Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:901

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
AWB 10_2300, 10_2301 en 10_2302
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 52 AWR

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2017/986
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 10/2300, 10/2301 en 10/2302

Uitspraakdatum: 30 maart 2011

Uitspraak in de gedingen tussen

[X] , eiseres,

gemachtigde: R. Tangenberg (werkzaam bij D&C Fiscaal- en Juridisch Advies)

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, verweerder.

10/2300

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.940 (hierna ook: VA 2006). Voorts is bij aparte beschikking € 4.600 heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2007 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.621 (hierna ook: VA 2007). Voorts is bij aparte beschikking € 3.842 heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.3. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2008 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.588 (hierna ook: VA 2008). Voorts is bij aparte beschikking € 1.744 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de voorlopige aanslagen verminderd tot voorlopige aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.182 (VA 2006), € 74.668 (VA 2007), € 73.635 (VA 2008). De beschikkingen heffingsrente zijn dienovereenkomstig verminderd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brieven van 24 april 2010, ontvangen bij de rechtbank op 6 mei 2010, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

1.5. Op 14 december 2010 heeft eiseres nadere stukken ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2010. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen R.G.A. de Jong en D.T.G. Beugeling. Verweerder heeft ter zitting nadere stukken overgelegd aan de rechtbank en eiseres. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en verweerder.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres heeft in de onderhavige jaren gewerkt als prostituee in Amsterdam.

2.2.

Eiseres is op [A] 2009 op luchthaven Schiphol aangehouden door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee. In haar handbagage is € 29.000 aan contant geld gevonden. Op dezelfde dag is eiseres twee maal verhoord. Zij heeft verklaard ruim twee jaar als prostituee werkzaam te zijn in Amsterdam. Voorts heeft zij verklaard dat zij gemiddeld € 400 per dag verdient en zij 27 á 28 dagen in de maand werkt.

2.3.

Naar aanleiding van de aanhouding is een boekenonderzoek gestart. Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van de processen-verbaal van de twee verhoren op [A] 2009.

2.4.

De bevindingen uit dit boekenonderzoek zijn in een controlerapport vastgelegd. Met betrekking tot de verhoren staat in het controlerapport het volgende.

“ 4 Verklaring mevrouw [X]

Mevrouw [X] is tweemaal verhoord door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee te Schiphol op dinsdag [A] 2009 omstreeks 11.09 uur en omstreeks 14.06 uur.

Mevrouw [X] heeft verklaard ruim twee jaar als prostituee werkzaam te zijn in Amsterdam. Mevrouw [X] huurt in Amsterdam een woning voor € 1.250. Mevrouw [X] heeft verklaard dat zij deze kosten deelt met een vriendin. Bovendien heeft mevrouw [X] een kamer in Barcelona. Mevrouw [X] betaald voor deze kamer € 300 en € 100 aan vaste lasten. Volgens de verklaring van mevrouw [X] verdient zij soms € 200-300, soms € 700/800 per dag, gemiddeld € 400 bruto. De kosten die mevrouw [X] maakt bestaan onder andere uit raamhuur, condooms, glijmiddel en dergelijke. Mevrouw [X]

werkt 27/28 dagen per maand. Mevrouw [X] heeft verklaard dat zij één vrije dag heeft in de week. Het bedrag dat bij haar aanhouding is aangetroffen, is volgens mevrouw [X] haar inkomsten verkregen uit haar prostitutiewerkzaamheden over de afgelopen drie maanden.

In de periode 2005 en 2006 heeft mevrouw [X] meerdere keren geld overgemaakt naar Spanje en geld gewisseld om mee te nemen naar Spanje, volgens haar verklaring zijn dit tevens inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden. Volgens haar verklaring heeft mevrouw [X] geen bankrekening in Nederland. Mevrouw [X] beschikt wel over een rekening op een Spaanse spaarbank “ [B] ”. Het saldo dat mevrouw [X] heeft gespaard bedraagt ongeveer € 100.000.”

2.5.

Eiseres is op [C] 2010 op luchthaven Schiphol wederom aangehouden door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee. In haar (hand)bagage is € 13.120 aan contant geld gevonden. In het proces-verbaal van het verhoor is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“ Ik werk in Nederland. Ik werk in de prostitutie in Amsterdam. Ik heb hier een vast werkadres. Ik werk niet voor een werkgever, ik werk voor mezelf. Ik huur in Amsterdam een kamertje waarin ik mijn klanten ontvang.

Ik heb ook een appartement in Amsterdam, een slaapadres. Dit adres is heel dichtbij mijn huurkamer waar ik werk. In dit appartement woon in alleen. Ik weet het adres niet. Voor het appartement betaal ik 1250 euro per maand aan huur. De huur van mijn werkkamer bedraag[t] 150 euro per dag.

Verder zijn mijn vaste lasten mijn auto, telefoon en verzekering. Ik heb geen idee wat mijn vaste lasten per maand zijn. Mijn auto heb ik in Spanje.

Ik woon de meeste tijd van het jaar in Nederland. Af en toe ga ik terug naar Spanje om uit te rusten.

Ik heb me niet laten inschrijven in de gemeente Amsterdam omdat ik niet weet hoe ik dit moet doen en waar ik naar toe moet gaan. Ook spreek ik geen Nederlands. Ik heb geen aanspreekpunt op mijn werk dat ik weet die daar over gaat.

Ik heb geen schulden bij de bank of iets dergelijks. Ik verdien ongeveer 3000/3500 euro per maand. Dit is een nettobedrag dat ik verdien. De klanten die bij mij[] komen betalen per keer 40 of 50 euro. Ik heb ongeveer 4 of 5 klanten per nacht. Ik verdien dus ongeveer 200/300 euro per nacht. Soms verdien ik alleen de kosten van de kamer, maar soms ook wel 400 euro per nacht.

Ik werk bijna elke dag. Soms neem ik een dagje pauze per week als ik veel stress heb. Af en toe neem ik 2 dagen in de week vrij.”

2.6.

Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige aanslagen opgelegd. Verweerder heeft de inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden geschat en deze schatting aangemerkt als belastbare winst uit onderneming.

2.7.

Bij uitspraak op bezwaar zijn de aanslagen verminderd omdat bij de berekening van de winst uit onderneming rekening is gehouden met omzet inclusief omzetbelasting, in plaats van exclusief omzetbelasting.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

In geschil is de hoogte van de voorlopige aanslagen zoals deze verminderd zijn na de uitspraken op bezwaar.

3.2.

Eiseres heeft primair de stelling ingenomen dat zij haar woonplaats niet in Nederland heeft, doch in Spanje, en dat zij derhalve buitenlands belastingplichtige is. Om die reden zijn tevens de kosten van het reizen tussen Nederland en Spanje kosten die ten laste van de winst uit onderneming kunnen worden gebracht. Voorts heeft eiseres de stelling ingenomen dat bij de schatting van de omzet geen rekening is gehouden met het feit dat over de omzet 19% btw wordt geheven. Eiseres stelt voorts dat zij in de jaren 2006 en 2007 recht heeft op startersaftrek en in 2008 recht heeft op de MKB-winstvrijstelling ex artikel 3.79a, Wet IB 2001.

3.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres, door het niet opgeven van de inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden bij haar aangiftes ib/pvv, de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Omkering van bewijslast dient plaats te vinden. De aanslagen zijn vervolgens gebaseerd op een redelijke schatting van de inkomsten, aldus verweerder.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank begrijpt dat niet langer in geschil is dat de onderhavige beroepsprocedures zien op de voorlopige aanslagen ib/pvv over de jaren 2006 tot en met 2008 en niet de definitieve aanslagen over die jaren. De rechtbank acht dit standpunt juist en ziet geen reden anders te oordelen.

4.2.

Eiseres’ primaire stelling is dat zij in de onderhavige jaren niet in Nederland woonachtig is geweest, maar in Spanje en dat zij om die reden niet binnenlands, maar buitenlands belastingplichtige was. Deze stelling van eiseres faalt, daar deze stelling feitelijke grondslag mist. Deze stelling strookt namelijk niet met haar eerdere verklaring van [C] 2010, waarin zij stelt dat zij de meeste tijd van het jaar in Nederland woont en af en toe naar Spanje gaat om uit te rusten. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eiseres niet buitenlands belastingplichtig is en dat zij derhalve geen recht heeft op aftrek van de gemaakte kosten voor het reizen tussen Nederland en Spanje.

4.3.

Niet in geschil is dat eiseres over de onderhavige jaren heeft verzuimd inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden aan te geven. De rechtbank is van oordeel dat het om substantiële bedragen gaat en dat eiseres zich er van bewust moet zijn geweest dat zij deze inkomsten in haar aangifte diende te verantwoorden. De vereiste aangiftes zijn derhalve niet gedaan. Gelet op artikel 27e, aanhef, onderdeel a, en slot van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dient de zogeheten omkering van bewijslast plaats te vinden. Dit heeft tot gevolg dat eiseres overtuigend dient aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.4.1.

Eiseres heeft de stelling ingenomen dat rekening is gehouden met een omzet inclusief omzetbelasting en dat om die reden de omzet verminderd dient te worden met 19/119. Deze stelling kan niet slagen. Zoals uit de toelichting op de uitspraak op het bezwaar (de brief met dagtekening 8 februari 2010) blijkt, heeft verweerder bij de schatting van de omzet, de omzet reeds bij het doen van de uitspraken op het bezwaar verminderd met de omzetbelasting.

4.4.2.

De stelling van eiseres dat zij buitenlands belastingplichtige is en daarom recht heeft op aftrek van reiskosten, slaagt evenmin. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen reeds hiervoor in onderdeel 4.2 is overwogen.

4.4.3.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiseres niet overtuigend heeft weten aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.5.1.

Dat de aanslagen met de omkering van bewijslast zijn vastgesteld, betekent echter niet dat verweerder deze naar willekeur mag vaststellen, maar dat deze dienen te berusten op een redelijke schatting.

4.5.2.

Verweerder heeft de omzet berekend aan de hand van de verklaring van eiseres tegenover de Koninklijke Marechaussee waarin zij aangeeft dat zij 27/28 dagen per maand werkt en gemiddeld € 400 per dag verdient. Mede gelet op het feit dat de schatting is gebaseerd op de verklaringen van eiseres zelf, acht de rechtbank dit een redelijk uitgangspunt. De enkele stelling van eiseres dat zij in die jaren soms voor een langere tijd in Spanje verbleef, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

4.5.3.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2008 niet berust op een redelijke schatting. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn schatting onder meer verwezen naar ter zitting overgelegde facturen van kamerhuur in 2008. Echter, over de maanden januari en februari 2008 ontbreken de facturen. Dit strookt met de stelling van eiseres, welke wordt onderbouwd aan de hand van vliegtickets, dat zij in die periode in Spanje verbleef. Door deze maanden te betrekken in de omzetberekening, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen redelijke schatting heeft gemaakt. De rechtbank acht, gelet op de door verweerder overgelegde facturen van kamerhuur en de door eiseres overgelegde rekeningen van vliegtickets, een halvering van de schatting van verweerder redelijk. Verweerder heeft zijn hogere schatting onvoldoende weten te onderbouwen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het banksaldo van eiseres € 300.000 bedraagt. Dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, daar dit bedrag ook in andere jaren dan de onderhavige kan zijn verdiend. De omzet inclusief omzetbelasting bedraagt dan € 68.750. Exclusief de btw is de omzet € 57.773. De in 2008 aftrekbare kosten bedragen € 18.750, zodat de winst, voor ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling, € 39.023 bedraagt.

4.5.4.

Niet in geschil is dat eiseres in alle onderhavige jaren recht heeft op zelfstandigenaftrek. Door de wijziging van de winst uit onderneming in 2008, wijzigt ook de zelfstandigenaftrek. Deze bedraagt € 6.968. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat zij in 2008 recht heeft op de MKB-winstvrijstelling. Deze vrijstelling bedraagt (10% van € 39.023 - € 6.968 =) € 3.206. Het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2008 bedraagt daarom € 28.849.

4.5.5.

Eiseres heeft voorts onweersproken gesteld dat zij recht heeft op startersaftrek in de jaren 2006 en 2007. De winsten over die jaren dient te worden verminderd met respectievelijk € 1.987 en € 2.019. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient derhalve verlaagd te worden tot € 60.195 (2006) € 72.649 (2007).

4.6.

Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen tegen alle drie de voorlopige aanslagen gegrond. Aangezien uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de voorlopige aanslagen moeten worden verlaagd, slaagt ook het beroep tegen de beschikking heffingsrente. De rechtbank zal de beschikking dienovereenkomstig aanpassen.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Nu sprake is van drie samenhangende zaken en gesteld noch gebleken is dat sprake is van zaken die niet van gemiddeld gewicht zijn, is de wegingsfactor op 1 gesteld. Overige kosten zijn gesteld noch gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de VA 2006 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.195;

  • -

    vermindert de VA 2007 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.649;

  • -

    vermindert de VA 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.849;

  • -

    bepaalt dat de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig zal worden verminderd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 874;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2011 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr.A.A. Fase, rechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.J.E. Lodder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.