept overhemd, besmeurd met bloed en grotendeels ingescheurd, (iv) een dekbed, besmeurd met bloed en (v) hoezen, vermoedelijk behorend bij de bank in de woonkamer, waarop de resten van bloed werden aangetroffen.4

[naam slachtoffer] heeft aan het voorval onder meer diverse zwellingen, blauwe plekken, tekenen van verwurging, een afgebroken tand, lichte scheefstand van de neus, en pijn aan het hoofd, de nek en de kaak overgehouden.5

Verdachte heeft ter terechtzitting - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

Ik kreeg een woordenwisseling met aangeefster en er ontstond een worsteling. Ik pakte haar bij haar haren. Ik heb haar hoofd met mijn arm om haar nek klem gezet. Zij probeerde zich los te worstelen. Ik heb haar vervolgens naar de grond toegewerkt. Op een gegeven moment zat ik bovenop haar, terwijl zij op de grond lag. Toen ze op haar rug lag heb ik haar handen gepakt en langs haar lichaam op de grond gedrukt, zodat ze niks kon doen. Naar mijn idee heb ik haar niet laten stikken.6

De lezing van aangeefster van het voorval vindt op belangrijke punten steun in de overige bewijsmiddelen. Zo komt het door [naam slachtoffer] in haar aangifte beschreven geweld overeen met het door de verbalisanten bij aangeefster ter plaatse waargenomen en in een proces-verbaal van bevindingen beschreven letsel en het door de EHBO-post nadien op 28 februari 2010 geconstateerde letsel en de (bloed-)sporen in de woning, terwijl verdachte voor het aantreffen van die sporen ook geen aannemelijke andere verklaring heeft gegeven. Door het slachtoffer gedurende langere tijd met kracht meermalen tegen haar hoofd te slaan en haar luchtpijp dicht te knijpen, zodat zij geen lucht kreeg, was de kans aanmerkelijk dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Het hoofd vormt immers een kwetsbaar lichaamsdeel. Verdachte heeft hierdoor naar het oordeel van de rechtbank minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [naam slachtoffer] aldus zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Op grond van bovenstaande redengevende feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling .

5.2 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 28 februari 2010 te [plaatsnaam en gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- een capuchon over het hoofd van die [naam slachtoffer] heeft getrokken en getrokken gehouden, en

- toen die [naam slachtoffer] op de grond lag met kracht een dekbed en een handdoek op het gezicht, van die [naam slachtoffer] heeft gedrukt en gedrukt gehouden, en

- hierbij meermalen, met kracht, heeft geslagen en gestompt tegen het hoofd van die [naam slachtoffer], en

- hierbij op die [naam slachtoffer] is gaan zitten, en

- vervolgens met kracht, aan de haren van die [naam slachtoffer] heeft getrokken en die [naam slachtoffer] daarbij tegen de grond heeft geduwd en vervolgens, met kracht, de keel van die [naam slachtoffer] heeft vastgegrepen en dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

7. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 1 juni 2010 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, namelijk poging tot zware mishandeling van aangeefster [naam slachtoffer]. Het voorval deed zich voor in de woning waar het slachtoffer verbleef, nota bene een plek waar iemand zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Verdachte heeft kennelijk zijn zelfbeheersing verloren en het slachtoffer meermalen geslagen en haar keel dichtgeknepen, waardoor zij in grote angst heeft verkeerd. Het slachtoffer heeft door het voorval diverse verwondingen opgelopen en pijn ondervonden. Het is bekend dat een dergelijk geweldsmisdrijf vaak langdurige en ernstige gevolgen heeft voor het slachtoffer.

Gelet op de ernst van het feit, acht de rechtbank met de officier van justitie in beginsel een gevangenisstraf, waarvan een aanmerkelijk gedeelte voorwaardelijk, op zijn plaats. Echter gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank aanleiding verdachte een straf in een enigszins andere vorm dan door de officier van justitie gevorderd op te leggen. Verdachte leidt een dakloos bestaan. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met hulp van de Reclassering inmiddels de eerste stappen heeft gezet om zijn problemen aan te pakken. De rechtbank ziet hierin aanleiding om in het onderhavige geval de op te leggen gevangenisstraf te combineren met een werkstraf, hetgeen er mede toe kan bijdragen dat verdachte met behulp van de reclassering de beoogde structuur in zijn leven hervindt. Het gedeelte van de gevangenisstraf dat voorwaardelijk zal worden opgelegd dient ertoe verdachte gedurende de op twee jaren te bepalen proeftijd ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij acht de rechtbank in navolging van het advies van de reclassering verplichte begeleiding door de reclassering noodzakelijk, opdat verdachte zijn leven weer op de rit krijgt. Tevens zal verdachte zich moeten houden aan het meldingsgebod, een en ander in overleg met de reclassering. Dergelijke verplichtingen zullen als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijk op te leggen straf worden verbonden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5.2 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 6. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEEHONDERD (200) DAGEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot achtennegentig (98) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar;

bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht.

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal melden bij het Leger des Heils, zolang hij geen vast woon- of verblijfplaats heeft te Haarlem, en nadien bij de Reclassering Nederland;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van zestig (60) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door 30 dagen hechtenis. De taakstraf moet worden voltooid binnen de termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis;

heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. F.G. Hijink en mr. J. Candido, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Wouters,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 februari 2011.

Mr. Candido is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Het voor het bewijs gebezigde schriftelijke stuk wordt slechts gebezigd tot bewijs in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van 28 februari 2010, dossierpagina's 51-52.

3 Het proces-verbaal van aangifte van zondag 28 februari 2010, dossierpagina's 39-42.

4 Een proces-verbaal opgemaakt op 2 maart 2010, gevoegd achter een proces-verbaal van bevindingen van 1 maart 2010, dossierpagina's 64-93.

5 Een schriftelijk stuk, te weten een brief van een chirurg van de spoedeisende hulp van het Spaarne Ziekenhuis te Hoofddorp van 1 maart 2010, dossierpagina 44.

6 Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 18 januari 2011.