Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BR3324

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
09/2646, 09/2647
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4379, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Herinvesteringsreserve. Grond niet aan te merken als bedrijfsmiddel, zodat de winst bij verkoop van de grond ook niet gereserveerd kan worden. De op 9 december 2008 verworven grond in "F" neemt zowel functioneel als economische niet dezelfde plaats in als de grond ter zake waarvan de verkoopopbrengst is behaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1780
FutD 2011-1827
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 09-2646 en 09/2647

Uitspraakdatum: 16 november 2010

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] Holding B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: mr. drs. [A]

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht Gooi, kantoor [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd (aanslagnummer [xx.xx.xxx.x.xx.xxxx]), berekend naar een belastbaar bedrag van € 952.887 (hierna: de aanslag Vpb 2004) en voor het jaar 2005 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd (aanslagnummer [xx.xx.xxx.x.xx.xxxx]), berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.063.670 (hierna: de aanslag Vpb 2005).

1.2. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 april 2009 de aanslagen Vpb 2004 en Vpb 2005 gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 mei 2009, ontvangen bij de rechtbank op 27 mei 2009, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2010. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde zijn in hoger beroep de volgende feiten als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan:

2.1. Eiseres vormt met [B] B.V. en [C] B.V. een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De heer [D] (hierna: [D]) is enig aandeelhouder en directeur van eiseres. De activiteiten van eiseres omvatten het kopen en verkopen van onroerende zaken en het ontwikkelen van projecten op het gebied van onroerende zaken.

2.2. Op 25 juni 2002 komen de gemeente [Q] en [D] onder meer overeen dat de gemeente in een periode van vier jaar vier hectare grond in het plan “[E]” (hierna: de grond) te koop zal aanbieden tegen een prijs van € 115,71 exclusief omzetbelasting per vierkante meter (hierna: m2). Ter uitvoering van dit besluit komen de gemeente [Q] en [D] de koop van de grond overeen in een koopovereenkomst die blijkens de expliciete bewoordingen van de ondertekening is overeengekomen op 21 oktober 2003.

2.3. Op 2 oktober 2003 verkoopt [D] de grond aan een derde tegen een prijs van

€ 226,90 exclusief omzetbelasting per m2. Levering zal plaatsvinden als volgt: één hectare op 1 oktober 2004, één hectare op 1 oktober 2005, één hectare op 1 oktober 2006 en de laatste hectare op 1 oktober 2007.

2.4. Blijkens een vaststellingsovereenkomst van 19 november 2004 komen [D] en verweerder overeen dat de voordelen uit het plan “[E] te [Q]” toegerekend worden aan eiseres.

2.5. Op 30 december 2005 koopt eiseres een bouwterrein van ongeveer 46 centiare op het industrieterrein “[E] te [Q]”. Op dit bouwterrein is een bedrijfsgebouw voor de verhuur gerealiseerd.

2.6. Op 9 december 2008 koopt eiseres van de gemeente [R] twee percelen grond ter grootte van ongeveer drie hectare en 20 centiare en ongeveer 52 centiare op het bedrijventerrein “[F]” voor een koopprijs van respectievelijk € 7.200.000 en € 400.000 exclusief omzetbelasting.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of de winst bij verkoop van de grond (in 2004: € 1.035.506 en in 2005: € 1.056.790) terecht door eiseres is toegevoegd aan een herinvesteringsreserve, en bij ontkennende beantwoording of belanghebbende de winst met toepassing van de ruilarresten in mindering mag brengen op de aankooprijs van grond in het plan “[F]” te [R], welke eiseres op 9 december 2008 heeft verworven.

3.2. Eiseres heeft ter ondersteuning van haar standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

3.2.1. De rechten op (de verwerving van) de grond kwalificeren zich als bedrijfsmiddel en de boekwinsten als gevolg van de verkoop kunnen aan de herinvesteringsreserve gedoteerd worden.

3.2.2. Toen eiseres in juni 2002 het recht verwierf op de koop van de grond, had eiseres nog de bedoeling om op de grond onroerende zaken te (laten) vervaardigen voor verhuur/bedrijfsmatige exploitatie.

3.2.3. Op 2 oktober 2003 verkoopt eiseres de grond aan een derde, omdat het een buitenkans was de grond te verkopen tegen een prijs die ongeveer het dubbele bedraagt van de aankoopprijs.

3.2.4. Eiseres heeft de rechten op levering van de grond slechts willen verkopen, omdat zij op dat moment al de mogelijkheid had tot de aankoop van grond in het plan “[F]” te [R]. De optie om voormelde grond te kopen had eiseres via een verbonden vennootschap al sinds 1997. Eiseres had op het moment van de verkoop van de grond in oktober 2003 derhalve al een herinvesteringsvoornemen in grond waarop zij voor de verhuur bestemde onroerende zaken wenste te realiseren.

3.2.5. Ingeval de grond niet als bedrijfsmiddel kan worden gekwalificeerd, doet eiseres een beroep op de ruilarresten. De in oktober 2003 verkochte grond en de in 2008 verworven grond in “[F]” nemen in economische zin dezelfde plaats in de onderneming van eiseres in, te weten bouwterreinen verworven met het oogmerk om hier onroerende zaken op te (laten) vervaardigen bestemd voor de verhuur/bedrijfsmatige exploitatie.

3.2.6. Het tijdsverloop tussen het moment van het concrete vervangingsvoornemen in oktober 2003 en de aankoop van de grond in het plan “[F]” te [R] in december 2008 is een vertraging welke het gevolg is van een bijzondere, door eiseres bij het maken van het plan niet voorziene, omstandigheid, gelegen in de houding van de verkopende gemeente [R].

3.3. Verweerder houdt - zakelijk weergegeven – het volgende staande:

3.3.1. Eiseres heeft op 2 oktober 2003 een leveringsrecht aan de derde verkocht, voordat de grond op 21 oktober 2003 daadwerkelijk gekocht werd. Vervreemding heeft dus voor de aankoop plaatsgevonden en is er dus geen sprake van een bedrijfsmiddel.

3.3.2. De grond is verkregen door [D] en niet door eiseres. Er kan dan ook geen sprake zijn van een vervreemding van een bedrijfsmiddel door eiseres. Volgens de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst wordt het resultaat uit de grondaankoop aan eiseres toegerekend.

3.3.3. De grond was bedoeld voor de verkoop.

3.3.4. Er is geen sprake van bijzondere, door eiseres bij het maken van het plan niet voorziene, omstandigheden. Voorts is van enige vertraging geen sprake nu tussen verkoop van de grond en aankoop van grond in het plan “[F]” ruim vijf jaren zijn verstreken.

3.4. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst de rechtbank voorts naar de gedingstukken.

3.5. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag Vpb 2004 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 82.619 negatief en van de belastingaanslag Vpb 2005 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 6.880.

3.6. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Een herinvesteringsreserve kan ingevolge artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 - voor zover hier van belang - gevormd worden, indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft. Artikel 3.30 van de Wet inkomstenbelasting 2001 omschrijft bedrijfsmiddelen als goederen die voor het drijven van een onderneming worden gebruikt. Op het moment van de koop van de grond op 21 oktober 2003 was de grond al op 2 oktober 2003 verkocht aan een derde. Hieruit volgt dat de grond op geen enkel moment voor het drijven van de onderneming van eiseres is gebruikt en werkzaam is geweest in haar onderneming. De grond kan dan ook niet aangemerkt worden als een bedrijfsmiddel zodat de winst bij verkoop van de grond ook niet gereserveerd kan worden. Het standpunt van eiseres is op dit punt onjuist.

4.2. Van belang is dan vervolgens het antwoord op de vraag of eiseres de winst behaald met de verkoop van de grond op 2 oktober 2003 met toepassing van de ruilarresten in mindering mag brengen op de aankooprijs van grond in het plan “[F]” te [R], welke eiseres op 9 december 2008 heeft verworven. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 12 februari 1986, nr. 22 922, gepubliceerd in BNB 1986/200) behoeft naar goed koopmansgebruik ter gelegenheid van de vervreemding van een activum geen winst tot uitdrukking te worden gebracht, indien ten tijde van het behalen van de verkoopwinst een concreet plan aanwezig was om in directe samenhang met de vervreemding een ander activum te verwerven dat zowel functioneel als economisch in het vermogen van eiseres dezelfde plaats zou innemen als het vervreemde activum. Daaraan staat niet in de weg dat bij de uitvoering van dat plan een zekere vertraging is opgetreden, mits die vertraging het gevolg was van bijzondere, door eiseres bij het maken van het plan niet voorziene, omstandigheden.

4.4. Gelet op de vaststaande feiten had de grond zowel functioneel als economisch in het vermogen van eiseres de plaats van voorraad. De grond diende immers nog voor de aankoop door eiseres tot verkoop. De op 9 december 2008 verworven grond in “[F]” is daarentegen verworven met het oogmerk om daar onroerende zaken op te (laten) vervaardigen bestemd voor de verhuur/bedrijfsmatige exploitatie. Aldus neemt laatstgenoemde grond zowel functioneel als economisch niet dezelfde plaats in als de grond ter zake waarvan de verkoopopbrengst is behaald.

4.5. Gelet op het hiervoor overwogene behoeven de overige vragen en standpunten geen behandeling meer en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 13 november 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mrs. H.A.J. Kroon, voorzitter, P.J.J. Vonk en W.M.G. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y. Postema, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.