Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BV7520

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
09/4296 en 09/4297
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Loonadministratie schoonmaakbedrijf. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat een aanzienlijk deel van de uren, en dus ook een aanzienlijk deel van de uitbetaalde uren niet in de loonadministratie is opgenomen en niet in de aangiftes loonbelasting is verwerkt. Verzwaring van bewijslast. De rechtbank acht de berekening van de theoretische loonsom redelijk. Toepassing anoniementarief wegens ontbrekende identiteitsbewijzen en loonbelastingverklaringen. Boetes wegens grove schuld en opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 870

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 09/4296 en 09/4297

Uitspraakdatum: 5 augustus 2010

Uitspraak in de gedingen tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde: mr. R. Zilver

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1.1. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 12 december 2007 over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag (aanslagnummer 0000.00.000.A.00.0000) loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: loonbelasting) opgelegd ten bedrage van € 18.228. Bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum heeft verweerder een bedrag van € 3.628 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 juli 2008 over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag (aanslagnummer 0000.00.000.A.00.0000) loonbelasting en premie volksverzekeringen ten bedrage van € 140.701 opgelegd. Bij afzonderlijke beschikkingen van dezelfde datum heeft hij een boete van € 51.503 (hierna ook: de boete) opgelegd en een bedrag van € 21.151 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2009 de onder 1.1.1 vermelde naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente gehandhaafd. Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2009 heeft hij de onder 1.1.2 vermelde naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep tegen eerstgenoemde uitspraak op bezwaar is geregistreerd onder zaaknummer AWB 09/4296. Het beroep tegen laatstgenoemde uitspraak op bezwaar is geregistreerd onder zaaknummer AWB 09/4297. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.4. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. J. van Ramshorst.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een schoonmaakbedrijf onder de naam A (hierna: de onderneming).

2.2. De omzet van de onderneming is in de jaren 2003 tot en met 2007 als volgt:

2003 € 475.399

2004 € 588.837

2005 € 616.680

2006 € 570.489

2007 € 505.026

2.3. Eiser is inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). Eiser heeft ten behoeve van de heffing van loonbelasting opgave gedaan van het betaalde loon en de ingehouden loonheffing tot de volgende bedragen

fiscaal loon (€) loonheffing(€)

2003 113.917 18.202

2004 127.903 20.954

2005 139.170 21.222

2006 193.840 32.500

2007 185.388 33.735

2.4. Eiser en zijn toenmalige echtgenote hebben zelf ook schoonmaakwerkzaamheden in de onderneming verricht. Daarnaast was bij de onderneming een medewerker in dienst die uitsluitend administratief werk heeft verricht. Eisers financiële administratie en aangiftes loonbelasting werden verzorgd door het administratiekantoor B B.V. (hierna: de boekhouder).

2.5. In de periode van mei 2007 tot en met juni 2008 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij de onderneming van eiser. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 juni 2008 (hierna: rapport boekenonderzoek). Tijdens dit onderzoek is onder meer het volgende geconstateerd.

2.6. De door werknemers gewerkte uren werden aan het einde van de maand door eiser aan de boekhouder doorgegeven voor de berekening van het loon. Daarbij werd aangegeven of een werknemer extra uren had gemaakt, ziek was geweest, of verlof had opgenomen. Het loon werd berekend op basis van het aantal opgegeven uren.

2.7. Tijdens het boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar geen primaire vastleggingen aangetroffen van de gewerkte uren dan wel van de opgenomen verlofuren. Voorts is geconstateerd dat van elf werknemers de loonbelastingverklaring en/of een kopie van het identiteitsbewijs ontbrak, dan wel een kopie van het identiteitsbewijs met een afgiftedatum na de datum van indiensttreding aanwezig was.

2.8. Tijdens het boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar de volledigheid van de loonadministratie gecontroleerd door middel van het leggen van een verband tussen de verantwoorde omzet en de loonsom. Hij is bij de controle uitgegaan van een uurprijs van de schoonmakers van € 24 en een gemiddeld bruto-uurloon van € 7,95. De controlerend ambtenaar is op grond hiervan in het rapport boekenonderzoek tot de volgende berekeningen gekomen:

“Berekening 2004

(…)

De omzet over het schoonmaakwerk (…) bedraagt: € 588.837

De uurprijs kan gemiddeld worden gesteld op € 24,- exclusief BTW.

Dan bedraagt het aantal uren in 2004: € 588.837,- : € 24,- = 24.534.

hierin zijn begrepen de uren van [eiser]: 2.000

de uren van [eisers echtgenote] 900

en de uren van de administratieve kracht: 400

dus af: 3.300

Resteert aan uren van het schoonmaakpersoneel 21.234

Bij een uurloon van gemiddeld bruto € 7,95 is dan de theoretisch brutoloonsom € 168.817,-.

Het werkelijk brutoloon (loonheffing) bedraagt € 127.916,-

verschil € 40.901,-

(…) € 40.901,- : € 7,95 = 5.144 uren

Berekening 2005

Ter vergelijking kijkend naar 2005 is een zelfde verschil te constateren:

De omzet over het schoonmaakwerk in 2005 bedraagt: € 618.412,-

De uurprijs kan nu gemiddeld worden gesteld op € 24,- exclusief BTW.

Dan bedraagt het aantal uren in 2005: € 618.416,-: € 24 = 25.767.

Hierin zijn begrepen 2.450 uren van de heer X plus echtgenote en 832 (…) uren van de administratieve kracht:

De resterende uren van het schoonmaakpersoneel bedragen dus: 25767 – 3282 = 22.485.

Bij een uurloon van gemiddeld bruto € 7,95 is dan de theoretische brutoloonsom € 178.758,-

Het werkelijk brutoloon bedraagt € 136.042,-

verschil € 42.716,-

€ 42.716,- : € 7,95 = 5.373 ontbrekende uren.

(…)”

2.9. Verweerder heeft de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd over de jaren 2002 tot en met 2005. Hij heeft daarbij correcties doorgevoerd in verband met het (i) ontbreken van loonbelastingverklaringen en/of kopieën van identiteitsbewijzen, (ii) in verband met het ontbreken van uren in de loonadministratie en (iii) in verband met verstrekkingen die niet als loon zijn aangemerkt. Ter zake van de lonen van de elf werknemers waarvan de loonbelasting en/of een kopie van het identiteitsbewijs ontbreekt (dan wel het identiteitsbewijs is afgegeven na de datum van indiensttreding) heeft verweerder het zogenoemde anoniementarief toegepast.

Verweerder heeft het aantal in de loonadministratie ontbrekende uren in 2004 en 2005 gesteld op respectievelijk 5.100 en 5.400. Bij de berekening van de naheffingsaanslag heeft verweerder het nettoloon per uur ter zake van deze ontbrekende uren gesteld op respectievelijk € 6,72 en € 6,85. Dit nettoloon is vervolgens door verweerder gebruteerd met toepassing van het anoniementarief.

2.10. Verweerder heeft tevens een vergrijpboete opgelegd. Verweerder heeft gesteld dat met betrekking tot het ontbreken van de loonbelastingverklaringen en kopieën van identiteitsbewijzen eiser grove schuld moet worden verweten. Verweerder heeft een boete opgelegd van 25% van de enkelvoudige loonbelasting over de jaren 2003 tot en met 2005.

Verweerder heeft met betrekking tot de ontbrekende uren gesteld dat eiser opzet moet worden verweten. Verweerder heeft een boete opgelegd van 50% van de berekende loonbelasting over de jaren 2004 en 2005.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is de hoogte van de naheffingsaanslagen, alsmede de boete.

3.2. Met betrekking tot de berekening van de ontbrekende uren in de loonadministratie heeft eiser aangevoerd dat € 24 als gemiddelde uurprijs voor schoonmaakwerkzaamheden te laag is. Ten onrechte is door verweerder uitgegaan van geoffreerde uren, daar deze gegevens een vertekend beeld van de uurprijs geven. Om commerciële redenen worden lagere uurprijzen geoffreerd dan uiteindelijk worden gefactureerd.

Ten onrechte is gesteld dat sprake is van grove schuld dan wel (voorwaardelijke) opzet. Eiser stelt daarbij dat hij met betrekking tot zijn verplichtingen omtrent de loonadministratie alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

Eiser heeft subsidiair de stelling ingenomen dat de boete dient te worden verminderd vanwege de wanverhouding tussen hetgeen hem verweten kan worden en de hoogte van de boete. Matiging van de boete is eveneens op zijn plaats omdat eiser onvoldoende financiële draagkracht heeft om de boete te kunnen betalen.

3.3. Verweerder stelt dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat dientengevolge eiser overtuigend dient aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Omdat de kopieën van de identiteitsbewijzen en/of de loonbelastingverklaringen van een aantal werknemers ontbreken, is terecht het anoniementarief toegepast.

Eiser heeft geen goede urenadministratie gevoerd en heeft derhalve niet aan zijn administratieplicht voldaan. Bij de berekening van de ontbrekende uren in de loonadministratie is een uurprijs voor schoonmaakwerkzaamheden van € 24 redelijk.

Eiser heeft lonen verzwegen en niet doorgegeven aan zijn boekhouder. Dit handelen is te kwalificeren als opzet. Eiser heeft zich er niet van vergewist dat zijn verplichtingen correct door zijn adviseur werden nageleefd. Deze onachtzaamheid is te kwalificeren als grove schuld.

4. Beoordeling van het geschil

Ontbrekende lonen

4.1.1. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiser in de aangiftes over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 niet alle uitbetaalde lonen heeft aangegeven en gesteld dat eiser derhalve niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Verweerder heeft de brutolonen, aan de hand van een theoretische loonberekening, op een hoger bedrag vastgesteld dan door eiser in de aangiftes loonbelasting was verantwoord. Bij de theoretische loonberekening is de aangegeven omzet als uitgangspunt genomen. Bij die berekening wordt een (direct) verband gelegd tussen de hoogte van de omzet en het aantal gewerkte uren. Het bedrag van de uitbetaalde lonen in 2004 en 2005 is berekend op de wijze zoals onder 2.8 is omschreven. Verweerder heeft zich daarbij beroepen op een verschuiving en verzwaring van de bewijslast, daar volgens hem eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

4.1.2. Artikel 27e, aanhef en onderdeel a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 april 1986 (nr. 23.374, LJN AW8043) geoordeeld dat in geval een inhoudingsplichtige voor de loonbelasting in de aangifte, zoals deze voor enig tijdvak is ingediend, een bedrag aan af te dragen belasting heeft verzwegen, slechts dan kan worden gezegd dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien het verzwegen bedrag in verhouding tot het totale bedrag van de over dat tijdvak af te dragen belasting aanzienlijk is. Of af te dragen loonbelasting is verzwegen en of dit verzwegen bedrag aanzienlijk is, dient door verweerder te worden bewezen en wel aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vergelijk HR 19 maart 2010, nr. 09/01255, LJN BL7957).

4.1.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat met betrekking tot de in geschil zijnde tijdvakken een aanzienlijk deel van de lonen niet in de loonadministratie is verwerkt, niet in de aangifte loonbelasting is aangegeven en aldus niet is afgedragen. De rechtbank leidt dit onder meer af uit de door verweerder gemaakte berekening van het theoretisch aantal gewerkte uren, zoals onder 2.8 is weergeven. Met deze berekening acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat een aanzienlijk deel van de uren dat is gefactureerd aan cliënten, niet in de loonadministratie is opgenomen. Eiser heeft het tegendeel niet bewezen. Hij heeft geen deugdelijke administratie van het aantal gewerkte uren overgelegd. Zo bevindt zich in het dossier geen overzicht waarin per werknemer per dag het aantal gewerkte uren (voor zover die afwijken van het vaste aantal uren), het aantal opgenomen verlofuren en het aantal ziektedagen is bijgehouden. Primaire vastleggingen ter zake zijn in het geheel niet aangetroffen. Verweerder heeft ook tijdens het boekenonderzoek een dergelijke urenadministratie niet aangetroffen. Verder heeft eiser ter zitting geen eenduidige verklaring kunnen geven of en hoe hij per dag de gewerkte uren, de verlofuren en de ziektedagen van zijn werknemers heeft geregistreerd.

4.1.4. Eiser is het niet eens met de door verweerder gehanteerde uurprijs van € 24 en stelt dat de uurprijs hoger is, hetgeen impliceert dat het aantal ontbrekende uren lager is. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft de door hem gehanteerde uurprijs onderbouwd door uit te gaan van een aantal offertes en facturen waaruit een lager uurtarief blijkt dan de door verweerder gestelde € 24. Eiser heeft niet, althans onvoldoende geadstrueerd dat de uurprijs € 32,50 bedraagt. Zo heeft hij geen offertes of facturen uit de onderhavige jaren overgelegd waaruit dit zou blijken. Daarnaast heeft eiser in een gesprek voorafgaande aan de controle in het kader van het boekenonderzoek verklaard dat de uurprijs tussen de € 18,20 en € 19,20 ligt. Voorts heeft de boekhouder berekend dat het uurtarief in 2007 € 26,26 bedraagt. Daarnaast heeft eiser ter zitting verklaard dat het uurtarief elk jaar licht stijgt. Al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen de stelling van verweerder dat de uurprijs die aan klanten in rekening is gebracht in 2004 en 2005 € 24 bedroeg, althans dat deze uurprijs niet te laag is.

4.1.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat een aanzienlijk deel van de uren, en derhalve een aanzienlijk deel van het uitbetaalde loon, niet in de loonadministratie is opgenomen en niet in de aangiftes loonbelasting is verwerkt. Verweerder heeft terecht gesteld dat verzwaring van de bewijslast dient plaats te vinden, voor zover de naheffingsaanslag betrekking heeft op het niet in de aangifte opgenomen uitbetaalde loon. Verzwaring van de bewijslast betekent echter niet dat verweerder de naheffingsaanslag naar willekeur mag vaststellen. Deze dient te berusten op een redelijke schatting van de verzwegen inkomsten (vergelijk Hoge Raad 28 maart 2003, nr. 38.039, LJN AF6486).

4.1.6. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat bij de berekening van het aantal gefactureerde uren, dient te worden uitgegaan van een hogere uurprijs dan de door verweerder gehanteerde € 24. De uitgangspunten die aan deze schatting ten grondslag liggen acht de rechtbank redelijk.

Bij de berekening van de theoretische loonsom acht de rechtbank het door verweerder gehanteerde bruto-uurloon van € 7,95 eveneens redelijk. Dit uurloon verschilt niet veel van het brutominimumloon en is door eiser niet betwist. Evenmin is de brutering van de niet verantwoorde lonen door eiser betwist. Ook het aantal uren dat eiser en zijn (toenmalige) echtgenote zelf schoonmaakwerkzaamheden binnen de onderneming hebben verricht wordt door eiser niet weersproken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het bedrag van de niet verantwoorde lonen op een redelijke schatting berust.

Anoniementarief

4.2.1. Ingevolge artikel 28, aanhef en onderdeel f, van de Wet LB 1964 (tekst 2002 t/m 2005) is de inhoudingsplichtige volgens bij ministeriële regeling te stellen regels gehouden de identiteit van de werknemer vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het nummer en een afschrift van dat document in de loonadministratie op te nemen.

4.2.2. Ingeval de identiteit van een werknemer niet is vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie zoals bepaald in voornoemd artikel, is ingevolge het bepaalde in artikel 26b van de Wet LB 1964 het zogenoemde anoniementarief van toepassing.

4.2.3. In artikel 28, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB 1964 is bepaald dat de inhoudingsplichtige is gehouden volgens bij ministeriële regels van de werknemer opgave te verlangen van gegevens waar de kennisneming van voor de heffing van belasting van belang kan zijn.

4.2.4. Ingevolge artikel 65, eerste lid, onder a, Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 dient de inhoudingsplichtige een loonbelastingverklaring uit te reiken zodra hij van de betreffende werknemer inhoudingsplichtige wordt. Ingevolge het vijfde lid moet de werknemer de ingevulde en ondertekende loonbelastingverklaring inleveren voor de eerste loonverstrekking. Op grond van het zevende lid (2002: achtste lid) is de inhoudingsplichtige gehouden om de loonbelastingverklaring bij de loonadministratie te bewaren tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

4.2.5. Ingeval de werknemer zijn naam, adres, woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt, is op grond van artikel 26b van de Wet LB 1964 eveneens het anoniementarief van toepassing. Van het niet verstrekken van die gegevens is reeds sprake als de loonbelastingverklaring niet uiterlijk voor de eerste loonverstrekking is ingeleverd bij de werkgever ook in het geval waarin de inhoudingsplichtige langs andere weg van naam, adres en woonplaats van de werknemer op de hoogte is (vergelijk Hoge Raad 29 juni 2007, 42.406, BNB 2007/249).

4.2.6. Verweerder heeft vastgesteld dat met betrekking tot elf werknemers een kopie van het (juiste) identiteitsbewijs en/of de loonbelastingverklaring (voor een deel van de periode waarop de naheffingsaanslagen zien) in de loonadministratie ontbreekt. Eiser heeft dit niet betwist, maar heeft tegen de naheffingsaanslag aangevoerd dat hij er altijd vanuit ging dat de betreffende bescheiden zich in de loonadministratie, welke werd bewaard bij de boekhouder, voorhanden waren.

Nog daargelaten het antwoord op de vraag of op grond van deze stelling naheffing volgens het anoniementarief achterwege dient te blijven, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser niet op de hoogte was van de genoemde gebreken in de loonadministratie. Eiser, die blijkens de brief van de boekhouder van 11 mei 2010 door deze van de administratieve verplichtingen op de hoogte was gesteld, was degene die contact had met zijn werknemers en derhalve ook degene die zorg moest dragen voor het verkrijgen van de benodigde gegevens voor de loonadministratie.

4.2.7. Voor zover eiser zich heeft willen beroepen op beleid van de belastingdienst dat tot medio 2005 niet of nauwelijks werd gecontroleerd of de identiteit van de werknemers juist was vastgesteld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Eiser heeft, tegenover betwisting hiervan door verweerder, zijn stelling niet onderbouwd.

4.2.8. Eiser heeft geen grieven ingebracht tegen de wijze van berekening van dit deel van de naheffingsaanslag. De rechtbank ziet evenmin aanleiding de berekening van verweerder onjuist te achten.

Boete

4.3.1. Ingevolge artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet voorziene termijn is betaald. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de grondslag voor de boete gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige niet (tijdig) is betaald. Ingevolge §25, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998), kan, voor zover hier van belang, een vergrijpboete alleen worden opgelegd indien er sprake is van opzet of grove schuld.

4.3.2. Ter zake van de naheffing wegens ontbrekende identiteitsbewijzen en loonbelastingverklaringen heeft verweerder aan eiser wegens grove schuld een vergrijpboete opgelegd van 25%. Naar vaste jurisprudentie dient onder grove schuld te worden verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat het begrip grove schuld mede grove onachtzaamheid. Ingevolge het tweede lid van §25 van het BBBB 1998 legt de inspecteur ingeval van grove schuld een vergrijpboete op van 25%. Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval ter zake van de ontbrekende identiteitsbewijzen en loonbelastingverklaringen sprake van grove schuld van eiser. Eiser die heeft erkend op de hoogte te zijn van de administratieve verplichtingen heeft laakbaar slordig gehandeld door deze bescheiden niet nauwkeurig te verzamelen en in de loonadministratie op te nemen. De rechtbank leidt dit onder meer af uit de omstandigheid dat voor andere werknemers deze bescheiden wel in de loonadministratie zijn opgenomen. De enkele stelling van eiser dat hij er van uitging dat hij alle bescheiden aan de boekhouder heeft aangeleverd en deze dus voorhanden waren, acht de rechtbank onvoldoende overtuigend om tot een ander oordeel te komen.

4.3.3. Ter zake van de naheffing in verband met ontbrekende uren heeft verweerder aan eiser wegens opzet een vergrijpboete opgelegd van 50%. Onder opzet wordt ook verstaan voorwaardelijke opzet: het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel de belasting niet tijdig betaald is. Nu eiser de primaire vastleggingen van de urenadministratie niet heeft bewaard en hij naar de rechtbank aannemelijk acht een aanzienlijk deel van de gewerkte uren buiten de (loon)administratie heeft gehouden, heeft hij welbewust de kans aanvaard dat een te laag bedrag aan belasting zou worden betaald. De rechtbank acht daarom in ieder geval voorwaardelijk opzet van eiser aanwezig.

4.3.4. Eiser stelt dat de boete dient te worden vernietigd, daar hij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor hetgeen de boekhouder heeft nagelaten. De rechtbank volgt eiser hierin evenmin. De reden dat te weinig belasting is geheven, vloeit voort uit de omstandigheid dat in de administratie loonbelastingverklaringen en kopieën van (juiste) identiteitsbewijzen ontbraken alsmede niet alle uren in de loonadministratie waren verwerkt. Beide omstandigheden zijn wel degelijk toe te rekenen aan eiser. In de pleitnota van eiser staat vermeld dat hij degene is die de identiteitsbewijzen en loonbelastingverklaringen van de werknemers vraagt. Het was derhalve zijn taak deze te verkrijgen en daarom is hij er in beginsel verantwoordelijk voor te houden dat alle bescheiden van alle werknemers (bij de boekhouder) aanwezig zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van deze gegevens niet het gevolg is van het niet opvragen ervan, maar is te wijten aan handelen van de boekhouder. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de onvolledigheid van de administratie niet aan eiser kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat deze onvolledigheid veeleer het gevolg is van de gebreken in de urenadministratie, die door eiser werd bijgehouden.

4.3.5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslagen tot een te hoog bedrag zijn opgelegd, zodat geen grond bestaat om voor de bepaling van de boetes uit te gaan van lagere grondslagen dan die voor de belastingheffing met gebruikmaking van de verzwaring van de bewijslast zijn vastgesteld. De rechtbank acht de boete derhalve passend en geboden. De door eiser ter zitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken het oordeel van de rechtbank niet anders.

4.3.6. In het arrest van 22 april 2005, nr. 37.984 (LJN AO9006) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een boetezaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete.

De termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is aangevangen met het gesprek van 7 mei 2008. De totale termijn beloopt derhalve meer dan twee jaar. De redelijke termijn is derhalve overschreden. De rechtbank zal om deze reden de vergrijpboete verminderen met 5 procent nu de redelijke termijn met minder dan zes maanden is overschreden (vergelijk Hoge Raad 19 december 2008, nr. 42.763, LJN BD0191). In dat geval bedraagt de vermindering € 2.576. Echter, gelet op de uitgangspunten van het Gerechtshof Amsterdam, zoals geformuleerd in zijn uitspraak van 2 juli 2009 (nr. 04/03329, LJN BJ1298) zal de boete worden verminderd met het maximum van € 2.500. De boete bedraagt dan € 51.503 -/- € 2.500 = € 49.003.

4.3.7. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de boete dient te worden verminderd op grond van de draagkracht van eiser. Nu dienaangaande geen nadere onderbouwing is gegeven ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete verder te matigen.

Heffingsrente

4.4. Het beroep tegen de beschikkingen heffingsrente heeft eiser niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de naheffingsaanslagen geen doel treffen, zal het beroep tegen de beschikkingen heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep inzake de boetebeschikking redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

5.2. De rechtbank stelt de reiskosten van eiser, voor het bijwonen van de zitting, vast op een bedrag van € 22, zijnde de reiskosten per tweede klasse openbaar vervoer. Andere kosten zijn gesteld noch gebleken.

5.3. Voor een vergoeding van de kosten die zijn gemaakt in de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig nu een dergelijk verzoek niet is ingediend, uiterlijk bij het doen van de bestreden uitspraak (artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht).

5.4. Het totaal te vergoeden bedrag bedraagt derhalve € 666.

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep in zaaknummer AWB 09/4297 gegrond voor zover gericht tegen de boetebeschikking;

-vernietigt voorzover de uitspraak op bezwaar van 27 juli 2009;

-vermindert de boete tot € 49.003 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-verklaart het beroep in zaaknummer AWB 09/4297 voor het overige ongegrond;

-verklaart het beroep in zaaknummer AWB 09/4296 ongegrond;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 666;

-gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. H.A.M. Röell-Mulder, voorzitter, mr. T.A. de Hek en mr. F.S.N. Nasrullah - Oemar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.J.E. Lodder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.