Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP5698

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
15-740676-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; Opiumwet; cocaïne; handel in verdovende middelen; cocaïnehandel; dealen; onvoldoende wettig bewijs; getuigenverklaring; de auditu verklaring; verklaring van horen zeggen; vrijspraak.

De rechtbank stelt vast dat de belastende verklaringen van getuige [getuige 1], anders dan de officier van justitie meent, geen steun vinden in het verhandelde ter terechtzitting en in de daar aan bod gekomen inhoud van de stukken die zich in het procesdossier bevinden. Ten aanzien van de voor verdachte belastende getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] geldt dat dit zogenaamde verklaringen van horen zeggen betreffen, die te herleiden zijn tot slechts een en dezelfde bron: eerder genoemde [getuige 1]. Daarmee komt feitelijk enkel uit de getuigenverklaring van [getuige 1] naar voren dat, zoals is ten laste gelegd, verdachte als leverancier van cocaïne betrokken is geweest bij de handel in verdovende middelen. Het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan door de rechtbank echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740676-08

Uitspraakdatum: 20 januari 2011

Tegenspraak, na aanhouding verschenen

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 november 2008, 21 juni 2010, 19 november 2010 en 6 januari 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 augustus 2008 te Beverwijk en/of te Heemskerk, in elk geval in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Getuige [getuige 1] heeft op 23 mei 2008 en 25 mei 2008 ten overstaan van de politie verklaard dat hij cocaïne afnam van verdachte, hetgeen hij op de openbare terechtzittingen van 21 juni 2010 en 6 januari 2011 als getuige heeft herhaald.

Op 17 juni 2008 heeft [getuige 2] ten overstaan van de politie verklaard dat hij het dossier had gelezen en dat, nadat hij in het verhoor een bevestigend antwoord van de politie had gekregen op zijn vraag of zijn broer [getuige 1] al had gezegd wie cocaïne aan hem leverde, verdachte aan zijn broer cocaïne leverde. Op 26 augustus 2010 is [getuige 2] als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris gehoord en verklaarde hij dat hij niets van de inkoop van cocaïne afwist en dit ook nooit met zijn broer [getuige 1] had besproken. Hij had tegenover de politie de naam van verdachte slechts genoemd, omdat hij in de processtukken had gelezen dat zijn broer deze naam had genoemd.

Voorts heeft ook [getuige 3], de echtgenote van [getuige 2], op 25 mei 2008 ten overstaan van de politie verklaard dat [getuige 1] cocaïne afnam van verdachte. Op de openbare terechtzitting van 19 november 2010 is [getuige 3] als getuige gehoord. Getuige [getuige 3] verklaarde dat de politie haar heeft voorgehouden dat [getuige 1] had verklaard dat hij de cocaïne bij verdachte had afgenomen, waarop zij heeft verklaard dat als [getuige 1] dit had verklaard, dat dit dan wel zo zal zijn.

De rechtbank stelt vast dat de belastende verklaringen van getuige [getuige 1], anders dan de officier van justitie meent, geen steun vinden in het verhandelde ter terechtzitting en in de daar aan bod gekomen inhoud van de stukken die zich in het procesdossier bevinden. Ten aanzien van de voor verdachte belastende getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] geldt dat dit zogenaamde verklaringen van horen zeggen betreffen, die te herleiden zijn tot slechts een en dezelfde bron: eerder genoemde [getuige 1]. Daarmee komt feitelijk enkel uit de getuigenverklaring van [getuige 1] naar voren dat, zoals is ten laste gelegd, verdachte als leverancier van cocaïne betrokken is geweest bij de handel in verdovende middelen. Het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan door de rechtbank echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

5. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M. van Santen, voorzitter,

mr. J.W.H.G. Loyson en mr. J. Candido, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 januari 2011.