Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP2474

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
10/2403
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU8912, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen de weigering van de burgemeester om toestemming te verlenen voor het opgraven van een lijk. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet op de Lijkbezorging, zoals dit luidt met ingang van 1 januari 2010, wordt een lijk slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf. Vast staat dat de rechthebbende op het graf tot op heden toestemming voor opgraving weigert. Bij arrest van 24 december 2010 heeft de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank bekrachtigd waarin de vorderingen van eisers strekkende tot verkrijging van de toestemming van de rechthebbende zijn afgewezen. Eisers kunnen zonder deze toestemming het doel dat hen voor ogen staat met onderhavig beroep niet bereiken. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 2403

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2011

in de zaak van:

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. J.M. Bakx - van den Anker, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de burgemeester van Diemen,

verweerder,

derde partij,

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. G. Dik, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag om een vergunning voor het opgraven van het lichaam van [naam] geweigerd.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 26 november 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 april 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 12 mei 2010 beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 13 augustus 2010 heeft deze rechtbank bepaald dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 3:4 alsmede artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verweerder, op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

Verweerder heeft hierop het bestreden besluit bij brief van 6 september 2010 voorzien van een nadere belangenafweging. Eisers en de derde partij hebben schriftelijke reacties op de nadere belangenafweging ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 januari 2011, alwaar [eisers] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J.L. Dukers, werkzaam bij de gemeente Diemen. De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde voornoemd.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging (Wlb), zoals dit luidt met ingang van 1 januari 2010, wordt een lijk slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.

2.2 Eisers hebben verweerder op 12 oktober 2006 verzocht vergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wlb voor het opgraven van hun op 3 september 2001 overleden moeder/echtgenote. De overledene is begraven op de begraafplaats [naam] te [woonplaats], in het graf waarin eerder reeds haar ouders waren begraven, die tevens de ouders van [naam] zijn. [naam] is rechthebbende op het graf. Tussen eisers en [naam] is in 2006 een geschil ontstaan over, kort gezegd, de wijze waarop het graf door de verschillende nabestaanden mag worden benut om de overledene en haar ouders te gedenken. Eisers stellen dat zij als gevolg van dit geschil feitelijk niet langer de gelegenheid hebben de overledene ter plaatse in rust en beslotenheid te gedenken. Eisers wensen daarom het lichaam op te graven en over te brengen naar een begraafplaats in [woonplaats].

2.3 Bij arrest van 24 maart 2009 heeft het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) [naam] veroordeeld om binnen veertien dagen toestemming te geven voor het opgraven van [naam] en bepaald dat indien [naam] de toestemming weigert, het arrest dezelfde kracht zal hebben als de schriftelijke toestemming van [naam].

2.4 Bij arrest van 24 december 2010 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof van 24 maart 2009 vernietigd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat hetgeen te [eisers] hebben gesteld geen grond kan opleveren voor het oordeel dat [naam] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid geen toestemming te verlenen tot opgraving van het stoffelijk overschot van de overledene. [Eisers] hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan die weigering op andere gronden onrechtmatig zou zijn. De Hoge Raad heeft bekrachtigd het vonnis van deze rechtbank, sector civiel, van 27 februari 2008, waarin de vorderingen van [eisers] strekkende tot de veroordeling van [naam] tot het verlenen van toestemming tot het opgraven van de stoffelijke resten van [naam] zijn afgewezen.

2.5 De rechtbank ziet aanleiding het arrest van de Hoge Raad, dat hangende deze beroepsprocedure is gewezen, te betrekken in de beoordeling van onderhavig geschil nu ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wlb voor de opgraving van de stoffelijke resten van [naam] niet alleen de in deze beroepsprocedure in geschil zijnde vergunning van verweerder maar ook de toestemming van [naam] benodigd is. Zonder vergunning én toestemming kunnen de stoffelijke resten van [naam] niet worden opgegraven.

2.6 Vast staat dat [naam] tot op heden weigert toestemming aan eisers te verlenen om de stoffelijke resten van [naam] op te graven.

2.7 De rechtbank ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of eisers, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2010, nog enig procesbelang hebben bij onderhavige procedure.

2.8 De bestuursrechter is slechts gehouden tot inhoudelijke beoordeling van een bij hem ingediend beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. De vraag of voldoende procesbelang aanwezig is, wordt ambtshalve beoordeeld naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. Dit brengt mee dat deze beoordeling ook dient plaats te vinden indien de rechtbank eerder uitspraak heeft gedaan met toepassing van artikel 8:51a van de Awb.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat eisers het doel dat hen voor ogen staat met hun beroep niet meer kunnen bereiken. Eisers beogen te bewerkstelligen dat [naam] wordt opgegraven en wordt herbegraven. Ook indien eisers zouden kunnen beschikken over een door verweerder verleende vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wlb kunnen zij dit niet realiseren. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2010 volgt immers dat de weigering van [naam] om toestemming te geven voor de opgraving niet onrechtmatig is. Er is geen zicht op dat [naam] haar standpunt dat zij geen toestemming geeft voor opgraving, waarin zij al jaren volhardt, zal verlaten. Eisers realiseren zich dit ook. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting aangegeven dat het alsnog verkrijgen van de toestemming van [naam] weliswaar “in theorie mogelijk is” maar “dat er een wonder zou moeten gebeuren”. Dat eisers de zaak aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens willen voorleggen maakt niet dat er binnen afzienbare tijd uitzicht is op de benodigde toestemming van [naam]. Nog daargelaten dat eisers deze procedure nog niet zijn aangevangen, is de uitkomst daarvan ongewis. Onder deze omstandigheden hebben eisers geen belang bij een vergunning van verweerder op grond van de Wet op de lijkbezorging, omdat zij deze toch niet zullen kunnen gebruiken. Dat brengt tevens mee dat eisers geen actueel en reëel belang meer hebben bij een oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit. Het beroep van eisers dient wegens het ontbreken van voldoende procesbelang alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.10 Nu deze rechtbank in de tussenuitspraak van 13 augustus 2010 een gebrek heeft geconstateerd in het bestreden besluit van 7 april 2010 bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de proceskosten vast op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.11 Tot slot zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 150,-- aan hen dient te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

3.2 veroordeelt de burgemeester van Diemen in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,--, te betalen aan de griffier;

3.3 gelast dat de burgemeester van Diemen het door eisers betaalde griffierecht van € 150,-- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.