Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BR6785

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 1173 en 10 / 1174
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dividendbelasting. Boeten. De onderhavige geldverstrekkingen in 2007 en 2008 moeten als schijnleningen worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/01173 en 10/01174

Uitspraak in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor [P], verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor ieder van de jaren 2007 en 2008 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd. Bij beschikkingen, genomen bij de vaststelling van voormelde naheffingsaanslagen, heeft verweerder aan belanghebbende boeten opgelegd.

1.2. Bij de uitspraken op bezwaar heeft de verweerder de bezwaren van eiseres tegen de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen gedeeltelijk toegewezen en deze verminderd tot de hierna vermelde bedragen.

1.3. Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar tijdig beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen drs. [A] en namens verweerder zijn verschenen mevrouw mr. [B] en [C]

Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

2.1. Eiseres heeft in het verleden aandelen gehouden in vennootschappen die onderdeel uitmaakten van de [D]groep, een groep vennootschappen die actief is in de automobielbranche en in de voedingsmiddelensector. Oprichter van de [D]groep is [D], geboren op [dag en maand] 1934 (hierna: [D]). De bedrijfsactiviteiten zijn overgedragen aan twee zonen en een dochter van. [D].

2.2. De aandelen in het kapitaal van eiseres zijn in handen van Stichting [E] (hierna: de stichting). Het bestuur van de stichting wordt gevormd door [D], zijn zonen [F] en [G], alsmede door [H] en [I]. De certificaten van aandelen in eiseres behoren alle toe aan [D].

2.3. [D] ontving van eiseres in de jaren 2007 en 2008 € 17.542 respectievelijk € 18.138 aan salaris en in beide jaren € 53.623 aan pensioen.

2.4. De rekening-courantschuld van [D] aan eiseres bedroeg ultimo 2002 € 388.752 en ultimo 2006 € 2.132.992. Door middel van een aantal verrekeningen van schulden en vorderingen binnen de [D]groep is de rekening-courantschuld ultimo 2006 teruggebracht tot navermeld bedrag. Het saldo van de rekening-courantschuld van [D] aan eiseres, alsmede de aangegeven bedragen van zijn bezittingen en schulden in box 3, zoals blijkend uit de door hem ingediende aangiften in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, luiden als volgt:

Rekening-courant bezittingen schulden

Ultimo 2006 € -/-6.682 € 243.169 € 1.587.078

Ultimo 2007 € 369.338 € 393.928 € 1.645.349

Ultimo 2008 € 798.544 € 483.760 € 1.857.464

2.5. De intrinsieke waarde van de aandelen in het kapitaal van eiseres wordt in de aangiften in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 gesteld op € 1.926.785. In 2008 heeft eiseres een dividenduitkering van € 82.000 aan [D] gedaan.

2.6. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de toename van de rekening-courantschuld in de jaren 2007 en 2008 van [D] aan eiseres in ieder van die jaren een (verkapte) winstuitdeling vormt van de eiseres aan [D]. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de bedragen van de nageheven dividendbelasting en de verzuimboeten als volgt berekend:

2007 2008

Toename van de debetstand (uitdeling) € 369.339 € 429.205

Daarover verschuldigde dividendbelasting ad 15%,

na brutering met factor 100/85 € 65.177 € 75.742

Verzuimboete € 651 € 2.268

2.7. [D] huurt een kavel grond, nummer [1], aan de [a-straat 2] te [Q]. De jaarlijkse huursom bedraagt € 5.000. Op de kavel staat een chalet dat in de jaren 2005 en 2006 voor circa € 500.000 is gerenoveerd en ingericht. Ter zake van het chalet is geen opstalrecht gevestigd. Het chalet is duurzaam met de grond verenigd en is naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. In de huurovereenkomst tussen [D] en de verhuurder is niet overeengekomen dat bij beëindiging daarvan de verhuurder enige compenserende vergoeding aan [D] dient te betalen voor de waarde van het chalet. Evenmin is overeengekomen dat de verhuurder verplicht is een door [D] aangedragen opvolgende huurder van de kavel als nieuwe huurder te accepteren. De huurovereenkomst is door ieder der partijen per jaar opzegbaar. Uit een daags voor het onderzoek ter zitting voor de rechtbank, 11 oktober 2010, gedagtekend taxatierapport van [J], makelaar RMT (hierna: het taxatierapport), is de waarde van het chalet getaxeerd op € 375.000.

Geschil en standpunten partijen

3.1. In geschil is of de toename van de rekening-courantschuld in het jaar 2007, onderscheidenlijk 2008 van [D] aan eiseres als uitdeling van eiseres aan [D] kan worden beschouwd, hetgeen verweerder stelt, doch eiseres bestrijdt.

3.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de geldverstrekkingen in voormelde jaren en de daartegenoverstaande verhoging van de rekening-courantschuld van [D] aan eiseres moet worden aangemerkt als een schijnlening omdat de geldverstrekkingen hebben plaatsgevonden onder condities die onder zakelijk handelende partijen niet goed denkbaar zijn en omdat het voor [D] onmogelijk is de rekening-courantschuld af te lossen. Zulks blijkt uit de navolgende feiten en omstandigheden:

- een schriftelijke overeenkomst of ander bewijsstuk ontbreekt;

- er is geen aflossingsschema;

- er zijn geen zekerheden gesteld;

- er is een rente van vijf percent overeengekomen die niet wordt betaald, maar in rekening-courant wordt bijgeschreven;

- het inkomen van [D], in combinatie met zijn leeftijd, sluit uit dat aflossing van de rekening-courantschuld zal kunnen plaatsvinden uit reguliere inkomsten;

- de privé-bezittingen van [D] zijn volstrekt ontoereikend om de rekening-courantschuld af te lossen;

- [D] heeft zich jegens derden voor aanzienlijke bedragen borg gesteld.

3.3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd omdat [D] voldoende mogelijkheden heeft om zijn rekening-courantschuld af te lossen. De toename in 2008 bestaat voor een bedrag van € 205.000 in aflossing door eiseres van een zogeheten box-2-schuld van [D] aan de [K-bank]. De rekening-courantschuld draagt een rente van vijf percent. [D] heeft mogelijkheden de vordering af te lossen door verkoop van zijn chalet in [Q] en door het doorvoeren van een kapitaalvermindering bij eiseres. Bovendien is het bestuur van de stichting van mening dat de rekening-courantschuld afgelost dient te worden zodra [D] daarvoor de mogelijkheid heeft.

Beoordeling van het geschil

4.1. Het kan zich voordoen dat een lening in schijn bestaat, omdat partijen in werkelijkheid geen overeenkomst van geldlening tot stand hebben willen brengen. De lening is dan gefingeerd en vormt in wezen een winstuitdeling door de vennootschap ten behoeve van de aandeelhouder, op het moment dat de vennootschap de gelden aan de aandeelhouder ter beschikking stelt. De vraag of de – als lening aangeduide – verhouding gefingeerd is, moet op grond van de feiten en omstandigheden worden beantwoord. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1964, nr. 15 225, BNB 1964/196 blijkt dat de lening als gefingeerd kan worden aangemerkt indien is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

a. indien en voor zover bij de geldverstrekking niet de bedoeling bestaat dat de geldnemer het opgenomen bedrag aan het lichaam schuldig zal worden. Het ontbreken van deze bedoeling moet worden afgeleid uit het niet bedingen van aflossingen, al dan niet in combinatie met het niet bedingen van rente. Het vermoeden dat partijen geen echte schuld in het leven hebben willen roepen kan worden versterkt indien de geldnemer geen enkele zekerheid ter nakoming van zijn aflossingsverplichtingen of rentebetalingen heeft gesteld. Voorts dient de aandeelhouder zich bewust te zijn geweest, dan wel redelijkerwijs bewust heeft moeten zijn dat deze geldverstrekking geen echte schuldverhouding in het leven heeft geroepen;

b. indien bij de geldverstrekking het de bedoeling van partijen is een schuldverhouding in het leven te roepen, maar op het moment van de geldverstrekking reeds duidelijk is dat de opgenomen gelden niet kunnen worden terugbetaald of verrekend. Een op zichzelf reële lening aan een volstrekt insolvabele debiteur houdt dus in wezen het creëren van een schijnlening in.

4.2. In zijn arrest van 29 oktober 2004, nr. 40 296, BNB 2005/64, voegde de Hoge Raad aan de onder 4.1 weergegeven oordelen toe dat een en ander niet anders wordt indien het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering. Derhalve hoeft bij de beoordeling van de solvabiliteit van [D] geen rekening te worden gehouden met de intrinsieke waarde van de aandelen in het kapitaal van eiseres.

4.3. Voorts oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 12 september 2008, nummer 43 366, BNB 2009/13, dat het enkele feit dat de mogelijkheid bestaat dat een vennootschap overgaat tot afstempeling van haar aandelen en aandelenkapitaal terugbetaalt aan de aandeelhouder er niet aan in de weg staat dat sprake is van een als schijnlening vermomde uitdeling.

Derhalve moet in de onderhavige zaak worden geoordeeld dat het betoog van eiseres aangaande de mogelijkheid tot terugbetaling van kapitaal haar niet kan baten.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, ook gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder van de door eiseres gestelde waarde die het chalet voor haar vertegenwoordigt, onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de gestelde waarde van het chalet is gekomen. Voorts is niet inzichtelijk geworden hoe de taxateur rekening heeft gehouden met de eigendomssituatie ten aanzien van het chalet, of hij daarbij rekening heeft gehouden met het feit dat de huurovereenkomst door ieder van de contractspartijen per jaar is te beëindigen en met het feit dat de verhuurder geen vergoeding aan [D] verschuldigd is als de huurovereenkomst wordt beëindigd en dat [D] niet het recht heeft om een andere huurder in zijn plaats te stellen. Derhalve heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van het chalet € 375.000 bedraagt en dat [D] zoals zij stelt over dat bedrag kan beschikken ter aflossing van de rekening-courantschuld.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het oordeel dat [D] ten tijde van het opnemen van voormelde geldbedragen in de loop van 2007 en 2008 niet de intentie had deze gelden aan eiseres terug te betalen en dat eiseres zich niet, dan wel onvoldoende om die terugbetaling heeft bekommerd, hoewel ernstig moet worden gevreesd dat [D] tot een zodanige terugbetaling niet in staat zal zijn. In voormeld oordeel ligt besloten dat [D] en eiseres zich redelijkerwijs bewust hebben moeten zijn dat deze geldverstrekking geen echte schuldverhouding in het leven heeft geroepen. Eiseres, op wier weg zulks gelet op de bestrijding door verweerder zou hebben gelegen, heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De conclusie moet derhalve zijn dat de onderhavige geldverstrekkingen in 2007 en 2008 als schijnleningen moeten worden beschouwd. Dat over die leningen een rente van vijf percent is overeengekomen, welke rente jaarlijks aan de rekening-courantschuld wordt toegevoegd, alsmede dat het bestuur van de stichting van mening is dat [D] zijn schuld dient af te lossen, doch niet eerder dan dat hij daarvoor de mogelijkheden heeft, zijn omstandigheden die niet tot een ander oordeel leiden.

Proceskosten

De rechtbank vindt geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 november 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door de mrs. P.J.J. Vonk, als voorzitter, H.A.J. Kroon en R.W. Otto, als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H.R. Massmann, als griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.