Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:2362

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AWB 10 - 4730
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres kan zich niet verenigen met de beslissing van verweerder om het tiende accreditatieprogramma niet te accrediteren. Naar haar mening moet de brief van 9 mei 2007 worden gekwalificeerd als een bezwaarschrift tegen de Regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 4730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2011

in de zaak van:

Instituut voor Toegepaste Beleggingswetenschappen B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht,

tegen:

de Minister van Financiën,

verweerder.

1 Procesverloop

Op 20 april 2007heeftverweerder de Regeling vaststelling inhaalprogramma’s beleggen vastgesteld (hierna: de Regeling) en een negental inhaalprogramma’s van eiseres opgenomen in de bijlage bij deze Regeling.

Bij brief van 9 mei 2007 heeft eiseres zich vervolgens tot het College deskundigheid financiële dienstverlening (hierna: CDFD) gewend omtrent de niet-verleende tiende accreditatie.

Bij brief van 22 mei 2007 heeft het CDFD eiseres bericht geen aanleiding te zien om verweerder te adviseren ook het tiende inhaalprogramma van eiseres te accrediteren. Het CDFD heeft een kopie van de brief van eiseres van 9 mei 2007 en van het antwoord daarop van CDFD aan verweerder doorgestuurd.

Bij brief van 22 april 2010 heeft eiseres verweerder verzocht om alsnog te beslissen op de in de brief van 9 mei 2007 geuite bezwaren.

Bij brief van 23 juli 2010 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat in de brief van 9 mei 2007 geen sprake is van enig bezwaar tegen de Regeling.

Tegen deze brief heeft eiseres bij schrijven van 1 september 2010 beroep ingesteld.

Verweerderheeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 maart 2011, alwaar namens eiseres [naam] , bijgestaan door gemachtigde mr. J.J. Weldam, is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.A.G. Stolker en mr. drs. E. Endler, beiden werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

2 Overwegingen

2.1

In december 2006 heeft eiseres tien inhaalprogramma’s ‘Beleggen A’ ter accreditatie ingediend bij het CDFD. Blijkens een e-mail van het CDFD van 8 februari 2007 zijn deze inhaalprogramma’s met een positief advies voorgedragen aan verweerder.

2.2

Bij de Regeling vaststelling inhaalprogramma’s beleggen van 20 april 2007 heeft verweerder een aantal inhaalprogramma’s ‘Beleggen A’, waaronder negen inhaalprogramma’s van eiseres, geaccrediteerd. Deze inhaalprogramma’s zijn vermeld in de bijlage bij deze Regeling.

2.3

Eiseres kan zich niet verenigen met de beslissing van verweerder om het tiende accreditatieprogramma niet te accrediteren. Naar haar mening moet de brief van 9 mei 2007 worden gekwalificeerd als een bezwaarschrift tegen de Regeling. De brief van verweerder van 23 juli 2010 heeft eiseres opgevat als een beslissing op haar bezwaren.

2.4

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat er geen sprake is van een beslissing op bezwaar waartegen beroep kan worden ingesteld, aangezien de brief van eiseres van 9 mei 2007, gelet op de inhoud daarvan, niet als bezwaarschrift kan worden aangemerkt. Om die reden verzoekt verweerder het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

2.5

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiseres vermeldt in de brief van 9 mei 2007 te willen klagen over de wijze waarop de accreditatieprocedure van de inhaalprogramma’s zich heeft voltrokken. Zij vindt het niet terecht dat haar tiende inhaalprogramma niet is geaccrediteerd, maar de programma’s van Kluwer wel. Naar haar mening is ten aanzien van de accreditatie een onredelijke beslissing genomen. Hoewel de brief van 9 mei 2007 niet is gericht aan verweerder, maar aan het CDFD en in de brief de Regeling niet expliciet wordt genoemd, valt daaruit naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie te trekken dan dat eiseres zich niet kan verenigen met de door verweerder vastgestelde (bijlage bij) de Regeling. Verweerder had deze brief dan ook moeten aanmerken als een tegen (de bijlage bij) de Regeling gericht bezwaarschrift. De enkele omstandigheid dat de brief wordt afgesloten met de mededeling dat, afhankelijk van verweerders reactie, stappen zullen worden ondernomen en dat eiseres haar jurist opdracht zal geven uit te zoeken of verweerder besluit rechtmatig is, betekent niet zonder meer dat eiseres hiermee heeft bedoeld niet reeds bij en met deze brief bezwaar te zullen maken. Deze zinnen sluiten immers niet uit dat eiseres hiermee heeft bedoeld bij een ongegrondverklaring van haar bezwaar zonodig beroep in te zullen stellen of anderszins rechtsmaatregelen te zullen treffen. Ook de omstandigheid dat eiseres deze brief abusievelijk heeft gericht aan het CDFD leidt niet tot een ander oordeel.

2.6

Voorts dient de brief van verweerder van 23 juli 2010 te worden aangemerkt als een beslissing op dit bezwaar. De brief bevat immers een standpunt omtrent het (rechts-) karakter van de brief van 7 mei 2007. Het beroep van eiseres daartegen is dan ook ontvankelijk. De rechtbank zal het beroep van eiseres, gelet op het vorenstaande, gegrond verklaren en het besluit van 23 juli 2010 vernietigen. Voorts zal zij verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

2.7

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,--.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1

verklaart het beroep gegrond;

3.2

vernietigt het bestreden besluit van 23 juli 2010;

3.3

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,--, te betalen aan eiseres;

3.5

gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 298,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Ok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.