Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BP1105

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
AWB 09/3718 & AWB 09/3719
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP7152
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BR4644, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

B&W hebben aan de provincie een vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de aanleg van twee aansluitingen van de N201 op de Rijksweg A4, inclusief verbindingswegen (deelproject “N201, aansluitingen A4”) tussen de Kruisweg in De Hoek en de Bennebroekerweg. De vrijstelling is een m.e.r.-plichtig besluit. Volgens B&W bestaat geen verplichting om met betrekking tot de vrijstelling een afzonderlijke m.e.r. voor besluiten te verrichten, omdat ten behoeve van de streekplanherziening / -uitwerking uit 2002 reeds een m.e.r. is uitgevoerd.

Anders dan in de uitspraak van de ABRS van 21 januari 2009 (Kernhem, LJN: BH0469) over het overgangsrecht uit 1996 bij de wijziging van het Besluit milieueffectrapportage 1994 is volgens de rechtbank geen sprake het ontbreken van toegevoegde waarde van een tweede appellabele m.e.r.-beoordeling. De streekplanherziening / -uitwerking bevatte geen concrete beleidsbeslissing, zodat de streekplanherziening / -uitwerking destijds niet voor beroep vatbaar was. B&W hebben ten onrechte ten behoeve van de vrijstelling geen m.e.r. opgesteld. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7.27 ,eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 4a
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3801
JOM 2011/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 – 3718 (aanlegvergunning) en 09 – 3719 (vrijstelling)

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2011

in de zaak van:

de maatschap [..] (de maatschap),

gevestigd te Harderwijk,

de besloten vennootschap Onroerend Goed Maatschappij De Meer B.V. (De Meer),

gevestigd te Haarlemmermeer,

[naam eiser 1],

wonende te [woonplaats],

[naam eiser 2],

wonende te [woonplaats], en

[naam eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. F. Spijker, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam,

derde belanghebbende

de publiekrechtelijke rechtspersoon Provincie Noord-Holland (de provincie),

gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink, advocaat te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2009, verzonden op 18 juni 2009 heeft verweerder aan de provincie een vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de aanleg van twee aansluitingen van de N201 op de Rijksweg A4, inclusief verbindingswegen (deelproject “N201, aansluitingen A4”) tussen de Kruisweg in De Hoek en de Bennebroekerweg (hierna: de vrijstelling).

Bij besluit van 4 juni 2009, verzonden op 18 juni 2009 heeft verweerder voorts aan de provincie een aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van genoemde aansluitingen (hierna: de aanlegvergunning).

Tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten) hebben eisers bij brief van 29 juli 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 oktober 2010, alwaar voor eisers zijn verschenen [naam], [naam eiser 2], [naam eiser 3] en mr. C. Pasteuning, kantoorgenote van gemachtigde voornoemd. Voor verweerder is verschenen gemachtigde mr. M. Klijnstra. Voor de provincie zijn verschenen [naam], werkzaam bij de provincie en gemachtigde mr. H.G.M. Besselink.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1 De rechtbank zal allereerst ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen.

2.2 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.

2.3 Uit de gedingstukken blijkt dat [naam eiser 1], [naam eiser 2] en [naam eiser 3] tezamen voor gelijke delen eigenaar zijn van de percelen, waarop de bestreden besluiten mede betrekking hebben. Uit dien hoofde dienen zij als belanghebbende te worden aangemerkt.

2.4 Als lid van de maatschap, niet tevens zijnde eigenaar van de percelen, heeft De Meer een afgeleid en mitsdien niet rechtstreeks belang, zodat zij naar het oordeel van de rechtbank niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Ook de maatschap kan bij gebreke van een positie als eigenaar van de percelen de toets van artikel 1:2 van de Awb niet doorstaan. Niet gebleken is dat De Meer en de maatschap om een andere reden als belanghebbende zouden moeten worden aangemerkt.

2.5 Het beroep is derhalve ontvankelijk voor zover ingesteld door [naam eiser 1], [naam eiser 2] en [naam eiser 3] en niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door De Meer en de maatschap.

Wettelijk kader

2.6 Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden..

2.7 Ingevolge artikel 9.1.6, eerste lid, van de Invoeringswet Wro wordt een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de WRO gelijkgesteld met een aanlegvergunning als bedoeld in de Wro. Ingevolge het tweede lid blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing ten aanzien van een aanlegvergunning waarvan de aanvraag is ingediend voor dat tijdstip.

2.8 Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de WRO kan bij bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is.

2.9 Ingevolge artikel VII van de planvoorschriften bij het Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling is het – voor zover hier van belang – verboden om zonder schriftelijke vergunning van verweerder (aanlegvergunning) op de gronden aangegeven op plankaarten “Bouwhoogtebeperkingen” genummerd 1H tot en met 6H, bovengrondse constructies, geen bouwwerken zijnde uit te voeren.

2.10 Ingevolge artikel 44, eerste lid sub a, van de WRO, mag en moet een aanlegvergunning worden geweigerd indien de werkzaamheden in strijd zouden zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

2.11 Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, Invoeringswet van de Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Voor zover niet anders is aangegeven wordt met de hierna te noemen wettelijke bepalingen derhalve gedoeld op de tekst van deze bepalingen zoals deze gold op 30 juni 2008.

2.12 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van geen bezwaar hebben.

2.13 Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (…);

2.14 Ter zake van de activiteiten, bedoeld in artikel 7.2, het eerste lid, onder a, van de Wm worden ingevolge het derde lid de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden gemaakt.

2.15 Ingevolge artikel 7.27, eerste lid, van de Wm, neemt het bevoegd gezag een krachtens artikel 7.2, derde lid Wm aangewezen besluit niet dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.12 tot en met 7.26 Wm.

2.16 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wm aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de Bijlage bij het besluit (hierna: de Bijlage) is omschreven.

2.17 Ingevolge het vierde lid worden als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, derde lid, van de Wm aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel C van de Bijlage zijn omschreven.

2.18 Ingevolge artikel 1 van onderdeel A van de Bijlage wordt, voor zover van belang, onder plan als bedoeld in artikel 10 van de WRO, voor zover het plan wordt genoemd in kolom 4 van onderdeel C, mede verstaan een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

2.19 Ingevolge onderdeel C, categorie 1.5, kolom 4 van de Bijlage, voor zover hier van belang, is het maken van een m.e.r. voor besluiten verplicht bij de vaststelling van het tracé door het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur voor de wijziging of uitbreiding van een autosnelweg of autoweg, niet zijnde een hoofdweg in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 10 kilometer of meer, dan wel bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WRO, dan wel bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 10 van de WRO wanneer dat het tracé bepaalt.

Feiten

2.20 Bij brief van 10 december 2007 heeft Projectenbureau N201+, dat deel uitmaakt van de provincie, een aanvraag gedaan voor een vrijstelling van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen voor de aanleg van twee aansluitingen van de N201 op de Rijksweg A4, inclusief verbindingswegen (deelproject “N201, aansluitingen A4”) tussen de Kruisweg in De Hoek en de Bennebroekerweg te Haarlemmermeer (hierna: het project). Niet in geding is dat het project in strijd is met ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Daarnaast heeft de provincie een aanvraag gedaan voor een aanlegvergunning voor zover de werkzaamheden gepland zijn binnen het gebied waar het Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling van kracht is.

2.21 Verweerder heeft door publicatie op 28 augustus 2008 een ontwerp-vrijstellingsbesluit en een ontwerp-aanlegvergunning bekendgemaakt. Eisers hebben een zienswijze tegen beide ontwerp-besluiten ingediend. Bij besluiten van 4 juni 2009, verzonden op 18 juni 2009 heeft verweerder de vrijstelling en aanlegvergunning verleend.

Standpunten partijen

2.22 Eisers voeren in beroep aan dat een afzonderlijke m.e.r. voor besluiten had moeten worden uitgevoerd. ten behoeve van de vrijstelling. Nu dit niet is gebeurd, dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd, aldus eisers.

2.23 Verweerder stelt dat er geen verplichting bestaat om met betrekking tot de vrijstelling een afzonderlijke m.e.r. voor besluiten te verrichten, omdat ten behoeve van de streekplanherziening / -uitwerking uit 2002 reeds een m.e.r. is uitgevoerd. Gezien het destijds geldende recht bestond de wettelijke plicht tot het ten behoeve van de streekplanherziening / -uitwerking verrichten van een m.e.r., zodat niet opnieuw een m.e.r. voor besluiten had hoeven worden opgesteld ten behoeve van de vrijstelling, aldus verweerder.

Beoordeling

2.24 Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft in september 2002 de streekplanherziening N201 / Aalsmeer en de streekplanuitwerking N201 A4 Haarlemmermeer (de streekplanherziening / -uitwerking) vastgesteld, in welk kader een m.e.r. is opgesteld.

2.25 De rechtbank stelt voorop, hetgeen overigens ook niet door partijen wordt bestreden, dat op basis van artikel 4a, achtste lid, van de WRO, zoals dat luidde in 2002, de streekplanherziening / - uitwerking geen zogeheten concrete beleidsbeslissing bevatte, hetgeen als consequentie had dat deze streekplanherziening / -uitwerking destijds niet voor beroep vatbaar was. De planologische keuze voor de omlegging van de N201 en de beoordeling van de milieu-effecten daarvan in de in dat kader uitgevoerde m.e.r. konden destijds dan ook niet aan een rechterlijke toets worden onderworpen.

2.26 De rechtbank overweegt dat in het kader van de beoordeling of de vrijstelling m.e.r.-plichtig is, niet kan worden volstaan met de beoordeling of de activiteit waarvoor de vrijstelling is gevraagd op zichzelf m.e.r.-plichtig is, maar dat de met het besluit tot vrijstelling samenhangende activiteiten in deze beoordeling dienen te worden betrokken. Bij de toepassing van het Besluit is daarom het gehele project van de omlegging van de N201 tussen Hoofddorp en Amstelhoek van belang. Dat project is een activiteit als bedoeld in onderdeel C, onder 1.5, kolom 1, hetgeen overigens tussen partijen niet in het geding is. Om deze reden moet de vrijstelling worden beschouwd als een besluit in de zin van onderdeel C, onder 1.5, kolom 4 van de Bijlage. Hieruit volgt dat ten behoeve van de vrijstelling een m.e.r. moet worden uitgevoerd.

2.27 Artikel II van het Besluit van 16 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage 1994 (Stb 2006, 388) bevat overgangsrecht voor de situatie waarin onder het nieuwe recht de verplichting om een m.e.r. voor besluiten uit te voeren is verschoven van de vaststelling van een bestemmingsplan naar de vaststelling van een uitwerkingsplan.

2.28 In het specifiek op artikel II van het wijzigingsbesluit betrekking hebbende deel van de toelichting is uitdrukkelijk gesteld dat het de bedoeling is geweest om ten aanzien van m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten maar één m.e.r. te maken ten behoeve van een besluit. Nu een tweede m.e.r.(beoordeling) in dit soort situaties geen toegevoegde waarde zou hebben en slechts zou leiden tot onnodige administratieve en bestuurlijke lasten, is middels overgangsrecht bepaald dat geen m.e.r. hoeft te worden uitgevoerd voor bijvoorbeeld het uitwerkingsplan van een bestemmingsplan, indien voor dat bestemmingsplan op grond van het voorheen geldende Besluit al een m.e.r. is gemaakt, aldus de toelichting.

2.29 Onder verwijzing naar de redenering die de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in zijn uitspraak van 21 januari 2009 (Kernhem, LJN: BH0469) heeft gehanteerd is de rechtbank van oordeel dat dit overgangsrecht ook moet worden geacht betrekking te hebben op de situatie waarin vrijstelling wordt gegeven van een bestemmingsplan en waarin op grond van het voorheen geldende Besluit al eerder, ten behoeve van een in een streekplan vervatte concrete beleidsbeslissing, een m.e.r. voor besluiten is uitgevoerd.

2.30 De rechtbank dient derhalve te beoordelen of de in de vorige overweging bedoelde interpretatie van het overgangsrecht ook geldig is ten aanzien van de in het kader van de streekplanherziening / -uitwerking opgestelde m.e.r.

2.31 Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Weliswaar is ten behoeve van de streekplanherziening / -uitwerking een m.e.r. opgesteld. Echter de streekplanherziening / -uitwerking bevat geen concrete beleidsbeslissing. Om deze reden kan de in de uitspraak van 21 januari 2009 van de ABRvS verwoorde redelijke toepassing van het aan het wijzigingsbesluit verbonden overgangsrecht in dit geval niet onverkort worden toegepast. Aan deze lezing van het overgangsrecht kan derhalve geen aanknopingspunten worden ontleend voor de conclusie dat de verplichting om voor de vrijstelling een m.e.r. uit te voeren is komen te vervallen. De rechtbank kent bij zijn oordeel in het bijzonder gewicht toe aan de omstandigheid dat in de hierboven geparafraseerde passage uit de toelichting op het wijzigingsbesluit als ook in de uitspaak van de ABRvS sprake is van het ontbreken van toegevoegde waarde van een tweede appellabele m.e.r.-beoordeling. Dat laatste is thans niet het geval, omdat de streekplanherziening / -uitwerking destijds niet voor beroep vatbaar was.

2.32 De rechtbank is niet gebleken van andere redenen waarom in dit geval de vrijstelling niet moet worden aangemerkt als het eerste besluit dat voorziet in de aanleg van de N201.

2.33 De rechtbank stelt vast dan ten behoeve van de vrijstelling geen m.e.r. is opgesteld, noch dat een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 7.5 van de Wm, dan wel dat de verkorte procedure is gevolgd als bedoeld in 7.16 van de Wm.

2.34 Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit omtrent de vrijstelling zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7.27, eerste lid, van de Wm.

2.35 Eisers hebben nog aangevoerd dat de MER ten onrechte niet in het kader van de vrijstelling ter inzage is gelegd. Ook stellen eisers dat de aan het Streekplan ten grondslag gelegde m.e.r. zodanig is verouderd dat het niet aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag gelegd kan worden. Daarnaast voeren eisers aan dat andere projecten, zoals bijvoorbeeld Schiphol Logistics Park, een zodanige samenhang vertonen met de aansluiting van de N201 op de A4, dat een m.e.r. had moeten worden opgesteld voor deze projecten tezamen. Deze beroepsgronden behoeven, gezien het feit dat de vrijstelling zal worden vernietigd, geen bespreking in het kader van deze beroepsprocedure.

2.36 Het beroep tegen de aanlegvergunning kent geen afzonderlijke beroepsgronden. Nu de vrijstelling zal worden vernietigd, is de aanlegvergunning zonder de op grond van artikel 44, eerste lid sub a, WRO vereiste vrijstelling en derhalve ten onrechte verleend. Daarom zal ook het besluit tot verlening van de aanlegvergunning worden vernietigd.

2.37 Het beroep is gegrond. Er bestaat aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank in dit verband voor beide beroepen twee punten toe: een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting. Elk punt komt overeen met een bedrag van € 322,00, waarmee het totaal voor beide beroepen € 1.288,00 bedraagt. Voorts zal de rechtbank gelasten dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van twee maal € 297,00 aan hen vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van het beroep van De Meer en van de maatschap:

3.1 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

ten aanzien van het beroep van [naam eiser 1], [naam eiser 2] en [naam eiser 3]:

3.2 verklaart het beroep gegrond;

3.3 vernietigt de bestreden besluiten;

3.4 veroordeelt verweerder in de door eisers in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, te betalen aan eisers;

3.5 gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 594,00 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. P.H. Lauryssen en mr. B. Veenman, leden, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.