Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP2596

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
15-710402-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 WVW 1994 en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b WVW 1994.

Dodelijk ongeval fietser.

Verwerping verweer raadsman dat tenlastelegging v.w.b. feit 1 niet voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven. Gelet op inhoud van het proces-verbaal van opsporing en de opstelling van de verdediging, is voldoende duidelijk welk verwijt verdachte wordt gemaakt.

Betoog raadsman dat geen sprake is van schuld zoals bedoeld in artikel 6 VWV 1994 faalt, omdat verdachte niet die maatregelen heeft getroffen om als automobilist haar rijgedrag af te stemmen op alle relevante omstandigheden. De betreffende weg waar het ongeval heeft plaatsgevonden is een relatief smalle weg die openstaat voor verkeer van noord naar zuid en vice versa waarop tevens aan weerszijden op 50 cm van de rand van de weg onderbroken strepen zijn aangebracht. Fietsers en voetgangers moeten van dezelfde weg gebruik maken. Verdachte heeft niet ter verbetering van de zichtbaarheid van de overige verkeersdeelnemers bijvoorbeeld groot licht gevoerd of de snelheid aangepast en/of geconcentreerd gereden, teneinde de medeweggebruikers, waaronder fietsers en voetgangers, tijdig te kunnen waarnemen en daarop te kunnen reageren. Verdachte heeft verklaard niets gezien te hebben, ook in de korte spanne tijd dat het slachtoffer in de lichtbundel van de auto was verschenen.

Tevens verwerping verweer raadsman dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat zij is gestopt na het horen van een doffe klap, is teruggekeerd en heeft gekeken maar niets heeft gezien, naar huis is gereden en nadat ze de exacte schade aan haar auto had gezien, met haar man is teruggegaan, zij zijn gaan zoeken maar weer niets hebben gevonden, naar huis zijn gegaan en vervolgens de politie te hebben gebeld. Verdachte wist niet en kon ook niet redelijkerwijs vermoeden dat zij een persoon had aangereden. De rechtbank oordeelt dat verdachte zich had moeten realiseren, nadat zij een klap hoorde en naar eigen zeggen niets had gezien, dat het hebben aangereden van een persoon tot de mogelijkheid behoorde. Er is immers niets dat impliceert dat het niet een persoon was met wie ze in aanraking was gekomen. Zij had daarom zo snel mogelijk moeten stoppen om zich ervan te vergewissen wat of wie bij de aanrijding was betrokken, temeer nu het pikdonker was en het vinden van de plaats van de aanrijding daarom problemen zou kunnen opleveren, hetgeen ook is gebleken. Door zover door te rijden als verdachte heeft gedaan, heeft zij de plaats van het ongeval niet kunnen terugvinden en is aan het slachtoffer geen hulp geboden. Dat het slachtoffer reeds kort na het ongeval zou zijn overleden en hulp niet meer zou hebben gebaat, zoals de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank niet aannemelijk op grond van het sectierapport waarin staat de ongevalsgevolgen het overlijden niet kunnen verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710402-08

Uitspraakdatum: 28 januari 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 januari 2011 in de zaak tegen:

[verdachte]L,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres en woonplaats]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

feit 1

zij op of omstreeks 23 november 2008 te [plaatsnaam] in elk geval in de gemeente [naam gemeente], als verkeersdeelneemster, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straatnaam], zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers

heeft zij gereden met een gezien de situatie ter plaatse onverantwoord hoge snelheid

en/of (vervolgens)

heeft zij niet (af)geremd en/of haar voertuig tot stilstand gebracht, binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waarna of (mede) waardoor zij met het door haar bestuurde motorrijtuig tegen een voor haar op die weg (in dezelfde richting) rijdende/bevindende fietser is aangereden of gebotst waardoor een ander ([naam slachtoffer]) werd gedood in elk geval ten/aan de gevolge(n) van dat ongeval is overleden;

feit 2

zij op of omstreeks 22 november 2008 te [plaatsnaam] in elk geval in de gemeente [naam gemeente], als bestuurster van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straatnaam], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl door haar verdachte, een ander ([naam slachtoffer]), die bij dat ongeval naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achter gelaten.

2. Voorvragen

De rechtbank is, in tegenstelling tot de raadsman, van oordeel dat de tenlastelegging voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven. Mede gelet op de inhoud van het proces-verbaal van opsporing en de opstelling van de verdediging, is het aan de verdediging voldoende duidelijk welk verwijt verdachte wordt gemaakt, te weten dat verdachte niet heeft afgeremd en/of haar voertuig tot stilstand heeft gebracht, binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. De dagvaarding voldoet aan de daaraan krachtens artikel 261 Wetboek van Strafvordering gestelde eisen, zodat het verweer ter zake de ongeldigheid van de dagvaarding door de rechtbank wordt verworpen.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair zestig dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen:

Op 23 november 2008 omstreeks 04.08 uur werd in de wegsloot evenwijdig aan de [straatnaam], te [plaatsnaam] gemeente [naam gemeente], ter hoogte van perceel [straatnaam] 22, door verbalisant [naam verbalisant] gezien dat in het water een licht gekleurde wielrenfiets deels boven het water uitstak en 2 meter verder zag men een lampje onder het wateroppervlak liggen. Dit lampje brandde nog waardoor het een lichtvlek in het water gaf. Ongeveer 3 meter verder werd het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer] aangetroffen.2 Op ongeveer 100 meter zuidelijk van waar het slachtoffer was aangetroffen, werd door verbalisant een in het water drijvend, nog brandend rood gekleurd lampje gezien. In de nabije omgeving werden nog diverse aan het slachtoffer toebehorende goederen aangetroffen, zoals een schoen op de brug naar perceel 22, een open portemonnee, waarvan de inhoud verspreid in de berm lag en een muts, alsmede in de sloot het achterwiel van de fiets. De dood van het slachtoffer [[naam slachtoffer] is door de gemeentelijk lijkschouwer vastgesteld.3 De patholoog heeft vervolgens sectie verricht op het lichaam van [naam slachtoffer] en geconstateerd dat het lichaam letsels toonde aan de linkerzijde van het lichaam. Er waren als gevolg van heftig botsend geweld ruwrandige huidletsels aan de linkeronderarm, de linkerbil/heup en de linkerkuit. Ter plaatse van de kuit was er een grote lapwond van 25 bij 17 centimeter en ontbrak er kuitspierweefsel. De letsels zijn bij leven opgelopen en passen goed bij een aanrijding van links door een rijdend voertuig. De letsels op zich kunnen het intreden van de dood niet verklaren. Het is goed mogelijk dat [naam slachtoffer] als gevolg van een aanrijding in het water terecht is gekomen. De sectiebevindingen passen bij verdrinking als doodsoorzaak.4

Op 22 november 2008 omstreeks 21.00 uur reed verdachte in haar auto, een [merk auto] over de [straatnaam].5 De rijbaan van de [straatnaam] bestaat uit één rijbaan voor beide rijrichtingen zonder scheiding door middel van een middenstreep met een breedte van 5,65 meter. De [straatnaam] is ter plaatse van het ongeval niet voorzien van openbare straatverlichting en er geldt een maximum toegestane snelheid van 60 kilometer per uur.6 Verdachte was ter plaatse bekend met de weg en was daarvan op de hoogte. Zij heeft verklaard dat het er erg donker was en dat zij met dimlicht reed met een snelheid van 70, maar wellicht ook wel 60 kilometer per uur. Op een gegeven moment hoorde verdachte een klap. Zij verklaart in het geheel geen andere verkeersdeelnemer te hebben gezien7. Verdachte heeft verklaard dat zij een stukje door was gereden - naar eigen zeggen 200 meter - en heeft daarna haar auto tot stilstand gebracht, is uitgestapt en heeft gekeken wat er gebeurd zou kunnen zijn. Aan haar auto zag zij dat er een stripje omhoog stak. Verdachte was op dat moment niet opgevallen dat haar rechterbuitenspiegel was afgebroken. Verdachte is gekeerd en teruggereden naar de plek waar zij dacht de klap te hebben gehoord. Zij heeft vervolgens gezocht en daarbij haar groot licht aangedaan, maar heeft niets gevonden. Verdachte is vervolgens weer op die weg gekeerd en naar huis gereden. Thuis aangekomen zag zij de omvang van de schade aan haar auto. Zij constateerde ook dat er bloed aan het uitstekende puntje zat. Ook is weefsel aangetroffen. Hierop is verdachte met haar man in diens auto teruggereden naar de [straatnaam]. Nadat zij hadden gekeken wat zij geraakt zou kunnen hebben, maar wederom daaromtrent niets hebben gevonden, zijn zij naar huis teruggekeerd.8 De man van verdachte heeft rond 23.07 uur namens verdachte bij de meldkamer van de regiopolitie Noord-Holland Noord een melding gedaan van een aanrijding op de [straatnaam]. Hierop werd door de politie medegedeeld dat er geen melding was binnengekomen van een aanrijding, waarop verdachte gerust was gesteld en dacht dat zij toch een kat of iets dergelijks had aangereden.9

Na onderzoek aan de racefiets werd geconstateerd dat de achterbrug was vervormd en de linker stuurhelft was verbogen.10 Bij onderzoek aan de [merk auto] werd geconstateerd dat de rechterbuitenspiegel was afgebroken en dat het plaatwerk van het rechter voorspatbord vervormd en verbogen was, waarin resten van bloed en weefsel werden gezien. In de bevestiging van het voorspatbord was de linker afsluitdop van het stuur van de racefiets ingeklemd. Hieruit leidt de verbalisant af dat de auto en de fiets in dezelfde richting reden en de linkerstuurhelft van de racefiets verhaakt is geweest met het plaatwerk van het rechtervoorspatbord van de [merk auto].11

Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, nu verdachte niet aanmerkelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend zou hebben gereden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet onverantwoord hard heeft gereden, zij niet onder invloed was van alcohol en zij ook niet met andere dingen bezig was dan op de weg te letten. Voorts heeft hij aangevoerd dat er scenario's zijn te bedenken waarin de periode van de zichtbaarheid van het slachtoffer voor verdachte is terug te brengen tot een zeer korte tijdsperiode van hoogstens enkele seconden. Het enkele niet zien in een dergelijk korte tijdsperiode van hoogstens enkele seconden is onvoldoende om van aanmerkelijke onoplettendheid te kunnen spreken. Dit leidt volgens de raadsman tot de conclusie dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden rond negen uur op een erg donkere novemberavond. De [straatnaam] is een relatief smalle weg, die open staat voor verkeer van noord naar zuid en vice versa, waarop tevens aan weerszijden op 50 centimeter van de rand van de weg onderbroken strepen zijn aangebracht. Fietsers en voetgangers moeten van dezelfde weg gebruik maken. De weg was niet verlicht door openbare straatverlichting. Naar verdachte zelf heeft verklaard was het pikdonker. De wegbeheerder heeft bepaald dat hier een maximum snelheid geldt van 60 kilometer per uur.

Verdachte reed op deze onverlichte weg met dimlicht met een snelheid van, naar eigen zeggen 70, maar wellicht 60 kilometer per uur. Hieruit valt te concluderen dat verdachte op zijn minst 60 kilometer per uur heeft gereden. In die situatie mag van verdachte, die ter plaatse goed bekend was met de weg, worden gevergd dat zij die maatregelen treft die nodig zijn om als automobilist haar rijgedrag te kunnen afstemmen op alle relevante omstandigheden, waaronder ook is te begrijpen de mate van zichtbaarheid van andere weggebruikers. Dit kunnen naast snelverkeer ook onverlichte voetgangers zijn of goed of slecht verlichting voerende (brom)fietsers zijn. De maatregel die verdachte in het onderhavige geval had kunnen nemen ter verbetering van de zichtbaarheid van de overige verkeersdeelnemers is bijvoorbeeld het voeren van groot licht. Dit heeft verdachte niet gedaan. Als andere maatregel komt dan in aanmerking het aanpassen van de snelheid en/of het geconcentreerd rijden, teneinde de medeweggebruikers, waaronder fietsers en voetgangers, tijdig te kunnen waarnemen en daarop te kunnen reageren. De rechtbank is van oordeel deze eisen te meer te kunnen en moeten stellen omdat voornoemde weggebruikers in het verkeer een kwetsbare positie innemen en de gevolgen van een aanrijding met snelverkeer veel ingrijpender zijn.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij haar rijgedrag aanpast op hetgeen voor haar zichtbaar is en dus reageert op hetgeen zij waarneemt. Zij houdt niet reeds bij voorbaat rekening met verkeerssituaties die zich kunnen voordoen.

Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden ter plaatse, te weten een smalle, onverlichte weg, waar ook kwetsbare verkeersdeelnemers zoals fietsers gebruik van maken, wordt van verdachte gevergd dat zij haar rijgedrag daarop afstemt, zodat medeweggebruikers voor haar tijdig zichtbaar konden worden. Overigens wijst de rechtbank er op dat blijkens de reconstructie het rode achterlicht van het slachtoffer zeker vijf seconden van te voren in het zicht van verdachte moet zijn geweest. Het omwaaien van de flap van de jas waaraan het lampje was bevestigd, valt niet uit te sluiten maar is ook niet aannemelijk. Voor het oordeel van de rechtbank komt aan de zichtbaarheid van het lampje evenwel geen beslissende betekenis toe, nu verdachte bij het afstemmen van haar rijgedrag rekening had moeten houden met onverlichte weggebruikers, zoals voetgangers die geen verlichting hoeven te voeren. Een andere maatregel die verdachte had kunnen treffen, te weten het geconcentreerd rijden, heeft verdachte ook niet genomen, immers verdachte heeft verklaard helemaal niets gezien te hebben, ook niet in de korte spanne tijd dat het slachtoffer in de lichtbundel van de auto was verschenen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor een aan haar schuld te wijten ongeval met dodelijke afloop heeft plaatsgevonden.

De in de tenlastelegging van feit 1 genoemde datum, te weten 23 november 2008, acht de rechtbank een kennelijke verschrijving. Zij leest daar 22 november 2008. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft voorts vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte, nadat zij een doffe klap hoorde, is gestopt, teruggekeerd, heeft gekeken maar niets heeft gezien, naar huis is gereden, haar man heeft gesproken en na de exacte schade te hebben gezien, zij beiden zijn teruggegaan, zijn gaan zoeken en na weer niets te hebben gevonden, naar huis zijn gegaan en de politie hebben gebeld. Voorts heeft hij aangevoerd dat verdachte niet wist en ook niet redelijkerwijs kon vermoeden dat zij een persoon had aangereden. Als laatste heeft de raadsman het verweer gevoerd dat na de tijd dat verdachte heeft gezocht, hetgeen enkele minuten heeft geduurd, het nog maar de vraag is of het slachtoffer niet al was overleden.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat verdachte een klap hoorde en naar eigen zeggen helemaal niets gezien heeft, zij zich had moeten realiseren dat het hebben aangereden van een persoon ook tot de mogelijkheden heeft behoord; niets zien impliceert immers dat ze niet heeft gezien dat het in ieder geval niet een persoon was met wie ze in aanraking is gekomen. Zij had daarom zo snel mogelijk moeten stoppen om zich er van te vergewissen wat of wie bij de aanrijding betrokken was, temeer nu het pikdonker was en het vinden van de plaats van de aanrijding daarom problemen zou kunnen opleveren, hetgeen ook is gebleken. Het (terug)vinden van de ongevalsplaats was daarom geboden om te kunnen ontdekken of door de aanrijding misschien een persoon letsel had opgelopen en hulp behoefde. Door zover door te rijden heeft ze de plaats van het ongeval niet kunnen terugvinden en is aan het slachtoffer geen hulp geboden. Dat deze gedachte in ieder geval op enig moment later op die avond door verdachte heen is gegaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte dat zij gerustgesteld was na de mededeling van de politie later die avond dat er geen aanrijding was gemeld.

Door onder de gegeven omstandigheden zover door te rijden, waardoor verdachte de ongevalsplaats niet meer kon vinden, is naar het oordeel van de rechtbank op dat moment sprake van een voltooid delict. Verondersteld moet worden dat als verdachte het slachtoffer had gevonden, zij tijdig hulp had kunnen bieden dan wel kunnen inroepen. Dat het slachtoffer reeds kort na het ongeval zou zijn overleden en hulp niet meer zou hebben gebaat, zoals de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank op grond van het sectierapport, waarin staat dat de ongevalsgevolgen het overlijden niet kunnen verklaren, niet aannemelijk.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl verdachte had moeten vermoeden dat een ander bij dat ongeval letsel is toegebracht, zij die ander in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

4.2 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

feit 1

zij op 22 november 2008 te [plaatsnaam] gemeente [naam gemeente], als verkeersdeelneemster, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straatnaam], zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, te rijden, immers

heeft zij gereden met een gezien de situatie ter plaatse onverantwoord hoge snelheid

en vervolgens

heeft zij niet (af)geremd en/of haar voertuig tot stilstand gebracht, binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waarna of (mede) waardoor zij met het door haar bestuurde motorrijtuig tegen een voor haar op die weg in dezelfde richting rijdende/bevindende fietser is aangereden of gebotst waardoor [naam slachtoffer] aan de gevolgen van dat ongeval is overleden;

feit 2

zij op 22 november 2008 te [plaatsnaam] gemeente [naam gemeente], door wier gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straatnaam], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl door haar verdachte, [naam slachtoffer], die bij dat ongeval naar zij redelijkerwijs moest vermoeden letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achter gelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de reclassering uitgebrachte rapport van 29 oktober 2010 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als automobiliste aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden waardoor een aan haar schuld te wijten dodelijk ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft nadat zij een klap hoorde haar auto niet onmiddellijk tot stilstand gebracht om te kijken of zij iets of iemand had aangereden. Door de botsing is een fietser in de naast de weg gelegen sloot terecht gekomen. Doordat verdachte niet direct na het horen van de klap haar auto tot stilstand heeft gebracht, heeft zij het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. Vermoedelijk is de fietser door het ongeval buiten bewustzijn geraakt waardoor hij niet eigenhandig uit de sloot heeft kunnen klimmen. Het slachtoffer is als gevolg van verdrinking overleden. Aldus heeft verdachte door haar handelen niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, zij heeft ook groot leed aan de nabestaanden toegebracht.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte dit ongeval niet heeft gewild. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte zwaar gebukt gaat onder de gevolgen van dit ongeval. Verdachte zal, evenals de nabestaanden van het slachtoffer, de rest van haar leven met het gebeurde moeten leven.

De rechtbank houdt voorts ten voordele van verdachte rekening met feit dat verdachte zich meewerkend heeft opgesteld en dat zij, blijkens een haar betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Verder heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

6, 7, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van honderdtwintig (120) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door zestig (60) dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht (8) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mrs. J.J.M. Uitermark en J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.M.A. Richelle,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 januari 2011.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 december 2008 (dossierpagina 31).

3 Het proces-verbaal d.d. 25 december 2008 (dossierpagina 10).

4 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag betreffende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood. d.d. 28 juni 2009 met zaaknummer 2008.11.21.086.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 november 2008 (dossierpagina 20); een schriftelijk stuk, te weten een uitdraai van de melding van de aanrijding bij de meldkamer van de politie.

6 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 23 november 2008 (pagina 6 en 7).

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 november 2008 (dossierpagina 20)

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2011.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 november 2008 (dossierpagina 20)

10 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 23 november 2008 (pagina 13 en 14).

11 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 23 november 2008 (pagina 17, 19 en 20).