Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:2184

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
AWB 11 - 361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom wegens gebruik het gebruik van een stuk grond als erf, buiten het bouwperceel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 361

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2011

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Wormerland,

verweerder,

derde partij:

[derde belanghebbende],

wonende te [woonplaats].

1 Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2010 heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruik van een stuk grond als erf buiten het bouwperceel [adres 1], in strijd met het bestemmingsplan.

Op 20 december 2010 heeft eiser verzocht om de bezwaarschriftenprocedure over te slaan en rechtstreeks beroep in te stellen.

Op 14 januari 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 december 2010.

Verweerder heeft op 19 januari 2011 schriftelijk ingestemd met het gebruik van de mogelijkheid om rechtstreeks beroep in te stellen en heeft het bezwaarschrift als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De derde partij heeft op 7 april 2011 te kennen gegeven gebruik te willen maken om als belanghebbende deel te nemen aan de onderhavige procedure.

Bij brief van 19 januari 2011 heeft verweerder aangegeven de in het besluit van 7 december 2010 neergelegde begunstigingtermijn op te schorten tot 4 weken na de uitspraak van de rechtbank.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 mei 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer E. Kluijskens en mevrouw C. Ekel. De derde partij is in persoon verschenen, samen met haar echtgenoot.

2 Overwegingen

2.1

In 2002 is aan eiser een bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel [adres 1]. Deze woning is gesitueerd aan de oostzijde van het perceel, waarbij de oostmuur van de woning is gelegen in het midden van een eerder gedempte sloot, die voorheen de kadastrale- en bestemmingsgrens vormde. De woning is derhalve gesitueerd op de rand van het aanwezige bouwperceel.

2.2

Door onder meer de bewoners van [adres 2], de derde partij, is geconstateerd dat er sprake was van aanleg van een tuin en terras aan de oostzijde van de woning van eiser. Dit is ook geconstateerd door een toezichthouder van het taakveld Bouw- en Woningtoezicht tijdens een controle op 7 juni 2004.

2.3

Bij brief van 21 juli 2004 is aan eiser gevraagd om een vrijstellingsverzoek ex artikel 12, derde lid, van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1974, inclusief partiële herziening 1984’, te doen daar het gebruik van het stuk grond als tuin in strijd is met dat bestemmingsplan. Het stuk grond heeft op grond van dat bestemmingsplan de bestemming “agrarische doeleinden”. Op 5 augustus 2004 heeft eiser dit verzoek gedaan. Het verzoek is behandeld als een verzoek om een aanlegvergunning en een verzoek om vrijstelling van de bestemmingsvoorschriften ex artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Verweerder heeft de aanlegvergunning bij besluit van 15 februari 2005 geweigerd, omdat het aanlegplan in strijd is met het bestemmingsplan en geen medewerking aan de vrijstellingsprocedure ex artikel 19, eerste lid, van de WRO kan worden verleend. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de negatieve adviezen van de Raadscommissie ROW en van de Contactcommissie Wijdewormer, respectievelijk van 10 januari 2005 en van 14 december 2004. Tegen het besluit van 15 februari 2005 heeft eiser geen beroep ingesteld. Daarmee is dat besluit onherroepelijk komen vast te staan.

2.4

Het nieuwe bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Wormerland’ is op 2 oktober 2007 goedgekeurd. In het nieuwe bestemmingsplan heeft de grond de bestemming ‘agrarisch gebied met landschapswaarden’. Meerdere personen, waaronder eiser, hebben beroep ingesteld tegen dit bestemmingsplan. Door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 5 november 2008 (LJN: BG3386) is dit bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Het beroep van eiser is door de ABRvS bij voornoemde uitspraak niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van het beroepschrift.

2.5

Bij besluit van 7 december 2010 heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruik van een stuk grond als tuin buiten het bouwperceel [adres 1], aan de oostzijde van de bestaande woning, in strijd met het bestemmingsplan.

2.6

Eiser erkent dat het gebruik van het stuk grond als erf buiten het bouwperceel strijdig is met het huidige en het eerdere bestemmingsplan. Hij doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar meerdere vergelijkbare gevallen. Eiser voert tevens aan dat de tuin niet zonder meer is aangelegd, maar dat hij vooraf de nodige informatie heeft ingewonnen bij de afdeling Ruimtelijke Ordening. Daartoe verwijst hij naar het advies van de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 12 oktober 2004 waarin staat dat per abuis en ten onrechte de verwachting is gewekt dat de tuin door middel van een binnenplanse vrijstelling ex artikel 12, derde lid, van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1974, inclusief partiële herziening 1984’ zou kunnen worden gerealiseerd. Eiser verwijst naar een ander geval waarbij verweerder de verwachting heeft gewekt dat hij de kosten voor zijn rekening zou nemen en dit om die reden dan ook heeft gedaan. Eiser verzoekt de rechtbank te bepalen dat verweerder de tuin gedoogd en tot legalisering overgaat – eventueel door herziening van het bestemmingsplan – met zonodig verschuiving van het aan het perceel toegekende bouwvlak.

2.7

Verweerder voert aan dat de aanschrijving last onder dwangsom niet ten onrechte is gedaan en niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of enig wettelijk voorschrift. Hij voert daartoe aan dat het aanleggen van een tuin in strijd is met het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1974, inclusief partiële herziening 1984’. Alleen door het opstarten van een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de tuin aangelegd worden. Er bestaat echter geen agrarische noodzaak om de tuin buiten het bouwvlak te creëren. Het aanleggen van een tuin is ook in strijd met het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Wormerland’. In dat bestemmingsplan zijn een aantal wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Het vergroten van het bouwperceel, dan wel het wijzigen van de situering van het bouwperceel om het gebruik van de agrarische grond als erf mogelijk te maken, valt niet onder deze wijzigingsgronden. Voorts voert verweerder aan dat de tuin niet is aangelegd als gevolg van het feit dat verweerder de verwachting heeft gewekt dat dit mogelijk zou zijn met een binnenplanse vrijstellingsprocedure. De tuin lag er toen al. De tuin is aangelegd zonder vergunning en daar is verzoeker op aangeschreven. Het was voor eiser – mede gezien de langdurige vergunningsprocedure voor het woonhuis – bekend dat de grond aan de oostzijde een agrarische bestemming had. Verder faalt volgens verweerder het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat van een – op juridische relevante wijze – gelijke situaties geen sprake is.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de derde partij ten onrechte als derdebelanghebbende is aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat de derde partij, gelet op het afstandscriterium, als derdebelanghebbende aangemerkt kan worden.

2.9

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) ingevoerd. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals opgenomen in artikel 1.6, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen van toepassing zijn op dit geding, omdat de beschikking tot oplegging van de last onder dwangsom gegeven is na inwerkingtreding van de Wabo.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5:32, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bestuursorgaan die bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Krachtens artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd bestuursdwang toe te passen, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels, welke het gemeentebestuur uitvoert.

2.10

Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van het perceel als tuin in strijd is met het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1974, inclusief partiële herziening 1984’, alsmede met het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Wormerland’. Daarmee staat vast dat de tuin in strijd met artikel 2.1., eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo zonder de vereiste omgevingsvergunning wordt gebruikt.

2.11

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.12

Van een concreet zicht op legalisatie is geen sprake daar verweerder niet bereid was om op grond van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1974, inclusief partiële herziening 1984’, vrijstelling te verlenen van de bestemmingsplanvoorschriften. Verweerder is evenmin bereid om gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheden die opgenomen zijn in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Wormerland’.

2.13

Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt, zodat op dat punt van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van handhavend optreden dient af te zien, geen sprake is. Het gestelde gewekte vertrouwen van de zijde van verweerder heeft betrekking op het besluit van 15 februari 2005. De rechtmatigheid van dat besluit is in de onderhavige procedure echter niet aan de orde. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan in de onderhavige procedure dan ook niet aan de orde komen.

2.14

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft evenmin doel. Ook op dat punt is derhalve geen sprake van een bijzondere omstandigheid die maakt dat verweerder van handhavend optreden dient af te zien. De door eiser aangehaalde gevallen zijn ofwel onvoldoende concreet onderbouwd, ofwel geen rechtens vergelijkbare gevallen. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

2.15

Ten aanzien van het perceel [adres 3] heeft verweerder genoegzaam weerlegd dat het om een rechtens vergelijkbaar geval gaat. Verweerder heeft uiteengezet dat in dat geval een aanvraag om de bomen te legaliseren is afgewezen wegens strijd met de agrarische bestemming van het perceel. Net zoals in casu het geval is, is daarbij ook besloten om niet mee te werken aan een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, eerste lid, van de WRO. In het kader van het nieuw vast te stellen bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Wormerland’ heeft de eigenaar van het perceel [adres 3] verzocht om de agrarische bestemming te wijzigen in een woonbestemming. Dat verzoek is gehonoreerd. Daarmee zijn tevens de bomen gelegaliseerd, omdat deze wel passen in de woonbestemming. Hieruit volgt dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval.
Met betrekking tot de verwijzing naar de [adres 4] heeft verweerder ter zitting toegelicht dat dat perceel een woonbestemming heeft, terwijl het onderhavige perceel een agrarische bestemming heeft. Verder heeft verweerder toegelicht dat een verzoek om compensatie van de gronden eerder wordt gehonoreerd indien sprake is van een woonbestemming dan wanneer sprake is van een agrarische bestemming. Daarmee is voldoende onderbouwd dat het perceel [adres 4] niet aangemerkt kan worden als een rechtens vergelijkbaar geval.
Ten aanzien van de [straatnaam] heeft verweerder eveneens genoegzaam weerlegd dat het om een rechtens vergelijkbaar geval gaat. Verweerder heeft uiteengezet dat de tuinen aan de [straatnaam] zijn gelegen aan de rand van een woonkern waar verdere verstedelijking van het landschap in ontwikkeling is. Daarentegen ligt het perceel van eiser in de kern van een agrarisch gebied, ver van de rand van een woonkern, waarbij van verstedelijking van het landschap in de nabije omgeving geen sprake is.
Ten aanzien van de bomen nabij de [straatnaam] is de rechtbank van oordeel dat dat geval door eiser onvoldoende concreet onderbouwd is, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds daarom faalt.
Hetzelfde geldt voor het perceel [adres 5]. Eiser heeft eerst ter zitting toegelicht dat het om het adres [adres 5] gaat. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van dit adres heeft eiser niet nader onderbouwd.

2.16

Voorts is gesteld noch gebleken dat handhavend optreden anderszins zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in deze concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.17

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van, M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.