Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP5197

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
460400 CV EXPL 10-3939
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval. Eiser, chauffeur van een diepvriesvrachtwagen, glijdt uit op de laadvloer van de vrachtwagen bij het naar binnen trekken van pallets met bloedplasma. Eiser vordert veroordeling van werkgever tot erkenning van aansprakelijkheid, betaling van schade op te maken bij staat en betaling van een voorschot op de nader te bepalen schade van € 6.000,--. Eiser legt aan zijn vordering (primair) ten grondslag dat werkgever zijn zorgplicht ter voorkoming van het arbeidsongeval heeft geschonden, (subsidiair) zich niet als een goed werkgever heeft gedragen.

De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van schending door werkgever van zijn zorgplicht, nu deze zich heeft gehouden aan de geschreven veiligheidsnormen en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat van de werkgever extra maatregelen ter voorkoming van letsel hadden moeten worden getroffen. Subsidiaire grondslag niet nader onderbouwd. De vordering wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/62
AR-Updates.nl 2011-0155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 460400 / CV EXPL 10-3939

datum uitspraak: 2 februari 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. C. van Boggelen

tegen

de stichting

STICHTING SANQUIN BLOEDVOORZIENING

te Amsterdam

gedaagde

hierna te noemen: Sanquin

gemachtigde: mr. A. van der Veen

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 juli 2010;

- de aantekeningen van de griffier van de naar aanleiding van genoemd tussenvonnis op 14 september 2010 gehouden comparitie van partijen;

- de door beide partijen in het kader van deze comparitie overgelegde stukken.

De verdere beoordeling van het geschil

1. [eiser] legt aan zijn vordering primair ten grondslag dat Sanquin aansprakelijk is voor de door hem geleden schade als gevolg van het bedrijfsongeval op 15 april 2005 omdat zij als werkgever haar zorgplicht (als bedoeld in artikel 7:658 BW) heeft geschonden.

2. Sanquin betwist haar aansprakelijkheid voor de door [eiser] gestelde schade. Sanquin voert hiertoe aan dat de toedracht van het ongeval niet vast staat. Dit betekent dat niet kan worden geoordeeld dat de gestelde schade het gevolg is van schending van de zorgplicht door de werkgever, aldus Sanquin. Verder voert Sanquin aan dat zij alle veiligheidsmaatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [eiser] schade zou lijden in de uitoefening van zijn werk.

Tenslotte stelt Sanquin zich op het standpunt dat [eiser] zijn schade onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de (omvang van) die schade niet is komen vast te staan. Voor toekenning van een voorschot op schadevergoeding is dan ook geen plaats, aldus Sanquin.

3. [eiser] heeft zijn vordering tot erkenning van aansprakelijkheid door Sanquin feitelijk gegrond op het verwijt dat Sanquin (1) geen electrische pompwagen en (2) geen adequaat uitgeruste vrieswagen (met een in hoogte verstelbare laadvloer voorzien van een antisliplaag) aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld.

4. Om de gegrondheid van de hierboven genoemde verwijten van [eiser] aan het adres van Sanquin te beoordelen, is noodzakelijk dat de toedracht van het ongeval komt vast te staan. Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting de gebeurtenissen rond het ongeval op

15 april 2005 beschreven. Kort samengevat komt dit op het volgende neer:

[eiser] moest in opdracht van Sanquin op 15 april 2005 met een gehuurde vriesvracht-wagen bij CAF in Belgïe pallets met bloedplasma laden. De heftruckchauffeur van CAF plaatste hiertoe een pallet op de laadklep van de vrachtwagen. Met gebruikmaking van een handpompwagen pompte [eiser] eerst de pallet omhoog, zodat deze los van de wagen kwam. Daarna trok en draaide hij de pallet (waar door het gewicht veel kracht op stond) naar achteren, de vrachtwagen in, om deze tegen het kopschot te zetten. Bij deze trek- en draaibeweging gleed hij uit.

5. Sanquin heeft de door [eiser] beschreven handelingen die tot het ongeval hebben geleid, niet (gemotiveerd) weersproken. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van de door [eiser] toegelichte toedracht van het ongeval. In het licht van deze aldus feitelijk vaststaande gebeurtenis zullen de concrete verwijten van schending van de zorgplicht door Sanquin worden beoordeeld.

6. geen electrische pompwagen en geen verstelbare laadvloer

Uit de door [eiser] gegeven toedracht van het ongeval blijkt dat hij is uitgegleden bij het naar achteren trekken van een pallet. Deze pallet was op dat moment -met een handpompwagen- door [eiser] naar boven gepompt en was daarmee vrij van de laadvloer komen te staan. Dit betekent dat het ongeval in elk geval niet voorkomen had kunnen worden door het gebruik van een electrische pompwagen. Immers, ook als [eiser] wél de beschikking had gehad over een electrische pomp, dan geldt nog steeds dat het ongeval pas is ontstaan bij de daaropvolgende handeling, te weten het in de vrachtwagen trekken van de pallet.

Hetzelfde gebrek aan oorzakelijk verband geldt voor het verwijt aan Sanquin dat zij een vrachtwagen beschikbaar heeft gesteld zonder een in hoogte verstelbare laadvloer. Ook hiervoor geldt immers dat [eiser] pas daarna, bij het in de vrachtwgen trekken van de lading, is gevallen en niet bij het (overigens door een vorkheftruckchauffeur van CAF) op de laadvloer plaatsen van de pallet. Dit leidt tot de slotsom dat Sanquin haar zorgplicht ter voorkoming van het ongeval niet heeft geschonden door geen electrische pompwagen en geen in hoogte verstelbare laadvloer aan [eiser] ter beschikking te stellen.

7. gladde vloer

[eiser] stelt dat de gehuurde vrachtwagen waarmee [eiser] op 15 april 2005 op pad werd gestuurd, niet adequaat was uitgerust. Zoals ter zitting nader is toegelicht, bedoelt [eiser] hiermee te stellen dat de vloer van deze vrachtwagen glad was, in het bijzonder niet

voorzien van een antisliplaag, waardoor hij -bij het trekken aan de pallet- is uitgegleden. Sanquin heeft betwist dat de vloer van de gehuurde vrachtwagen glad was, en stelt dat deze voorzien was van een korrelige anti-slipvloer.

8. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Sanquin heeft ter zitting een toelichting gegeven op de door [eiser] in het geding gebrachte foto’s van de vloer van de gehuurde vriesvrachtwagen. Volgens Sanquin wijzen de zwarte puntjes op een korrelige structuur van de vloer (“schuurpapier”) en is daarmee gegeven dat de vloer voorzien was van een antisliplaag. Tegenover deze toelichting -die op zich eenduidig is- heeft [eiser] zich op dit punt niet nader uitgelaten.

Het moet er dan ook voor gehouden worden dat Sanquin een vrachtwagen aan [eiser] heeft meegegeven die voorzien was van een antisliplaag op de vloer. Op dit punt is dan ook geen sprake van schending van de zorgplicht door Sanquin, zoals [eiser] ter onderbouwing van de gestelde aansprakelijkheid van Sanquin heeft betoogd.

9. Vervolgens staat ter beoordeling of Sanquin aan haar zorgplicht als werkgever heeft voldaan door alle redelijkerwijs van haar te verlangen veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming van gevaar voor haar werknemers.

10. Als werkgever is Sanquin gebonden aan een zorgplicht ter voorkoming van gevaarzettende werksituaties. Dit betekent dat Sanquin -naast de verplichting om aan de geschreven veiligheidsnormen te voldoen- maatregelen moet nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat in dit kader van de werkgever verwacht mag worden hangt af van de omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn onder meer de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de te verwachten onoplettendheid van de werknemer en de mate van bezwaarlijkheid van het treffen van maatregelen. In dit verband geldt dat artikel 7:658 BW geen absolute waarborg beoogt te scheppen voor bescherming tegen gevaar.

In het licht van deze criteria zal het verweer van Sanquin dat zij alle redelijkerwijs nodige maatregelen ter voorkoming van gevaar heeft getroffen, worden beoordeeld.

11. Sanquin heeft in dit verband aangevoerd dat zij zich heeft gehouden aan de in de Arbeidsomstandighedenwet vastgelegde veiligheidsnormen.

Ter uitvoering van deze wettelijke verplichting heeft Sanquin in juni 2004 een Risico Inventarisatie- en Evaluatie (RI&E) uitgevoerd naar de gevaren waaraan werknemers bij de uitvoering van hun werkzaamheden (onder meer in de vrieskou) zijn blootgesteld. Anders dan het risico op bevriezing bij het in- en uitladen wordt in het door Sanquin overgelegde RI&E-rapport geen risico op uitglijden genoemd.

Aldus is niet gebleken dat Sanquin zich niet heeft gehouden aan de geschreven veiligheidsnormen. Zij heeft in de uitkomsten van het RI&E op goede gronden geen alarmbel horen rinkelen die haar opmerkzaam had moeten maken op bijzondere risico’s voor de belader op uitglijden bij het in- en uitladen van een vrieswagen. Een dergelijk risico was voor Sanquin dan ook niet kenbaar, anders dan ieders bekendheid met de mogelijke gladheid van een bevroren vloer.

12. Overigens geldt dat het laden en lossen van zware pallets in en uit een vrieswagen handelingen betreft die afwijken van een normale situatie waarin een vrachtwagenchauffeur goederen in- en uitlaadt. De werkomstandigheden van de chauffeurs in dienst van Sanquin brengen dan ook een groter risico mee op het ontstaan van letsel. De chauffeur moet immers kracht gebruiken om zware pallets in een vrieswagen -dus in een laadruimte met een bevroren vloer- te trekken. Dit kan onder omstandigheden meebrengen dat van de werkgever extra maatregelen ter voorkoming van letsel moeten worden getroffen.

13. Van bijzondere omstandigheden is evenwel in de gegeven situatie niet gebleken. Het uitglijden op een bevroren vloer vormt een alledaags gevaar waarvoor niet zonder meer gewaarschuwd moet worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat een bevroren vloer glad is en dat de gebruikelijke oplettendheid van [eiser] voor dit gevaarsrisico mag worden verwacht. Dit geldt eens temeer voor [eiser] die al tien jaar ervaring had als chauffeur bij Sanquin en dus gedurende zoveel jaren bekend was met het in- en uitladen van zware pallets op een bevroren vrieswagenvloer.

14. Van Sanquin kon naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet verlangd worden dat zij verderstrekkende maatregelen zou treffen dan hetgeen zij heeft gedaan, te weten het voorzien in veiligheidsschoenen, speciale kleding en een korrelige (antislip)vloer in de vrachtwagen. Hier komt bij dat [eiser] niet concreet heeft gesteld welke extra maatregelen van Sanquin verlangd mochten worden om het gevaar op uitglijden te voorkomen.

15. Het is een ervaringsfeit dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie (zoals [eiser] die zeer regelmatig en al tien jaar lang ingevroren bloedplasmaprodukten voor Sanquin vervoert, laadt en lost) maakt dat die werknemer onvoorzichtiger gaat werken. Gegeven deze realiteit rust op Sanquin de plicht om te onderzoeken of er afdoende preventieve maatregelen mogelijk zijn om de insluipende onoplettendheid, en daardoor het gevaar op een ongeval, te voorkomen.

16. Gesteld noch gebleken is dat Sanquin meer had kunnen en moeten doen tegen het gevaar op uitglijden dan het voorzien in een korrelige vloer in de vrieswagen en het aanbieden van veiligheidsschoenen. Daarentegen geldt dat van [eiser] mag worden verwacht dat hij steeds de normale voorzichtigheid in acht neemt, rekening houdende met het feit dat hij, staande op een bevroren vloer waarvan hij behoorde te weten dat die ondanks de antisliplaag glad zou kunnen zijn, kracht moest zetten om een pallet in de laadruimte te trekken en te draaien. Zoals de voetganger in een vorstperiode iedere dag opnieuw wordt geconfronteerd met de kans op uitglijden, mag van [eiser] bij het verrichten van trek- en draaibewegingen op een bevroren laadvloer verwacht worden dat hij zich -steeds opnieuw- van de mogelijke gladheid daarvan bewust is. Of [eiser] hierbij een onvoorzichtige beweging heeft gemaakt, zoals Sanquin aanvoert, is voor de beoordeling van de vraag of Sanquin is tekortgeschoten in haar zorgplicht niet relevant.

17. Uit het voorgaande volgt dat Sanquin niet is tekortgeschoten in haar zorgplicht als werkgever, zodat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van het ongeval dat [eiser] op 15 april 2005 is overkomen. De vordering tot erkenning van aansprakelijkheid moet daarom als ongegrond worden afgewezen.

18. [eiser] baseert zijn vordering tot erkenning van aansprakelijkheid subsidiair op de stelling dat Sanquin zich niet als goed werkgever heeft gedragen.

Het bovenstaande oordeel dat van schending van de zorgplicht door Sanquin geen sprake is, brengt mee dat voor het oordeel dat Sanquin aansprakelijk is voor de schade van [eiser] omdat zij zich niet als een goed werkgever gedragen zou hebben, aanvullende stellingen nodig zijn om te kunnen beoordelen of deze subsidiaire grondslag de vordering kan dragen. Een (nadere) stellingname c.q. onderbouwing van zijn standpunt door [eiser] ontbreekt evenwel zodat de vordering ook op de subsidiaire grondslag niet toewijsbaar is.

19. De vordering tot betaling van een voorschot van € 6.000,-- op de bij staat op te maken schadevergoeding moet, gelet op het bovenstaande oordeel dat aansprakelijkheid van Sanquin ontbreekt, eveneens worden afgewezen.

20. De proceskosten komen voor rekening van [eiser] omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Sanquin tot en met vandaag worden begroot op € 750,00 aan salaris van de gemachtigde en verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Dubois en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.