Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP1407

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
09/3961
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling: Er is niet voldaan aan het vereiste van artikel 49, eerste lid, eerste volzin, van de IW, zodat de aansprakelijkstelling van eiseres prematuur heeft plaatsgevonden. De beschikking aansprakelijkstelling kan niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/17.25 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 09/3961

Uitspraakdatum: 10 januari 2011

Uitspraak in het geding tussen

X te Y, eiseres,

gemachtigde: mr. A

en

de ontvanger van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 14 maart 2008 aansprakelijk gesteld voor een gedeelte van de niet betaalde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer 8086.22.456.A01.0500) over het tijdvak 1 januari tot en met 30 november 2000 van de vennootschap onder firma B (hierna: B)

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2009 de beschikking gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Namens eiseres is daar verschenen mr. C, kantoorgenoot van de gemachtigde, bijgestaan door mr. D. Namens verweerder is verschenen E.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. In het jaar 2000 heeft eiseres personeel, dat zij had ingeleend bij B (een uitzend- en detacheringsbureau), doorgeleend aan F te Amsterdam.

2.2. De belastingdienst is in maart 2003 bij B een onderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 16 september 2005. Dit heeft onder meer geleid tot het, met dagtekening 27 oktober 2005, opleggen aan B van de hiervoor onder 1.1 genoemde naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.187.215 (inclusief heffingsrente en verzuimboete).

2.3. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 9 oktober 2010 is B per 1 december 2000 ontbonden. B had drie vennoten, te weten G en H (beiden vanaf 1 januari 1998 tot en met 30 november 2000) en I (van 1 april 1998 tot en met 30 oktober 2000).

2.4. Blijkens de zich bij de stukken bevindende uitdraaien met historische adresgegevens van 17 februari 2009 staat G vanaf 3 november 1998 ingeschreven op het adres a-straat 1 te Q en is van I met ingang van 25 augustus 2005 geen adres bekend. Van H bevindt zich geen uitdraai met historische adresgegevens in het dossier.

2.5. De onder 2.2 genoemde naheffingsaanslag is op naam gesteld van V.O.F. B, a-straat 1 te Q. De naheffingsaanslag is onbetaald gebleven.

2.6. Bij beschikking van 14 maart 2008 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) en artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en premiebesluiten aansprakelijk gesteld voor een deel van de onder 2.2 genoemde en niet betaalde naheffingsaanslag, namelijk voor een bedrag van € 188.820.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of B in gebreke was met de betaling van de naheffingsaanslag op het moment dat eiseres aansprakelijk werd gesteld. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is de hoogte van de aansprakelijkstelling in geschil.

3.2. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag waarvoor zij (deels) aansprakelijk is gesteld door verweerder niet aan het juiste adres is verzonden. Voorts is eiseres van mening dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat op 70% van de door eiseres aan F doorgeleende werknemers het anoniementarief van toepassing is.

3.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag aan het juiste adres is verzonden en beroept zich tevens op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 december 2009, nr. 08/02641, LJN: BJ4910, waaruit verweerder afleidt dat de naheffingsaanslag in casu niet bekend behoefde te worden gemaakt nu B ten tijde van het opleggen daarvan niet meer bestond. Verweerder heeft ter zitting erkend dat nu blijkens het onder 2.2 bedoelde rapport ten aanzien van 214 van de 333 werknemers gebreken zijn geconstateerd voor een te hoog percentage werknemers het anoniementarief is toegepast.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, eerste volzin, van de IW vindt aansprakelijkstelling niet plaats vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met betaling van zijn belastingschuld. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de belastingschuldige in de gelegenheid is geweest kennis te nemen van de aanslag.

4.1.2. Anders dan verweerder bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de onder 3.3 genoemde uitspraak van de Hoge Raad in dit geval niet betekent dat de naheffingsaanslag niet bekend hoefde te worden gemaakt.

In voormelde uitspraak heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“Het Hof heeft met juistheid overwogen dat een belastingschuldige eerst nadat hij in de gelegenheid is geweest om van de aanslag kennis te nemen in gebreke kan zijn met de betaling van de desbetreffende belastingschuld. Deze regel heeft, toegepast als voorwaarde voor het aansprakelijk kunnen stellen van derden, echter geen goede zin in een geval als het onderhavige, waarin een belastingaanslag binnen de daartoe in de AWR gestelde termijn is vastgesteld ten name van een rechtspersoon wier faillissement wegens gebrek aan baten is opgeheven, waarna deze rechtspersoon overeenkomstig artikel 2:19, leden 1 en 4, BW is ontbonden en is opgehouden te bestaan, en nadien niet blijkt van het bestaan van een aan de ontbonden rechtspersoon toekomende bate welke aanleiding zou zijn de vereffening te (her)openen als bedoeld in artikel 2:23c, lid 1, BW met als gevolg dat de rechtspersoon in zoverre zou herleven.

In de hiervoor geschetste omstandigheden staat vast dat de rechtspersoon ten name van wie de aanslag is vastgesteld, de aanslag niet zal betwisten en evenmin zal betalen. De gewezen bestuurder die op de voet van artikel 36 van de Wet aansprakelijk wordt gesteld voor de desbetreffende belastingschuld en het bedrag van de aansprakelijkstelling in bezwaar en beroep kan betwisten, kan de ontvanger onder deze omstandigheden niet tegenwerpen dat de (door de inspecteur vastgestelde) aanslag niet overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de Wet bekend is gemaakt aan degene die de belastingschuld heeft belopen. Het in gevallen als het onderhavige vasthouden aan die formele eis dient niet een door de Wet gewaarborgd belang van de aansprakelijk gestelde en zou afbreuk doen aan het doel van de wettelijke regeling inzake de bestuurdersaansprakelijkheid.”

4.1.3. In casu is echter sprake van een ontbonden vennootschap onder firma. Nu de vennoten van een vennootschap onder firma op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap staat in dit geval niet vast dat de vennootschap onder firma ten name van wie de aanslag is vastgesteld de aanslag niet zal betwisten en evenmin zal betalen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de onderhavige situatie de aan B opgelegde naheffingsaanslag aan alle vennoten van B bekend diende te worden gemaakt. Pas als de naheffingsaanslag niet binnen de daarvoor geldende termijn volledig door de vennoten is betaald, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat als zij bezwaar maken tegen die aanslag dit over het algemeen gepaard gaat met uitstel van betaling, kan aansprakelijkstelling plaatsvinden.

De rechtbank merkt daarbij op, en in zoverre sluit zij wel aan bij de door verweerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad, dat aan deze eis niet kan worden vastgehouden als daarmee afbreuk wordt gedaan aan het doel van de wettelijke regeling van de aansprakelijkstelling. Hiervan kan sprake zijn indien een vennoot onvindbaar is, omdat hij niet in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en verweerder ook anderszins niet met zijn verblijfplaats bekend is. De vraag welke inspanningen van verweerder mogen worden verwacht om te proberen de verblijfplaats van een vennoot te achterhalen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

4.2.1. Niet gebleken is dat de naheffingsaanslag aan I bekend is gemaakt. Nu I vanaf 25 augustus 2005 niet in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven en uit de stukken geen enkel aanknopingspunt ten aanzien van zijn verblijfplaats naar voren komt, behoefde verweerder de aan B opgelegde naheffingsaanslag niet aan hem bekend te maken.

4.2.2. Evenmin is gebleken dat de naheffingsaanslag aan H bekend is gemaakt. Met betrekking tot H bevindt zich geen uitdraai uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij de stukken. In het onder 2.2 genoemde rapport van 16 september 2005 staat weliswaar vermeldt dat van H momenteel geen adres bekend is, maar bij de stukken bevindt zich een op 11 oktober 2005 bij de belastingdienst ontvangen brief van G en H die door hen beide is ondertekend en waarin zij opkomen tegen een andere aan B opgelegde naheffingsaanslag. In die brief staat weliswaar geen adres van H vermeldt, maar op grond van het voorgaande was verweerder gehouden een onderzoek in te stellen naar de verblijfplaats van H. Allereerst door na te gaan of er in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens een adres van H bekend was en zo nee, door bijvoorbeeld bij G navraag te doen naar de verblijfplaats van H. Gesteld noch gebleken is dat verweerder dat heeft gedaan. Onder die omstandigheden mocht verweerder er niet vanuit gaan dat H onvindbaar was en dat de naheffingsaanslag niet aan hem bekend behoefde te worden gemaakt.

4.2.3. Ten aanzien van G heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat door verweerder niet aannemelijk is gemaakt dat de naheffingsaanslag aan hem bekend is gemaakt. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende. In beginsel is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat een aanslag op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanslag de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanslag op dat adres. Dit brengt mee dat verweerder in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres (vgl. Hoge Raad 15 december 2006, nr. 41 882, LJN: AZ4416).

4.2.4. De naheffingsaanslag vermeld als adres a-straat 1 te Q, het adres waar G ingeschreven staat. Verweerder heeft gesteld dat de naheffingsaanslag op 25 oktober 2005 ter post is bezorgd en heeft daartoe gewezen op de wijze waarop onder meer de verzending van aanslagen bij Belastingdienst/Centrum voor ICT (hierna: B/CICT) worden verwerkt. Ook heeft verweerder gewezen op de door hem overgelegde ambtsedige verklaring van 11 augustus 2008 van J, productiecoördinator bij B/CICT, unit Aangifte, waarin deze verklaart dat de onderhavige naheffingsaanslag is verzonden op 25 oktober 2005.

4.2.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag is verzonden. De rechtbank ziet reden de verklaring van J buiten beschouwing te laten, nu deze bijna drie jaar na de gestelde datum van verzending is opgemaakt en niet de reden van wetenschap van J vermeldt. De door verweerder in zijn verweerschrift gegeven beschrijving van de werkwijze ten aanzien van de opmaak, couvertering en verzending van aanslagbiljetten, acht de rechtbank onvoldoende bewijs van verzending, nu dit een algemene beschrijving van het werkproces is, en daaruit niet concreet de verzending van de onderhavige naheffingsaanslag kan worden afgeleid. Dat G andere correspondentie die de belastingdienst naar zijn adres heeft verzonden wel heeft ontvangen en tegen een andere aan B opgelegde naheffingsaanslag bezwaar heeft gemaakt, welk bezwaar door verweerder is opgevat als mede gericht tegen de onderhavige naheffingsaanslag, maakt dat niet anders.

4.3. Uit al het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 49, eerste lid, eerste volzin, van de IW, zodat de aansprakelijkstelling van eiseres prematuur heeft plaatsgevonden en beschikking niet in stand kan blijven. Nu het beroep om deze reden reeds gegrond is behoeven de overige stellingen van eiseres geen bespreking.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.H.L.C. Bijvoet, voorzitter, en mr. A.E. Keulemans en mr. C.J. Hummel, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.