Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP2427

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
09/1215
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Indeling choline chloride.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-0245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Zaaknummer: AWB 09/1215

Uitspraakdatum: 17 januari 2011

Uitspraak in het geding tussen

[X] B.V. , gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: mr. [A]

en

de inspecteur van de Belastingdienst[P] [Z], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiseres heeft op 21 juli 2008 een aanvraag ingediend voor een bindende tariefinlichting (hierna: bti).

1.2. Op 22 oktober 2008 heeft verweerder de bti met referentienummer [nummer] (hierna: de bti) afgegeven.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2009 de bti gehandhaafd.

1.4. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend die in afschrift zijn verstrekt aan eiseres.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Namens eiseres is daar verschenen haar gemachtigde tot bijstand vergezeld van mr. [B], dr. [C] (manager quality affairs bij eiseres) en [D] (Lead Buyer vitamins and Pigments bij eiseres). Namens verweerder is verschenen mr. [E] tot bijstand vergezeld van [F] en [G]. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres heeft de bti aangevraagd voor het product choline chloride 60% CC. In de aanvraag voor de bti is het product als volgt omschreven:

“ Choline chloride op corn cobs (maiskolf). Choline chloride is een vitamine (B4) die wordt gebruikt in dierenvoeding (en in humane voeding). Net als de andere vitaminen wordt vitamine B4 opgemengd volgens een recept in een premix. Ons bedrijf produceert deze voedingsconcentraten (premixen) voor levering aan de “compound feed industry”. Naast de werking als vitamine B4 wordt de stof Choline (echter niet in de vorm van Choline chloride) ook geleverd aan de industrie voor andere, non food related toepassingen, zoals het harden van glazen ramen.”

Eiseres heeft in de aanvraag verzocht het product in te delen onder de GN-code 2936 2990.

2.2. In de bti, waarin verweerder het product heeft ingedeeld onder GN-code 2309 9095, is het product als volgt omschreven:

“Een bruinkleurig meel zijnde een vezelrijk hygroscopisch product bestaande uit een preparaat van chlolinechloride van 49 gewichtsprocenten of meer op een drager van maïskolvenmeel. Het product bevat geen glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, zetmeel of zuivelproducten. – Volgens opgave – wordt het meel gebruikt in de diervoeding.”

Onder ‘Handelsbenaming en aanvullende gegevens’ is op de bti vermeld:

“Choline chloride 60% CC

Bij analyse bevonden: gehalte cholinechloride (titrimetisch via chloor: 67.7 gewichtprocenten.”

Onder ‘Motivering voor de indeling van het goed’ is op de bti vermeld:

“De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 en voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, en de tekst van de GN-codes 2309, 2309 90 en 2309 90 95. Laboratorium geraadpleegd d.d. 04 september 2008, aangevraagd onder kenmerk [kenmerk], bekend onder laboratoriumnummer [nummer].”

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de bti heeft afgegeven waarbij het product is ingedeeld onder GN-code 2309 9095 of dat de het product, zoals eiseres stelt, ingedeeld had moeten worden onder GN-code 2936 2990.

3.2. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat choline chloride als zijnde een vitamine moet worden ingedeeld onder GN-post 2936. Aan de drager (het maïskolvenmeel) komt, naar zij stelt, voor de indeling geen betekenis toe. Indien de rechtbank van oordeel is dat aan de drager wel betekenis toekomt, stelt zij zich op het standpunt dat de drager moet worden gekwalificeerd als een toegestane stabilisator. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat door toevoeging van de drager sprake is van een mengsel. Gelet op indelingsregel 3b dient de indeling alsdan te geschieden onder de post waaraan het product zijn wezenlijke karakter ontleent. Eiseres stelt dat het product zijn wezenlijke karakter ontleent aan de vitamine ‘choline chloride’. Het maïskolvenmeel heeft immers geen voedingswaarde en wordt enkel gebruikt om choline chloride, een stof die een vloeibare vorm heeft, een vaste vorm te geven zodat het geschikt(er) wordt voor industriële verwerking in diervoeders. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hoofdstuk 29, waaronder de door eiseres bepleite GN-post valt, blijkens aantekening 1, onder a, op hoofdstuk 29, enkel betrekking heeft op zuivere choline chloride. Het product kan, anders dan eiseres verdedigt, door de toevoeging van de drager niet als ‘zuiver’ in voorbedoelde zin worden aangemerkt en kan derhalve niet onder GN-post 2923 worden gerangschikt. Aan toepassing van aantekening 1, onder f en g, op hoofdstuk 29, wordt niet toegekomen. De drager, het maïskolvenmeel, kwalificeert niet als een toegestane stabilisator noch als een ‘andere zelfstandigheid’ als bedoeld in de aantekening. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Het toepasselijke recht

De in overweging te nemen GN posten

2309 Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren:

(…)

2309 90 - andere

(…)

2309 90 20 -- andere, zogenaamde “premelanges”daaronder begrepen

(…)

--- andere:

(…)

---- andere:

2309 90 95 ----- met een gehalte aan cholinechioride van 49 gewichtspercenten of meer, op

een organische of anorganische drager

2936 Pro vitaminen en vitaminen, natuurlijke of door synthese gereproduceerd (natuurlijke

concentraten daaronder begrepen), alsmede derivaten daarvan, die hoofdzakelijk als vitaminen

worden gebruikt, ook indien deze stoffen onderling zijn vermengd of in oplossing zijn gebracht:

- vitaminen en derivaten daarvan, niet vermengd:

(…)

2936 29 -- andere vitaminen en derivaten daarvan

(…)

2936 29 90 --- andere

Aantekening 1 bij hoofdstuk 23 luidt als volgt:

“Post 2309 omvat mede producten van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders

genoemd noch elders onder begrepen, verkregen door het behandelen van plantaardige of dierlijke zelfstandigheden, en wel zodanig dat het wezenlijk karakter van die zelfstandigheden verloren is gegaan. Plantaardige afval, plantaardige residuen en bijproducten van vorenbedoelde behandeling vallen echter niet onder deze post”

Aantekening 1 bij hoofdstuk 29 luidt als volgt:

“De posten van dit hoofdstuk hebben, voor zover uit de context niet het tegendeel blijkt, uitsluitend betrekking op:

a) geïsoleerde chemisch welbepaalde organische verbindingen, ook indien zij onzuiverheden bevatten;

b) mengsels van isomeren van eenzelfde organische verbinding (ook indien deze mengsels onzuiverheden bevatten), met uitzondering van mengsels van isomeren (andere dan stereo isomeren) van al dan niet verzadigde acyclische koolwaterstoffen (hoofdstuk 27);

c) producten bedoeld bij de posten 2936 tot en met 2939, ethers, acetalen en esters van suikers en zouten daarvan, bedoeld bij post 2940 en producten bedoeld bij post 2941, al dan niet chemisch welbepaald;

d) waterige oplossingen van de producten bedoeld onder a), b) en c) hiervoor;

e) andere oplossingen van de onder a), b) en c) hiervoor bedoelde producten, voor zover deze oplossingen gebruikelijke en noodzakelijke bereidingsvormen zijn die uitsluitend zijn gekozen om veiligheidsredenen of om de producten geschikt te maken voor vervoer en voor zover de oplosmiddelen de producten niet méér geschikt maken voor bijzondere toepassingen dan voor hun gebruik in het algemeen;

f) producten bedoeld onder a), b), c), d) of e) hiervoor, waaraan een stabilisator

(zelfstandigheden om het klonteren tegen te gaan daaronder begrepen) is toegevoegd, nodig voor de houdbaarheid of voor het vervoer;

g) producten bedoeld onder a), b) c), d), e) of f) hiervoor, waaraan een zelfstandigheid is toegevoegd om het verstuiven tegen te gaan of waaraan een kleurmiddel of een reukstof is toegevoegd om het onderkennen ervan te vergemakkelijken dan wel om veiligheidsredenen voor zover deze toevoegingen de producten niet méér geschikt maken voor bijzondere toepassingen dan voor hun gebruik in het algemeen;

h) de navolgende producten, voor zover zij zijn gebracht op standaardconcentraties en bestemd zijn voor de vervaardiging van azokleurstoffen: diazoniumzouten koppelmiddelen voor deze zouten, alsmede diazoteerbare aminen en zouten daarvan.”

De Toelichting IDR op GN post 2936 luidt als volgt:

“(…)

De producten van deze post mogen zijn gestabiliseerd voor de houdbaarheid of voor het vervoer:

door de toevoeging van antioxidanten,

door de toevoeging van stoffen om het klonteren te voorkomen (bijvoorbeeld koolhydraten),

door het omhullen met geschikte substanties (bijvoorbeeld gelatine, was of vetstoffen), al dan niet met een weekmaker,

door adsorptie op daartoe geschikte stoffen (bijvoorbeeld kiezelzuur),

op voorwaarde dat de toegevoegde hoeveelheid of de bewerking niet verdergaand is dan nodig is voor de houdbaarheid of het vervoer en het basisproduct door deze toevoeging of bewerking niet van aard wordt veranderd en niet méér geschikt wordt gemaakt voor bijzondere toepassingen dan voor zijn gebruik in het algemeen.

(…)”

De toelichting EG op post 2936 luidt als volgt:

“De producten van post 29.36 mogen:

- in olieachtige vorm zijn gestabiliseerd;

- met een omhulsel van hiervoor geschikte hulpstoffen, zoals gelatine, was, vet,

diverse soorten rubber of cellulosederivaten, in de vorm van microcapsules zijn

gestabiliseerd;

- aan siliciumdioxide zijn geadsorbeerd.”

5. Beoordeling van het geschil

Uitgangspunten

5.1.1. Naar volgt uit de bij het geharmoniseerde systeem (GS) en de bij de gecombineerde nomenclatuur (GN) vastgestelde zogeheten algemene indelingsregels 1 en 6, is bij de indeling van goederen in de GN wettelijk bepalend: de tekst van de (onderverdeling van de) posten en die van de aantekeningen op de afdelingen en hoofdstukken van de nomenclatuur. De teksten van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van de hoofdstukken, dienen daarbij als aanwijzingen.

5.1.2. Toelichtingen op de posten in de GS en in de GN zijn naar vaste jurisprudentie van Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) rechtens niet bindend maar wel belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.

5.1.3. Naar vaste jurisprudentie van het HvJ EU heeft te gelden dat het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-post zijn omschreven en die moeten kunnen worden vastgesteld op het tijdstip van inklaring.

Ten aanzien van indeling in GN-post 2936

5.2.1. In aantekening 1 bij hoofdstuk 29, onder a, is bepaald dat de posten van hoofdstuk 29, voor zover uit de context niet het tegendeel blijkt, uitsluitend betrekking hebben op geïsoleerde chemisch welbepaalde organische verbindingen. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of het product als een zodanige ‘zuivere’ verbinding kan worden aangemerkt. In dat kader heeft eiseres ter zitting verklaard dat het als drager gehanteerde maïskolvenmeel de choline chloride volledig absorbeert. Onder die omstandigheden, waarin sprake is van een volkomen vermenging van twee producten, kan niet worden gezegd dat die producten nog kunnen worden gekwalificeerd als ‘zuivere’ verbindingen als bedoeld in genoemde aantekening. Het product kan dan ook niet worden ingedeeld als ‘zuivere’ choline chloride.

5.2.2. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat het product voldoet aan de omschrijving genoemd in aantekening 1 bij hoofdstuk 29, onder f, daar de drager fungeert als een stabilisator ter voorkoming van het ‘klonteren’ van de choline chloride. De rechtbank kan eiseres daarin niet volgen daar zij ter zitting heeft verklaard dat choline chlorine, een van zichzelf vloeibare en stabiele stof, mits bewaard in een goed gesloten verpakking, heel wel in vloeibare vorm kan worden vervoerd en dat enkel op grond van economische overwegingen het maïskolvenmeel is toegevoegd. Alsdan kan niet worden gezegd dat de stabilisator noodzakelijk is voor de houdbaarheid of het vervoer. Eiseres kan zich daarom niet met vrucht op aantekening 1 bij hoofdstuk 29, onder f, beroepen. Verweerder heeft voorts terecht aangevoerd dat het product evenmin kan worden gerangschikt onder aantekening 1 bij hoofdstuk 29, onder g, nu gesteld noch gebleken is dat het maïskolvenmeel, zoals ter zake vereist, is toegevoegd aan de choline chloride om verstuiving tegen te gaan, de onderkenning daarvan te vergemakkelijken dan wel om veiligheidsredenen. Daar komt bij dat uit de stukken van het geding volgt dat de toevoeging van het maïskolvenmeel het product méér geschikt maakt voor bijzondere toepassingen, zijnde het gebruik als een zogenoemde ‘premix’ voor op industriële wijze vervaardigde veevoeders. Gelet op de bewoordingen van de GN-post en de aantekening op hoofdstuk 29 kan het product niet onder deze GN-post worden ingedeeld. Bij dit oordeel acht de rechtbank niet van belang of choline chloride al dan niet is aan te merken als een vitamine.

5.2.3. De klacht van eiseres dat de stof choline in de GS-toelichting ten onrechte is uitgezonderd van indeling onder post 2936 en in zoverre onverbindend is behoeft, gezien voorgaand oordeel dat niet op deze GS-toelichting steunt, geen behandeling.

Indelingsregel 3b

5.2.4. Eiseres heeft subsidiair gesteld dat het product een mengsel is van choline chloride en maïskolvenmeel en dat voor de indeling van dit product indelingsregel 3b moet worden gevolgd. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt. De aantekeningen en de posten hebben voorrang boven de indelingsregels (vanaf regel 2). Nu, zoals hiervoor overwogen, hoofdstuk 29 alleen betrekking heeft op geïsoleerde welbepaalde organische verbindingen, en het product niet als een zodanige verbinding kan worden aangemerkt, wordt in dezen niet toegekomen aan toepassing van indelingsregel 3b.

Ten aanzien van indeling in GN-post 2309

5.3.1. Zoals hiervoor overwogen vormen de in de tekst van de GN-posten en de aantekeningen bij de afdelingen en hoofdstukken omschreven objectieve kenmerken en eigenschappen van goederen uitgangspunt bij de indeling van goederen. Dit uitgangspunt sluit echter niet uit dat de bestemming van de goederen een objectief criterium bij de indeling kan vormen. Of dat het geval is, hangt af van de bewoordingen van de tariefpost. Indien in de bewoordingen van een tariefpost een bestemming besloten ligt of tot uitdrukking wordt gebracht, zal die een rol spelen bij de indeling van het goed. Het HvJ EU heeft in dat kader in zijn arrest van 11 juni 2009, Schenker, C-16/08 als volgt overwogen:

"25. Voorts kan de bestemming van het product een objectief indelingscriterium zijn, wanneer die bestemming inherent is aan het product. De inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan (...)."

5.3.2. Echter, ook bij de beoordeling van de 'inherentie' van de bestemming van een goed dienen de objectieve kenmerken en eigenschappen van het goed de doorslag geven. Uit de objectieve eigenschappen van het product moet blijken dat het product de desbetreffende bestemming heeft. Uit de bewoordingen van de GN-post volgt dat het hier gaat om goederen die zijn aan te merken als bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren. Op grond van deze bewoordingen acht de rechtbank de bestemming van de goederen ‘het gebruik daarvan voor het voederen van dieren’, een objectief criterium bij de indeling. Verweerder heeft in dat kader gewezen op de wijze waarop eiseres het product heeft omschreven in de aanvraag voor de bti alsmede, hetgeen door verweerder onweersproken is gesteld, de tekst op het label dat is bevestigd aan de verpakking van het product waarop is vermeld dat het product uitsluitend is te gebruiken voor de bereiding van diervoeders. Op grond daarvan acht de rechtbank aannemelijk dat het product is bestemd voor de bereiding van diervoeder als bedoeld in deze

GN-post.

5.3.3. Eiseres heeft gesteld dat het product niet onder deze GN-post kan worden ingedeeld omdat het niet kan worden aangemerkt als een bereiding van de soort gebruikt voor het voederen van dieren daar het product als zodanig geen voedingswaarde heeft. Grondstoffen voor diervoeders, zoals het product, vallen, aldus eiseres, niet onder deze GN-post. Deze stelling treft geen doel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.3.4. Uit de bewoordingen van de post, in het bijzonder die van GN-code 2309 90 20, volgt dat ook zogenaamde “premelanges” onder deze post worden begrepen. Onder een premelange moet in dit kader worden verstaan een product dat tot stand is gekomen door het mengen van twee of meer producten alvorens het te verkopen, te gebruiken of nader te vermengen. Het product is in de aanvraag voor de bti omschreven als een premix voor dierenvoeder welke kwalificatie door verweerder niet is bestreden. Aan de term ‘premelange’ en ‘premix’ dient, in het kader van de uitlegging van de onderhavige GN-code, een gelijke betekenis te worden toegekend. Dit houdt in dat de stelling van eiseres geen grond vindt in de bewoordingen van de GN-post. Nu tussen partijen vaststaat dat het product een premix voor dierenvoeder is; het gehalte choline chloride 60 althans meer dan 49 gewichtspercenten bedraagt en het maïskolvenmeel een organische drager is, voldoet het product aan alle kenmerken benodigd voor indeling onder de door verweerder op de bti vermelde GN-post. Het gelijk is aan verweerder.

5.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. C.J. Hummel, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A.J. Roke, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.