Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP4592

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/3436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond, een trainingsacteur is geen artiest in de zin van het Besluit verlaagde wekeneis WW en Wet WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 3436

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2011

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. S. Hossaini, advocaat te IJmuiden,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser om uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 7 april 2010 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 januari 2011, alwaar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Voor verweerder is verschenen R. Hopster.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft een aanvraag om een WW-uitkering bij verweerder ingediend omdat zijn werkzaamheden als trainingsacteur per 6 april 2010 beëindigd waren. In de periode van 36 weken voordat eiser werkloos werd, heeft hij in 24 weken arbeid verricht.

2.2 Met het besluit van 26 april 2010 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering omdat hij niet heeft voldaan aan de wekeneis. Met het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.3 Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor hem de verlaagde wekeneis geldt, omdat hij dient te worden aangemerkt als artiest in de zin van het Besluit verlaagde wekeneis WW en Wet WIA (het Besluit).

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden die een trainingsacteur uitvoert, niet gelijkgesteld kunnen worden aan de artistieke prestatie die een musicus of artiest verricht, zodat het Besluit op eiser niet van toepassing is.

2.5 Artikel 1, eerste lid aanhef en onder a, van het Besluit bepaalt, voor zover van belang, dat ten aanzien van de werknemer die in de periode onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid als musicus of anderszins als artiest arbeid heeft verricht, de wekeneis, bedoeld in artikel 17 van de WW, wordt gesteld op 16.

2.6 Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of een trainingsacteur is te beschouwen als ‘artiest’ in de zin van artikel 1 van het Besluit, zodat voor de trainingsacteur de verlaagde wekeneis geldt.

2.7 Het Besluit verlaagt de wekeneis, bedoeld in artikel 17 van de WW, en maakt dus een uitzondering op de hoofdregel dat pas recht op WW-uitkering ontstaat indien de werknemer in de 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. Het Besluit heeft een limitatief karakter. Een ruime uitleg van de uitzondering in het Besluit ligt daarom niet voor de hand (zie CRvB 15 september 2004, LJN: AR2730).

2.8 In de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 2006, 169) wordt onder meer het volgende vermeld:

“De argumenten die in het voorgaande zijn genoemd voor afschaffing van de verlaagde wekeneis voor seizoenwerknemers gelden niet of in mindere mate voor artiesten en musici. Arbeidsrelaties in deze sector zijn vaak kortdurend en onregelmatig en hebben veelal als kenmerk dat deze werkzaamheden onlosmakelijk verbonden zijn met de persoon die deze werkzaamheden verricht. De financiering van projecten vanuit cultuurfondsen is voor het grootste deel gericht op kortdurende projecten.”

2.9 De rechtbank leidt uit deze toelichting af dat de besluitgever het oog heeft gehad op werknemers in de culturele sector. Dat betekent dat slechts sprake kan zijn van een ‘artiest’ in de zin van het Besluit, wanneer het gaat om een werknemer die werkzaam is in de culturele sector. Dat is bij een trainingsacteur duidelijk niet het geval. Een trainingsacteur is werkzaam in het kader van het verzorgen van een opleiding. Dit leidt tot de conclusie dat de trainingsacteur geen ‘artiest’ is in de zin van het Besluit.

2.10 Eiser heeft verwezen naar een standpunt van de staatssecretaris van Financiën uit 1998 en naar de handleiding Loonheffingen Artiesten- en Sportersregeling 2008 van de belastingdienst. Door de staatssecretaris en deze handleiding wordt de trainingsacteur aangemerkt als artiest. Dit leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het standpunt van eiser dat de overheid ten aanzien van de uitleg van het begrip ‘artiest’ met één mond dient te spreken waar het gaat om heffing en uitkering is begrijpelijk, maar in dit geval niet doorslaggevend. Het begrip ‘artiest’ in het Besluit dient restrictief en in het licht van de toelichting op het Besluit te worden uitgelegd. Met name uit de toelichting op het Besluit blijkt dat de uitleg van het begrip ‘artiest’ beperkt dient te blijven tot werknemers in de culturele sector.

2.11 Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiser dient te voldoen aan de wekeneis van artikel 17 van de WW. Omdat eiser in de periode van 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in 24 weken arbeid heeft verricht, voldoet eiser niet aan deze wekeneis. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geweigerd eiser een WW-uitkering toe te kennen.

2.12 Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. A.M. van Brussel, rechter in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Oltmans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.